Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Familie Bosch van Drakestein - Vast- en Onroerend goed

Verworven gronden, landerijen, boerderijen en landgoederen door Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein (1771-1834) tussen 1798 en 1832.

De tot nu toe bekende uitgezochte gegevens door SHH van grond aankopen door Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein tussen 1798 en 1832. Let op: galerij wordt van tijd tot tijd aangevuld met meer kaarten van grondaankopen.

 Toelichting bij de aangekochte vast- en onroerende goederen

Families Bijleveld, Bosch (van Drakestein- Van Oud-Amelisweerd) en Michiels van Kessenich hadden aan het einde van de achttiende eeuw en de eerste vijfentwintig jaar van de negentiende eeuw meer vastgoed dan we hier op deze pagina staat beschreven. Het gaat dan voornamelijk om binnenstedelijk panden binnen Utrecht stad. Deze heeft de stichting verder niet uitgezocht. Historisch bewoningsonderzoek in de binnenstad van Utrecht en de eigendomsverhouding daarin in het eind van de achttiende eeuw is namelijk niet het onderzoeksgebied en de kunde van de stichting.

De stichting heeft zich voornamelijk gericht op betrouwbaar krantenonderzoek uit kranten van de achttiende- en begin negentiende eeuw, gehaald uit de database Delpher.nl van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. In kranten werden in die tijdsperiode divers vast- en onroerend goed te koop aangeboden of aangekondigd voor aanstaande veilingen.

De grote in oppervlakten van (Ridder)hofsteden, landerijen en landgoederen in morgenof hectaren die waren te herleiden naar een goede locatie, die heden te vinden zijn op onlinekaarten over de provincies Utrecht en Gelderland. Zijn het dat de stichting ervoor gekozen heeft deze aankopen van vast- en onroerende goederen van boven genoemde families te onderzoeken en erover te publiceren. Het is niet uitgeloten dat zij meer hadden in vast- en onroerend goed. Gelegen in andere provincies of steden/dorpen buiten de provincies Utrecht en Gelderland.

Aankoop informatie en/of verervingen van families Bosch en Bijleveld zijn ook uit de online database van getranscribeerde notariële akten van Het Utrechts Archief gehaald.

Na het overlijden van Jhr. Paulus Willhelmus Bosch van Drakestein en zijn neef Jan Willem Hendrik Bosch zijn erin de loop van de negentiende eeuw nog diverse familieleden Bosch geweest die ook andere stukken land kochten. Om van de opbrengst van de pachten te rentenieren. De stichting heeft de meest van deze aankopen niet meegenomen in het hieronder omschreven overzicht.

De Tiende van de gemeente Ommeren

Op vrijdag 17 april 1665 wordt erop een fiche een nieuwe verpachtingsronden gehouden door de toenmalige houder van de tiendrechten in de ambachtsheerlijkheid Ommeren en Lienden (Gelderland). In de zeventiende eeuw behoorde deze tiendrechten bij diverse aanzienlijke lieden die in de omgeving van het dorp (kerspel) van Ommeren woonde. Later vermoedelijk eind 18e eeuw is het tiendrecht overgegaan naar de Heer van Drakestein en De Vuursche.

Bij het opmaken van de Memories van Successie van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein in 1834. Wordt er geschreven over het recht op tiendheffing (recht) op diverse landerijen en landbouwgronden in de gemeente Lienden bij en om het dorp Ommeren in de provincie Gelderland. Een tiend was het recht op het heffen van opbrengsten op landbouwgronden of boomgaarden om een tiende gedeelte hiervan af te staan aan de heer die het recht op de tiendheffing had. Het tiendrecht is in de jaren tien van de twintigste eeuw afgeschaft en afgekocht. Destijds door de toenmalige grootgrondbezitters van die tijd. Vermoedelijk heeft familie Bosch van Drakestein ook in deze tijd het tiendrecht bij Ommeren afgekocht.

Bouw- en weiland gronden in dorp 't Goy (gem. Houten) 

Op maandag 8 augustus 1735 werd ten overstaan van notaris Johannes Sluyterman te Utrecht door Hendrik Willem als voogd van zijn onmondige zoon Theodorus Gerardus Bosch 8 morgen bouw en weiland aangekocht naast het Uurdijkje gelegen in 't Goy. Bij de koop behoorde ook 3 en halve morgen en 9 roeden land en een halve morgen land in erfpacht bij het kapittel Ten Dom te Utrecht. Gelegen tussen de Tuurdijk ten het noordoosten en Beusichemseweg in het zuidwesten. Na het overlijden van Theodorus in 1802 vererven de landerijen in 't Houten bij Houten op zijn zoon Paulus Wilhelmus Bosch. In 1832 zijn de landerijen in het bezit van de neef van Paulus, Jan Hendrik Willem Bosch. Maar behoren dan bij de landerijen van boerderij Schoneveld (Leedijkerhout 15-17). 

Grond in Zuilen

In het HISGIS systeem van Ad van Ooststroom staat al te lezen dan Jan van Bijleveld in 1745 al een stuk land aan de (heden) 2e Daalsedijk in Utrecht Zuilen bezat. Na zijn overlijden in 1769 komt het land toe aan zijn dochter Cornelia van Bijleveld. Haar man Theodorus Gerardus Bosch voert het beheer erover. Na het overlijden van Cornelia in 1823 komt het land toe aan Paulus Bosch van Drakestein. Later in de negentiende eeuw komt het land aan de 2e Daalsedijk toe aan familie Bosch van Oud-Amelisweerd.

Heden is op het stuk grond de Cartesiusweg, Station Utrecht Zuilen en de St. Josephlaan aangelegd en gebouwd.

 Hofstede met landerijen in Kamerik Teckop (gem. Woerden)

In het jaar 1747 staat in het hoefslaggeld vermeld (belasting) dat Hendrik Bosch de eigenaar is van de boerderij met landerijen in de gemeente Woerden, Kamerik Teckop, Teckop 15. Tot het jaar 1802 zullen met een redelijk zekerheid de boerderij en landerijen vererven op de broers van Hendrik Bosch, via Willem Bosch tot aan zijn broer Theodorus Gerardus Bosch. Na zijn overlijden in 1802 zal de boerderij met landerijen toe bekomen aan zijn weduwe Cornelia van Bijleveld. Na haar overlijden in 1823 komt het land aan de Teckop 15 toe aan haar dochter Cornelia Jacoba Bosch. Haar echtgenoot Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich beheerd het vast- en ontroerend goed. Wat Cornelia Jacoba van haar overleden moeder geërfd had. In de achttiende eeuw en tijden daarna was het gebruikelijk dat gehuwde vrouwen die na het overlijden van een directe familielid veel bezitting erfde. Dat deze toekwamen aan hun echtgenoot.

Bron: HISGIS Utrecht, Ad van Ooststroom.

 Hofstede en landerijen in Kamerik Mijzijde

In het jaar 1750 staat in het hoefslaggeld vermeld dat Willem Bosch de eigenaar is van de boerderij met landerijen aan de Kamerik Mijzijde, Mijdzijde 148. In 1801 overlijd Willem Bosch en komt de boerderij met land in het bezit van zijn broer Theodorus Gerardus Bosch. Hij overlijd een jaar later in 1802. In het kadaster van 1832 staat dat de weduwe van Theo, Cornelia van Bijleveld de eigenaresse is van land en boerderij. Dit is wel opmerkelijk want zij overlijd in 1823, ruim 9 jaar eerder. Dus mag aangenomen dat Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein vanaf die tijd de eigenaar was.

Bron: HISGIS Utrecht, Ad van Ooststroom.

Hofstede Den Hoed in Vleuten-De Meern (gem. Utrecht)

Op donderdag 30 mei 1754 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Luyt van der Pauw boerderij De Hoed, gelegen te Vleuten verkocht. De gemachtigde in de verkoop was Hendrik van den Bosch. Verkoper was Isaacq de I' Espaul van beroep lid van de veertig raad van Delft. Koper van Den Hoed was Theodorus Gerardus Bosch van beroep koopman te Utrecht. 

Fragment van omschrijving van Den Hoed in de notariële akte:

hofstad en huysinge met 26 mergen zoo boomgaert als bouwlandt ca, te Vleuten, genaamd Den Hoedt.

Na het overlijden van Theodorus Gerardus Bosch in 1802 gaat boerderij Den Hoed over op zijn schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich. Hij is getrouwd in 1793 met Cornelia Jacoba Bosch. Zij is de zus van Paulus Wilhelmus Bosch. Uit het huwelijk van Cornelia Jacoba Bosch met Hendrik Joseph komen twee zonen. Johan Alexander Hubert Baron Michiels van Kessenich (1800-1863) en Frans Bernhard Hubert Jonkheer Michiels van Kessenich (1802-1881).

Bron: Het Utrechts Archief Notarissen in de stad Utrecht 34-4 U205U009, aktn. 79, 30-05-1754.


Beschrijving van Den Hoet volgens Wikipedia Den Hoet

Den Hoet was een versterkt huis uit de middeleeuwen aan de weg tussen Utrecht en Vleuten. Het lag in een lus van de inmiddels verdwenen rivier de Rijn. Het terrein waarop het zich bevond is bewaard gebleven. Het nog aanwezige toegangshek, dat dateert uit de 16e eeuw, is een rijksmonument. Op het terrein staat thans een boerderij met de naam Den Hoet, een gemeentelijk monument. Vroeger was de omgeving ervan landelijk gebied, thans stedelijk gebied: de buurt Het Zand in de Utrechtse wijk Leidsche Rijn. In de directe omgeving van de boerderij Den Hoet is een straat met dezelfde naam.

Over het ontstaan van Den Hoet is weinig bekend. De eerste vermelding komt voor op een kaart uit 1556, waarop een omgracht huis met trapgevels staat afgebeeld. Het huis was een leen van kasteel Ruwiel, gelegen bij Oud-Aa, gemeente Stichtse Vecht.
Het versterkte huis Den Hoet was destijds gelegen bij de aansluiting van de gegraven Vleutense Wetering op de oude Rijnloop direct aan de noordwestzijde van de Hoge Weide.
Den Hoet ontwikkelde zich tot een grote buitenplaats, blijkens een omschrijving uit 1671. Hierin is sprake van een complex met: visscherije, cingels, graften, boomgaerde, bouwhuys, brouwhuys, bergen, schuijren ende vordere appendirien, mitsgaders d'landen daer aen behoorende ende annex gelegen groot te saemen omtrent ses en twintigh morgen lands. In de achttiende eeuw is het huis waarschijnlijk vervallen geraakt en gesloopt. In 1741 is namelijk sprake van een hofstede en niet meer van een kasteel of buitenplaats.
De huidige dwarshuisboerderij werd grotendeels in 1917 gebouwd. Overblijfselen van het oude Den Hoet zijn beschermd als archeologisch monument. De boerderij zelf is een gemeentelijk monument, terwijl een 16e-eeuws hekwerk van de boerderij de status van rijksmonument heeft. Rond de boerderij loopt een ringsloot, waarschijnlijk de slotgracht van het oude Den Hoet.

Land aan de Breudijk te Harmelen (gem. Woerden)

Op donderdag 27 juli 1758 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Luyt van der Pauw het onroerend goed van de overleden heer Gerrit Dykmans verkocht. De executeur testamentair zijn Gerard van Wieringen en Dirk Oskamp. Uit zijn nalatenschap behoorde bij de verkoop een huis aan de rivier de Vecht bij de Bemuurde Weerd, de windkorenmolen 't Fortuyn, staande op de stadswal van Utrecht bij de Catharijnepoort en een huis met 2,5 morgen boomgaard alsook weiland gelegen aan Breudijk 53-51 te Harmelen. Koper van al het goed is Willem Bosch. Willem overlijd in 1801 en uit zijn nalatenschap komt het land toe aan zijn broer Theodorus Gerardus Bosch. Theo overlijd in 1802. Na zijn overlijden komt het land naar alle waarschijnlijkheid toe aan zijn vrouw Cornelia van Bijleveld of zoon Paulus Wilhelmus Bosch. Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 staat in ieder geval te lezen dat het land in bezit is van Paulus.

Land en huizen in het Lauwerecht (gem. Utrecht)

Op zaterdag 26 mei 1764 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Zeeger Coenraad van Leenen een: zekere huysinge, erve, hoff, stallinge en koetshuys verkocht, gelegen aan de Weerdsgragte. Het tweede erbij verkochte object betrof een huyzinge en erve ook gelegen aan de Weerdsgragt in het gerecht van de Bemuurde Weerd, westzyde van de Kleyne Sluys. De verkopende partij was Johannes Nicolaas Oosterhuyze. Kopers waren Willem Bosch en zijn jongere broer Theodorus Gerardus Bosch.

Het hierboven omschreven objecten stonden als je het vandaag de dag bekijkt aan Bemuurde Weerd Westzijde, Kaatstraat, Oudenoord en Raamstraat, in het vroegere gerecht Lauwerecht. De Raamstraat behoorde ook bij het eigendom van de broers Bosch. In de boedelscheiding van Willem Bosch uit 1801 zien we dat huizen met erve, hof en stallingen niet erbij inbegrepen zitten. Bij de aankoop uit 1764 was Theo ook de eigenaar van het hele spul. Na het overlijden van Theo in 1802 zal het onroerend goed aan Bemuurde Weerd aan de rivier de Vecht over zijn gegaan naar zijn vrouw, weduwe Cornelia van Bijleveld. Na haar overlijden. Is dit vast- en onroerend goed overgaan naar haar kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch. Dat is ook terug te zien bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 dar Jan Willem Hendrik de eigenaar is. Waarna hierna aangenomen mag worden dat het onroerend goed nog een korte tijd in de familie Bosch van Oud-Amelisweerd is gebleven. Jan Willem Hendriks zoon is de stamvader van de nieuwe familietak Bosch van Oud-Amelisweerd.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U207a008 aktenummer 75 26-05-1764.

Op de eerste kaart in de viewer (hieronder) is nog een klein ander stukje land geel gearceerd. Meer vanaf het noorden gezien vanaf de stad ten westen van rivier de Vecht. Dit perceel is van een zekere Bernardus Bosch. Hij is zeker geen lid van de familie Bosch van Drakestein 

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd aan de Oudenoord en de Kaatstraat de Brood- en meelfabriek De Korenschoof opgericht en gebouwd. Wikipedia De Korenschoof (Utrecht) schrijft hier het volgende over:

De Korenschoof was een brood- en meelfabriek in de Nederlandse stad Utrecht.

De fabriek opende begin 19e eeuw langs de rivier de Vecht aan de Kaatstraat. Zij werd gevestigd op het terrein van Zijdebalen waarbij gebruik werd gemaakt van de oude textielindustrie die hier kort daarvoor gesloten was. In 1885 werd De Korenschoof tevens een brood- en banketbakkerij. In de stad Utrecht had ze meerdere bakkerswinkels, later Lubro-winkels. In 1938 sloot de broodfabriek, de meelfabriek hield het nog uit tot 1970. Rond 1978 is de fabriek gesloopt.

De brood en meel fabriek werd gebouwd op de gronden die eerder van de familie Bosch van Oud-Amelisweerd waren geweest.

Hofstede en landerijen in Ruwiel

In het jaar 1770 is te lezen in het archief van Huis Zuilen (Het Utrechts Archief) toegang 76, dossier 221 genaamd, Overzicht van de Zuilenstijnsgoederen Wilnis, Oudhuizen, Mijdrecht en Westveen. Dat Theodorus Gerardus Bosch de eigenaar is van de een boerderij met land in de vroegere ambachtsheerlijkheid Ruwiel, buurtschap de Oude Aa. Heden gelegen in de gemeente Stichtse Vecht. In 1803 staat beschreven dat Paulus Wilhelmus Bosch de eigenaar is. Hij is de zoon van Theo. Paulus zal kort erna de boerderij aan zijn moeder Cornelia van Bijleveld hebben gegeven. Zodat zij voor haar oude dag voorziening kon zorgen uit de opbrengsten van de pachten. Na haar overlijden in 1823 gaat de boerderij, heden gelegen aan de Bosdijk 8 te Kockengen over naar haar schoonzoon. Dat is te zien bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832. Schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich, hij is gehuwd met Cornelia Jacoba Bosch.        

Bron: HISGIS Utrecht, Ad van Ooststroom.

Hofstede en landerijen in Oostveen (Maartsendijk) en Blauwkapel (gem. Utrecht)

Op zaterdag 30 december 1775 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Adrianus Hoevnaar Sr. een huysinge, erve en grond met 4 caameren en 3 stallingen en een bergh verkocht. De naam van het object was de Zwarte Hengst of later Het Bonte Paard. De belendingen waren de wegh na de Maartensdyk en Blauwe Capelsesteeg. Mede behorend bij de verkoop op die dag waren een halve viertel groot 3 mergen wey- en hooyland aan de Gageldijk, de Kaay in de gerechten van Oostveen (Maartensdijk) en aan de Blauwcapel in de Twaald Hoeven.

De verkopende partij was Otto van Wulven. Van beroep Hospes (kamerverhuurder in zijn eigen huis) aan de Blauwkapel. De kopende partij was Theodorus Gerardus Bosch.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U229a010 aktenummer 175 30-12-1776.

Na het overlijden van Theo in 1802 verhuurt zijn echtgenote Cornelia van Bijleveld op vrijdag 24 november 1809 het onroerend goed als zijnde huisinge en herberge met stallinge, 2 schuuren en annexe woningen mitgaders 3 morgen weiland. Gelegen in de gerechten van Oostveen (Maartensdijk) en aan de Blauwkapel. Huurder van het hele goed is Hendrik van den Bergh.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U272C040 aktenummer 84 24-11-1809.

Na het overlijden van Cornelia van Bijleveld in 1823 komen de landerijen van Het Bonte Paard toe aan haar schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich hij is gehuwd met Cornelia haar dochter Cornelia Jacoba Bosch.

Omstreeks het jaar 1860 werd op het onroerend goed van familie Michiels van Kessenicht de Centraalspoorweg aangelegd. Een destijds nieuwe spoorlijn van Utrecht, via Amerfoort naar Zwolle en Kampen. Rond het jaar 1872 kwam daar nog de Oosterspoorweg bij. Een nieuw aan te leggen spoorweg van Utrecht Lunnten, Abstede/Oudwijk naar het Noord-Hollandse Hilversum.

In de jaren zestig van de twintigste eeuw werd op het vroegere stuk grond van familie Michiels van Kessenich de nieuwe straten van Utrecht Overvecht aangelegd. Hierbij te denken aan de Polluxdreef, Vulcanusdreef, Plutodreefm Palles-Athenedreef en de Wolgadreef.

De drie morgen land lag gelegen ten westen van het Nieuwe Hollandse Waterlinie Fort, Fort Blauwkapel en ten noorden van het Utrechtse Zwarte Water een vroeger gegraven kanaal.

Uiterwaarden bij rivier de Lek (gem. Wijk bij Duurstede)

Op zaterdag 13 juli 1776 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Jan Tielman Blekman een uytterweerde, groot 52 mergen en 78 roeden lands verkocht. De verkopende partij was Cornelis Gerardus de Wijkerslooth van Grevenmachern. Henricus de Wijkerslooth was de gemachtigde om de verkoop namens zijn broer uit te voeren. Koper van de 52 morgen uiterwaarden langs de rivier de Lek was Theodorus Gerardus Bosch.

De uiterwaarden waren leenroerig aan de Staten van Utrecht met uitzondering van 8 hond land, genaamd het Utrechtse Kind, dat in erfpacht was van het Gasthuis te Wijk bij Duurstede.

Na het overlijden van Theo in 1802, en zijn echtgenote in 1823 via haar zoon Paulus komt de uiterwaarden na april 1834 in het bezit van zijn zoon Jhr. Karel Bosch van Drakestein, Heer van Sterrenberg en Reijerscop -Kreuningen.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U227a009 aktenummer 131-1 13-07-1776.

Heden heet deze uiterwaarden bij Wijk bij Duurstede de Bosscherwaarden. Naar familie Bosch van Drakestein die het heel lang in bezit heeft gehad.

Landerijen in Utrecht Overvecht

In het HISGIS systeem van Ad van Ooststroom staat al te lezen dan Jan van Bijleveld in 1776 al een stuk land heeft. Gelegen tussen de Kwakeldijk en de St. Anthoniusdijk. Heden is hier het groot winkelcentrum Utrecht Overvecht op gebouwd samen met de flats en laag bouwwoningen aan de Theemsdreef, Neckardreef en Moldaudreef. Na het overlijden van Jan van Bijleveld in 1769, gaat het land over naar zijn dochter Cornelia van Bijleveld. Nar haar overlijden in 1823. Komt het land tussen de St. Anthoniusdijk en Kwakeldijk toe aan haar dochter Cornelia Jacoba Bosch en haar echtgenoot Hendrik Josepf Baron Michiels van Kessenich.

Hofstede en landerijen op de Emminkhuizerberg (gem. Renswoude)

Op woensdag 3 mei 1780 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris 't Hoofd een

hofstede met huisinge, bergen, schuur, schaaphok en verder getimmerte, met omtrent een hondert mergen, vijf hondert en vijftig roeden Bouw, Weij en Veenland, staande ende gelegend onder den gerechte van Emminkhuijsen, in de Hoge en Vrije Heerlijkheid van Renswoude, uitmakende het vijfde part van de goederen van den Emminkhuijser Berg 

getransporteerd. Koper was Theodorus Gerardus Bosch zijn comparant (zaakwaarnemer) was Adrianus Hoevenaar, de verkoper was Jan Jacob van der Muelen. Zijn comparant was Hendrik van Heteren. Getuigen van het transport van goederen, gelegen op de Emminkhuizerberg in Renswoude waren Jan van Doornik en Antonije Hermannus Hagen.

Op vrijdag 7 januari 1791 compareerde (zaakwaarnemend) notaris Herman Brouwer notaris van de heren van de Hove van Utrecht (rechtbank), residerende (plek van aanwezigheid) bij de Burgemeesteren en Vroedschap derselver Stad. Onder bedienend oog van de nagenoemde getuigen de heer Theodorus Gerardus Bosch, woonende buijten deezer stads Waardpoort en verklaarde den comparant in de beste en bestendigste vorm van rechteren bij deezen te constiueeren (bepalen) en matig te maken, De Heer Jan Smith notaris te Veenendaal speciaal omme te compareeren (op gedaagd) voor den Heer Leen Griffier van den Huijze van Renswoude. En aldaar in den naam van hem comparant verheffing te verzoeken van 't Leen, off van de Leen van de Hofstede om annexis met ruijm Een Honderd Mergen land geleegen onder den Gerechte van Renswoude, op de Emminkhuijzerberg off den gedeelte van dezelfde Hofstede, subject en Leenroerig zijnde aan den voorsz. Huijze van Renswoude ... enz. enz. enz. 

Versoekende hier van acte die is deeze Alouis Gedaan en Gepasseerd binnen binnen Utrecht ter presentie (aanwezigheid) van Johannes van Ingen en Henricus Meijberg als Getuigen, die de geprothocolleerde (in het openbaar) Aacte deeser neevens den Heer comparant en mij Notaris meede Onderteekend hebben. H. Brouwer Nots.

Bron: Het Utrechts Archief, archief Taets van Amerongen (bezitters van de Heerlijkheid Renswoude), 1855 1232.

Zoals in het kort beschreven Theodorus Gerardus Bosch koopt op woensdag 3 mei 1780 ten overstaan van de Utrechtse notaris 't Hoofd een hofstede met huijsinge en ruim 100 morgen land, gelegen op de Emminkhuizerberg van de vorige eigenaar Jan Jacob van der Muelen.  Een kleine 11 jaar later in 1791 wil Theodorus Gerardus Bosch zijn 100 morgen land met hofstede in leen reven aan het huis van Renswoude. 

De betekenis om de landerijen in leen te geven aan het huis Renswoude was een manier om de belastingen en opbrengsten van het vast- en onroerend goed van Theo Bosch over te brengen naar het huis van Renswoude. De landerijen, huizen en boerderijen bleven wel zijn bezit.

As Theo overlijd in 1802 zal het vast- en onroerend goed vast in handen van zijn vrouw Cornelia van Bijleveld of zoon Paulus Wilhelmus Bosch gekomen zijn. Met de start van het kadaster vanaf 1 oktober 1832 is Theo's kleizoon en neef van Paulus Jan Willem Hendrik Bosch van de ruim 100 morgen gronden in Renswoude eigenaar.

Op negentiende eeuwse kaarten wordt het gebied met hofstede en woningen wat van familie Bosch (Van Oud-Amelisweerd) op de Emminkhuizerberg is geweest. De Biezebosch genoemd. Iets wat in achttiende eeuwe notariële document door de stichting niet gevonden is.

Landerijen in Achttienhoven (gem. Utrecht)

Op maandag 26 november 1781 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Adrianus Hoevenaar Sr. een kamp wey-, hooy en bouwland, groot 10 mergen aan de Gageldijk verkocht. Belendingen achter: Karnmelksdyk, ene zyde : NN Van Duynkerken andere zyde Roelof van Nimwegen. De 10 morgen land waren  leenroerig aan het huis Pylsweerd. Gelegen in het Utrechtse gerecht Achttienhove. De verkopende partij was Goyert Peterse van Schaik, wonende te Westbroek. Zijn echtgenote was Jannigje Jacobse Spelt. De koper was Theodorus Gerardus Bosch. Na het overlijden van Theo in het jaar 1802 komt de 10 morgen land, gelegen in polder De Gagel toe aan zijn echtgenote Cornelia van Bijleveld. Na haar overlijden in het jaar 1823 is haar zoon Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein de nieuwe eigenaar van het stuk land.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U229a012 aktenummer 100 26-11-1781.

Hofstede en landerijen van De Klop in Overvecht (gem. Utrecht)

Op zaterdag 25 mei 1782 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Willem Gerard van Nes de boedelscheiding plaats van de ouders van Willem Hendrik van Bijleveld (1733-1799), Paulus van Bijleveld (1741-1795) en Cornelia van Bijleveld (1746-1823). Vader Johannes Cornelis van Bijleveld, (1702-1769), was brouwer en schepen te Vleuten, trouwde 1751 Ida Eycken. Zij overleed in 1780. Cornelia werd vertegenwoordigd door haar echtgenoot Theodorus Gerardus Bosch. In de achttiende- en negentiende eeuw was het gewoonlijk dat nalatenschappen naar een vrouwlijk lid van een familie werden beheerd door de echtgenoot. Uit de boedelscheiding kreeg Cornelia van haar ouders boerderij De Klop, heden gelegen aan de Klopdijk 2 te Utrecht Overvecht (Westbroek).

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U211a005 aktenummer 28 25-05-1782.

Na het overlijden van Cornelia in 1823 komt de boerderij toe aan haar zoon Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Na zijn overlijden in april 1834 komt De Klop toe aan zijn oudste zoon Willem Bosch van Drakestein. Waardoor de boerderij ook met het onroerend goed van Nieuw-Amelisweerd kwam te behoren. Willem verkoopt de boerderij in 1845 aan Carel Emanuel van Tuyll van Serooskerken.

Bij Het Utrechts Archief onder toegang 76 Huis Zuilen onder inventarisnummer 45 tot 45-20 zijn diverse retro akten te vinden over de periode 1703-1845 waarin De Klop van eigenaar wisselde.

Zoals de archiefbeschrijving luid: "Akte van verkoop door Willem Bosch van Drakestein aan Carel Emanuel van Tuyll van Serooskerken van een hofstede en herberg genaamd De Klop met ca. 15 bunder weiland, sectie C 236-241, 330-335, 342-344 te Westbroek, 1845. Met retroakten vanaf 1703."

Op dinsdag 31 januari 1804 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh 4 mergen weyland getransporteerd van eigenaar. Gelegen in  de ambachtsheerlijkheid Westbroek en Buytenweg achter de Klop. Verkoper was Hermanus Fransen Jansz, wonend te Zuilen Mariëndaal, echtgenote Eva Wigman. Koopsters was Cornelia van Bijleveld. Zij kocht de 4 morgen land aan om bij haar bezit van boerderij De Klop te trekken. De weilanden lagen enkele tientallen meters in noordwestelijke richting van De Klop af.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U272c030 aktenummer 13 31-01-1804.

In het jaar 1819 werd westelijk tegen het terrein van boerderij De Klop het Fort aan de Klop aangelegd. Onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Cornelia heeft zoals te zien is op de kadasterkaart in dat jaar een aantal stukjes land behorend bij de boerderij aan de Staat der Nederlanden moeten verkopen voor de aanleg van de fortificatie.

Fort aan de Klop is een verdedigingswerk aan de rivier de Vecht in Utrecht. Het fort werd aangelegd in 1819. De functie van het fort bestond onder andere uit de bescherming van de stad Utrecht. Het was tevens onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

De huidige kruising Klopdijk, Vechtdijk en Eerste Polderweg was vroeger een belangrijk kruispunt voor het verkeer dat met kleine schepen, via de Vecht en de Westbroekervaart (nu Klopvaart), de stad Utrecht moest kunnen bereiken.

Op deze plaats floreerde de toenmalige herberg "de Clophaemer", waar reizigers onderdak werd geboden. De naam van het fort en van veel organisaties in de omgeving in Utrecht Overvecht zijn hiervan afgeleid. Op dit gedeelte van de Vecht was destijds nog geen brug, zoals nu het geval is. Men moest daarom gebruikmaken van de veerdienst van de herberg om de rivier over te steken. De Fortlaan in het wijkdeel Zuilen dankt zijn naam aan het gebruik van deze veerdienst.

Bron: Wikipedia Fort aan de Klop

Landerijen in de polder Rozendaal (gem. Utrecht)

Op zaterdag 13 juli 1782 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris verkocht ontrent 4 mergen wey- en hooyland, bij het bruggetje van Dirk Jan Huygens. De belendingen zijn de Gageldijk, Bartholomeusgasthuis; erfgenamen van Arnoldus van Beyleveld. Allemaal gelegen in de gerechten Achttienhoven en in den Buytenwegh.

De 4 morgen wei- en hooiland waren eerder het eigendom Jacob van Dorssen, Zijn aangewezen erfgename Elizabeth Leudsen verkocht de boedel na het overlijden van Jacob van Dorssen. Mede verkopende partij was de Utrechtse notaris en procureur Luyt van der Pauw. ZIjn functie bij de boedelverkoop was executeur testamentair. Koper van de 4 morgen land was Theodorus Gerardus Bosch.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U276a002 aktenummer 4 13-07-1782.

Na het overlijden Theo in 1802, en zijn echtgenoten Cornelia van Bijleveld in 1823 komen de 4 morgen land toe aan zijn schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich, hij is gehuwd met Cornelia Jacoba Bosch.

In jaren vijftig van de twintigste eeuw werd op het vroegere stuk land van familie Bosch en Michiels van Kessenich de huidige Einsteindreef aangelegd. In de toen nieuw te bouwen woonwijk Utrecht Overvecht.

Landerijen en Bergambacht en Schoonhoven (Prov. Zuid-Holland)

Op 6 juli 1796 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Jan Kelffkens een openbare verkoping van een losrente-brief (schuldbekentenis) van f. 12,- gulden jaarlijks gevestigd op diverse percelen land in de ambachtsheerlijkheid Bergambacht. Voor dit transport waren de gemachtigde Willem van Nes, advocaat aan  het Hof van Utrecht en Paulus Willem Bosch van beroep secretaris van in de Raad van de Rechtspleging. Voor borg stond Otto Braat.

De losrente-brief was tot 1796 in het bezit va Paulus van Bijleveld, broer Willem Hendrik van Bijleveld en Cornelia van Bijleveld zij was echtgenote van Theodorus Gerardus Bosch. 

Willem Hendrik van Bijleveld en Theodorus Gerardus Bosch waren de verkopende partij van de losrente-brief van hun broer en zwager Paulus van Bijleveld. Hij was van beroep priester in de Rooms Katholieke kerk van Vleuten. De aankopende partij was Jan Blanke.

Op 1 oktober 1832 is er bij het kadaster in de gemeente Bergambacht bekend dat Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein nog drie percelen bouwland en één perceel wetering in eigdom heeft. Percelen Bergambacht C434, 435 en 436 en wetering perceel C2542. Later kwamen deze stuken grond binnen de gemeente Schoonhoven te liggen, per 1 mei 1939.

Paulus had vermoedelijk deze stukken grond aan de Opweg in Schoonhoven vererft gekregen via zijn oom, de broer van zijn moeder Cornelia van Bijleveld. In de Memories van Successie van Paulus die in 1834 is opgemaakt na zijn overlijden staat geschreven over deze stukken grond in Bergambacht. Na kort kadasteronderzoek is bekend dat na zijn overlijden deze percelen en het perceel wetering aan personen zijn verkocht die in die buurt woonde.

Hofstede en landerijen in Kamerik Mijzijde (gem. Woerden)

In het jaar 1797 koopt Willem Bosch een boerderij met bijbehorend land aan, gelegen in Kamerik Mijzijde. Totdat jaar was de boerderij met land het eigendom geweest van het Convent (klooster) van Oudwijk te Utrecht. Na het overlijden van Willem in 1801 vererft het goed op zijn broer Theodorus Gerardus Bosch die na een jaar in 1802 overlijd waarna het goed in het bezit komt van zijn zoon Paulus Wilhelmus Bosch. Heden zijn de landerijen en twee huizen in Kamerik Mijzijde te vinden op de Overstek 10 en 12.

Landgoed Bruxvoort in Bennekom (gem. Ede, prov. Gelderland)

Op dinsdag 27 januari 1798 om 16:00 uur in de middag van huize van kastelein B. Mikking te Bennekom (Gelderland) kocht Paulus Wilhelmus Bosch het Landgoed Bruxvoort te Bennekom aan. Hierbij behoorde ook landerijen van het landgoed die gelegen waren in Cothen aan de Ossenwaard. Bruxvoort betekend doorwaadbare plaats door het moeras. Paulus Wilhelmus Bosch was toen Heer van Bruxvoort. Al voor 1 oktober 1832 had Paulus het landgoed Bruxvoort al overgedaan naar zijn zoon Johannes Gerardus Bosch van Drakestein die toen Heer van Bruxvoort was.

Landerijen in Blauwkapel (gem. Utrecht)

Tussen donderdag 27 juli 1797 en woensdag 19 september 1798 werden de vroegere vast- en onroerende goederen verkocht van het vroegere Utrechtse klooster Mariëndaal. Dit klooster heeft ooit gestaan heden in de wijk Noordwest Utrecht Zuilen. Onder grond liggen nog de restante van dit Middeleeuws klooster, onder het Queeckhovenplein. Gelegen tussen de Burgemeester Norbruislaan in het zuidwesten, de J.M. de Muinck Keizerlaan in het zuidoosten en in het noorden gelegen rivier de Vecht. Bij de verkoop van de vroegere onroerende goederen van het klooster in de periode 1797-1798. Is niet helemaal duidelijk wie van de familie Bosch het stuk grond, gelegen de Gageldijk en Kwakeldijk heeft gekocht. Vermoedelijk zal dit Theodorus Gerardus Bosch dit zijn geweest. Dat na zijn overlijden de grond in het huidige Utrecht Overvecht is overgegaan naar zijn echtgenote Cornelia van Bijleveld. Dat na haar overlijden de grond na 1823 is vererft aan kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch. Zo staat dit ook te lezen bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832. Dat Jan Willem Hendrik Bosch is.

De verkoop werd eind achttiende eeuw geleid door de Staten van Utrecht. Die ruim 250 jaar eerder de gronden van diverse katholieke kerken confisqueerde na de Beeldenstorm en Reformatie van omstreeks 1580. 

In de loop van de twintigste eeuw verkocht familie Bosch van Oud-Amelisweerd het land tussen de Kwakeldijk en Gageldijk.

Mogelijk is ook als het land van Mariëndaal al in 1797 als één van de eerste landerijen verkocht zou worden, dat Paulus Wilhelmus Bosch rond zijn 26e jarige leeftijd een van zijn eerste grote onroerend goed aankopen deed. En dat neef Jan Willem Hendrik Bosch bij zijn 18e verjaardag in 1817 het vroegere land van Mariëndaal kreeg van ome Paul.

Wikipedia schrijft over het vroegere klooster Mariëndaal (Utrecht) het volgende:

Mariëndaal is een verdwenen vrouwenklooster in de Nederlandse stad Utrecht in de nabijheid van het huidige Queeckhovenplein.

Dit vrouwenklooster der cisterciënzers is gesticht in 1244 of eerder. Het werd destijds gevestigd noordelijk van de stad Utrecht, even buiten de stadsvrijheid in de Zwesereng, langs de westoever van de rivier de Vecht. De stichter ervan was Theodericus Kovelwaat (Dirk van Kovelwade), een kanunnik verbonden met Oud-Munster. Op het omgrachte abdijperceel heeft een kerkgebouw gestaan met aangrenzend een kloosterhof met een refter. Het kloostercomplex kende daarnaast nog andere gebouwen. Het klooster kreeg in zijn bestaan te maken met beschadiging door blikseminslag en oorlogsgeweld. In de 16e eeuw ontstonden door onder 
meer de Reformatie grote veranderingen. Afbraak van het klooster geschiedde in 1586 en aansluitend werd het goederenbeheer overgenomen door de ridderschap en rentmeesters. Aan het eind van de 18e eeuw is Mariëndaal definitief opgeheven. Van de gebouwen zijn niet veel meer dan ondergrondse restanten overgebleven. Een klein aantal opgegraven bouwfragmenten 
bevindt zich in de collectie van het Centraal Museum.

Vanaf de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw werd de wijk Utrecht Overvecht op de vroegere Bosch van Oud-Amelisweerd grond gebouwd.

De vroegere Bosch van Oud-Amelisweerd grond ligt heden gelegen globaal gezien in het Utrechtse Overvecht tussen de Brailledreef, Einsteindreef en Albert Zweitserdreef.

Huis in de Voorstraat (binnenstad, gem. Utrecht)

Op zondag 10 februari 1799 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Pieter Jongeneel Huijbertz het huis aan de Voorstraat 87 aankocht door Paulus Wilhelmus Bosch, van de wel edel gestrenge heer Joachim van Vliet. In de periode in eind 1811 tot begin 1812 verhuisde familie Bosch van Drakestein naar het Janskerkhof 17 en 17a. Paulus hield het huis aan de Voorstraat aan voor verhuur. Zoon Johannes Gerardus Bosch van Drakestein werd hier in juli 1811 geboren (BS Utrecht G 1811, aktenr. 4).

Bronnen: Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht, 34-4, U302C003, aktenummer: 11, blz. 25. Huizenaanhetjanskerkhof.nl.

Oliemolen De Fontein (gem. Utrecht) 

Op maandag 6 oktober 1800 werd ten overstaan van notaris Cornelis de Wijs te Utrecht wordt door donateur Theodorus Gerardus Bosch de helft geschonken aan de donataris zijn zoon Paulus Wilhelmus Bosch van de oliemolen genaamd Het Fortuin, staand bij de stadswallen bij de Catharijnepoort te Utrecht. De andere helft van de oliemolen koopt Paulus Wilhelmus Bosch aan van Johannes Gerardus Dadelbeek en Henricus van der Burgh die de executeur testamentairs zijn van zijn overleden oom Herbert Jan Bosch. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U256c038 119 en 120. 

Landerijen in Westveen (prov. Zuid-Holland)

Op vrijdag 19 juni 1801 kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein ten huizen van Cornelis Maaskant kastelein in het Gerechtshuis van Oudhuizen om 17:00 uur in de namiddag ten overstaan van de Mijdrechtse notaris Adrianus Verdam 5 percelen land tezamen 17 morgen, 286 roeden groots aan als zijnde wei en hooiland. Waarvan nog diverse percelen gelegen waren in de gemeente Westveen. Voor 1988 nog gelegen in de gemeente Wilnis na 1988 gelegen in de gemeente Nieuwkoop in de provincie Zuid-Holland.

Uiterwaarden aan de Biltse Grift in Wittevrouwen (gem. Utrecht)

'1802 februari 12 Register van transport van het gerecht van Wittevrouwen G. de Rooij transporteerd aan M. P.W. Bosch. Zekere twee morgen weyland genaamd "de Dell, doch zoo groot en klijn dezelve gelegen is onder dezen gerechte, daar westwaards de Steenstraat gaande naar de Blauwcapelse weg, noordwaards de Broekhuysen wetering of Bildse vaart (De Grift of Bildsche Grift), zuidwaarts het plantsoen der landerijen specteerende tot den Capittule van St. Jan en oostwaards de heer Jean de Pelleci naast gelegen zijn.'

'Deel 141 nr. 24. 1837 Augustus 26 (notaris G.H. Stevens). De erfgenamen van Jhr. P.W. Bosch van Drakestein verkoopen aan H. Bouman: "Een perceel weiland groot 1 bunder 57 roeden en 20 ellen genaamd 'den Dell', gelegen te Utrecht buiten de Wittevrouwenpoort nabij Koningslust, kadaster sectie A. nummers 32 en 33, belend ten oosten door eigendom van 's Rijks Veeartsenijschool, ten westen den Steenstraat gaande naar de  Blauwkapelsche weg, te zuiden s' Rijksdomeinen en ten noorden de Broekhuizer wetering of Bildsche vaart zoodanig en in dien staat dezelve landen strekken, belenden en bevinden, zonder daarvaan uit te zonderen. Bron: Het Utrechts Archief 4001 978.

Zoals je leest kocht Paulus Willem Bosch op vrijdag 12 februari 1802 een stuk land 'uiterwaarde' gelegen te zuiden van de Grift op de hoek met de Kapelbrug, gelegen in de Blauwkapelseweg. Tegenwoordig staat op dit stuk grond het huis Blauwkapelseweg 37 en 37Bis en zijn de huizen aan de Bollenhofsestraat hierop gebouwd. Het land behoorde al vele eeuwen bij het onroerend goed van het kapittel van St. Jan. Paulus Bosch was een vervend liefhebber van het opkopen van vast- en onroerende goederen die op de markt werden gebracht na het opheffen van het kapittel vanaf 1811 tot 1821. Hij woonde op nog geen twee kilometer afstand van het stuk land. Nazaten van Paulus verkopen de uiterwaarde weer door op 26 augustus 1837 aan een zekere H. Bouman.

Het land wordt in de transportakten genoemd als 'de Dell' wat in het oud Nederlands niets anders betekend dan 'grond, perceel of een deel van een stuk grond'.

De uiterwaarden langs de Grift in Buiten Wittevrouwen en later gemeente Abstede behoorden bij het onroerend goed van het kapittel van St. Jan maar was niet zowaar het eigendom. Het was onderdeel van de erfpacht canon die het kapittel er al vele eeuwen op na hield. Het kon dan wel het eigendom van een eigenaar zijn, maar hij betaalde wel de erfpacht aan het kapittel. Als de eigenaar dat niet meer deed verviel het eigendom weer terug aan het kapittel. En werd er een nieuwe eigenaar gezocht.

Het buiten Paddenburg te Baambrugge

Van 1777 tot 1805 was het huis Paddenburg te Baambrugge het eigendom van Jan Carel Rijcksz. Erven van Jan Carel verkopen het huis Paddenburg in 1805 aan Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Hij heeft het huis aan de Vecht ruim 11 jaar in zijn eigendom. In 1816 verkoopt Paulus het huis door Joan August Classen. Paulus gebruikt Paddenburg in de zomer maanden als buitenverblijf. Dit om het drukke stadsleven van Utrecht in de zomermaanden te ontvluchten.

Op 22 februari 1811 verhuurt Paulus nog een boerderij behorend bij het huis maar dan gelegen in Abcoude en Nigtevecht. Beschrijving van de huurcedule boerenhofstede bastaande in eene boerenwoning c.a. en ongeveer 32 morgen weiland.

Bronnen: Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht U272C042 N.W. Buddingh aktenummer: 104, 22-02-1811.

Ir D.L.H. Slebos, Meer Baambrugse buitenplaatsen, in: Jaarboekje 2003 van het Oudheidkundig Genootschap van Niftarlake, blz. 66 - 98.

Landgoed de Sterrenberg (gem. Soest)

Op zaterdag 8 juni 1805 kocht Paulus Wilhelmus Bosch op het Logement 'Groot Paushuizen' binnen Utrecht om 16:00 uur in de middag ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh het Landgoed Sterrenberg. Gelegen in Soest en Zeist. Paulus Wilhelmus Bosch was vanaf toen Heer van Sterrenberg.


Op het terrein van de Sterrenberg werd de Rooms Katholieke begraafplaats 'Carolus Borromeus' aan de Kerklaan te Soesterberg in 1838 aangelegd (Christiaan Huygenslaan 4, Soesterberg). Het stuk van Sterrenberg werd door de zoon van Paulus, Jhr. Carolus (Karel) Theodorus Johannes Bosch van Drakestein, Heer van Sterrenberg aangeboden in augustus 1837 aan de parochie Heilige Carolus Borromeus.



Familie Bosch had op de begraafplaats al een stuk grond gereserveerd, waar in de loop der jaren de overleden familieleden begraven zijn.

Sinds 2012 is er ook een ecoduct over de rijksweg A28 tussen Soesterberg en Den Dolder met de naam 'Sterrenberg'.



Eerste deel van de naam van de begraafplaats 'Carolus Borromeus' te Soesterberg verwijst naar Jhr. Carolus (Karel) Theodorus Johannes Bosch van Drakestein, Heer van Sterrenberg.


 

Kasteel Drakestein en ambachtsheerlijkheid De (Lage en Hoge) Vuursche (gem. Baarn)

Op woensdag 7 augustus 1805 om 10:00 uur in de ochtend in de Vuursche kocht Paulus Wilhelmus Bosch bij veiling  ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh de ambachtsheerlijkheid De Vuursche en kasteel Drakestein. Waarna Paulus zich vanaf die tijd Bosch van Drakestein ging noemen. Paulus Wilhelmus Bosch was toen Heer van De Vuursche en Drakestein.

 

Huis aan de Nieuwegracht nr. 5 (gem. Utrecht)

Op woensdag 5 maart 1806 kocht Cornelia van Bijleveld (1746-1823) het huis aan de Nieuwegracht nr. 5 in de negentiende eeuw de Runnebaan geheten. Cornelia haar man Theodorus Gerardus Bosch was enkele jaren eerder overleden. Zij wil de nieuwe start maken in een nieuw huis vlak bij haar familie. Cornelia zou aan de Nieuwegracht blijven wonen tot aan haar overlijden in 1823.

Bij de Utrechtse bevolkingstelling in het jaar 1823 net na haar overlijden van Cornelia is het pand in eigendom van haar oudste zoon Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Kort na haar testamentaire verdeling binnen de familie zou Pauls dochter Henriette Josephine Jacqueline Bosch van Drakestein (1801-1878) en echtgenoot Charles Antoine Baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky (1796-1880) waar ze mee trouwde in 1820 en kinderen er komen te wonen. Vele jaren later zouden zij het huis verlaten voor een andere woonbestemming.

Cornelia kocht het huis in 1806, gelegen naast de Hofpoort van eigenaar Jacobus Schroot en Anna Catharina Bettink. Jacobus was ver beroep Opziener over de gemene's landsmiddelen Resoort te Amersfoort.

Jacobus Schroot kocht het pand aan de Nieuwegracht nr. 5 eerder aan ten overstaan van de Utrechtse notaris Hendrik van Dam op woensdag 17 november 1802 van verkoper Hendrik Verploeg van Hellouw en zijn echtgenote Antonia Magdalena van Eys.

Bron: Het Utrechts Archief Notarissen in de stad Utrecht 34-4 U269c009, aktn. 193, 17-11-1802.

Land in Maarssenbroek (gem. Maarssen)

Op zaterdag 28 mei 1808 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh een stuk land verpacht aan Gerrit van der Linden. Voor de pacht staat Gerrit van Zijl borg. De verpachter is Cornelia van Bijleveld, sinds 1802 de weduwe van Theodorus Gerardus Bosch.

Het betreft: omtrent 10 morgen hooij- als weiland. Locatie: strekkende van den Maarssenbroekschen dijk tot de Ouwenaarskade. In het gerecht van Maarssenbroek.

Na uitgebreid onderzoek in de online archiefbanken en op Delpher.nl weten we helaas niet waar deze 10 morgen land in Maarssenbroek precies gelegen hebben. In de beschrijving van de akte staat dat het land uit de boedel van haar man Theo komt. Alleen is niet bekend waar de echte oorsprong van het eigendom vandaan komt. Vermoedelijk is de 10 morgen afkomstig uit de de boedel van een van de familieleden van Cornelia. Aannemelijk is ook dat de 10 morgen land naar haar overlijden in 1823 zijn verkocht. Want bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 zijn er geen familieleden Bosch van Drakestein, Michiels van Kessenich of Bijleveld bekend die een perceel bezaten in de polder van het Maarssenbroek. 

Het Utrechts Archief 34-4 U272c038 83 28-05-1808.

Ambachtsheerlijkheid Reijercop-Creuningen

Op zaterdag 6 augustus 1808 werd ten huize Sr. George Klank achter Den Dom te Utrecht publiekelijk geveild de Ambachtsheerlijkheid Reijerscop-Creuningen. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht ten overstaan van de Utrechtse notaris Hermanus Brouwer de ambachtsheerlijkheid aan. Vanaf toen was hij ook Heer van Reijerscop-Creuningen.

Reijerscop is een buurtschap en van oorsprong middeleeuwse ontginning, liggend in de Nederlandse gemeenten Woerden en Utrecht, in de provincie Utrecht. De boerderijen en andere gebouwen in deze buurtschap liggen aan een ruim 5 km lange weg met de naam Reijerscop, die even ten zuiden van de A12 ligt en daarmee ongeveer evenwijdig loopt. Ongeveer 3 km van deze weg ligt in Harmelen, gemeente Woerden, en het resterende oostelijke deel ervan ligt in De Meern, gemeente Utrecht.

De naam is een verbastering van Reigerskop. Het begrip kopin de naam slaat niet op de kop van een reiger, maar op het feit dat de Polder Reijerscop een zogenaamde cope-ontginning is.

De ontginning Reijerscop was verdeeld over meerdere gerechten. Er waren geen lineaire grenzen, de verschillende percelen behoorden wisselend tot een van de gerechten. Naast het gebied Reijerscop-Lichtenberg (dat een deel was van het gerecht Veldhuizen, Bijleveld, Rosweide en Reijerscop-Lichtenberg) waren er de gerechten Reijerscop-Creuningen, Reijerscop-Indijk en Reijerscop-Mierlo. Het laatste gerecht behoorde tot de proosdij van Sint Pieter te Utrecht en werd daarom ook wel aangeduid als Reijerscop-Sint Pieter. Het oostelijk deel van de ontginning kwam in 1812 bij de gemeente Veldhuizen en het westelijk gedeelte bij de gemeente Harmelen. De gemeente Veldhuizen werd in 1954 deel van de nieuw gevormde gemeente Vleuten-De Meern. In 2001 werd Vleuten-De Meern bij de gemeente Utrecht gevoegd, en de gemeente Harmelen bij Woerden.

Het wapen van de heerlijkheid was een (sprekende) reiger. 

Bron: Wikipedia Reijerscop.

Land en heidegrond op landgoed De Kleine Paltz (gem. Soest)

Op zaterdag 15 oktober 1808 werd ten huize van kastelein J. de Bruin in het Rechtshuis te Baarn verkocht het vast- en onroerend goed van de buitenplaats Schoonoord te Baarn. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht hier twee percelen bos en heidegrond (genaamd de 'Hooge Eng) gelegen in Baarn en Soestdijk (Soesterberg, Bosch en Duin en Den Dolder). Stukken grond behoorde bij het landgoed De Kleine Paltz. Die op hun beurt weer bij Schoonoord behoorde. Buitenplaats Schoonoord was tot 1808 het eigendom van heer Reinard Scheerenberg. Maar hij moest door een te hoge schuldenlast de buitenplaats verkopen. De aankoop van de twee percelen van De Kleine Paltz gebeurde ten overstaan van de notarissen de heer P. Berkman notaris te Amsterdam en de heer F. Pen notaris te Baarn. Paulus kocht rond die tijd ook nog een stuk grond op De Kleine Paltz van veehouder Pieter Rademaker die erin de omgeving een boerderij en ook grond bezat.

Hofsteden, landgoederen en landerijen in Utrecht Zuidoost, Houten en Bunnik

Op zaterdag 24 augustus 1811 kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein de landgoederen Nieuw- en Oud-Amelisweerd ten overstaan van notaris Van Ommeren te Utrecht. Waarna Paulus Wilhelmus  Bosch van Drakestein zich ook heer van Nieuw-Amelisweerd en Oud-Amelisweerd mocht noemen.

 

Huis aan het Janskerkhof 17 en 17A (1812-1840) (gem. Utrecht)

In 1812 werd het huis Janskerkhof 17 en 17a verkocht door de nazaten van erfgename van Willem Arnoud Leyssius (1769-1796), hij huwde in 1790 met Frederica Geertruida van Westrenen van Themaat (1773-1845). Willem kwam in 1796 om het leven na een duel in Oudwijk. De erfgename zijn daarna 15 jaar verwikkeld in diverse rechtszaken voordat zij het huis verkopen aan Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Hij zal vermoedelijk in het begin van 1812 het huis met zijn echtgenote Henriëtte Hofmann, kinderen en huispersoneel hebben betrokken.

In oktober 1811 logeerde Prins van Neufchatel (Louis Alexandre Berthier) hier. Louis maakte onderdeel uit van het gevolg van het bezoek van keizer Napoleon die in die dagen Utrecht bezocht. Al het koninklijke personeel werd ondergebracht in diverse huizen in de stad. 

Tussen ?1796 en 1812 woonde Petrus Leonardus van Heilmann van Stoutenburg hier.

Hij huurde het huis ruim 15 lang van familie Leyssius - Van Westrenen.

Bron: Huizenaanhetjanskerkhof.nl Janskerkhof 17 en 17a.

Landerijen in Zuilen (gem. Utrecht)

Op dinsdag 3 april 1804 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Jacob Christiaan de Graaf een stuk bouwgrond van 6 morgen en 450 roeden verkocht. Het bouwland lag gelegen tussen de 1e Daalsedijk en de Amsterdamsestraatweg te Utrecht Zuilen op het grondgebied van de Zweesereng. Ten zuiden van rivier de Vecht en ten zuidoosten van het Utrechtse gehucht Vijfhuizen De verkopende partij was Arend Roelofs. De koper van het stuk grond was Huibert Nicolaas van Schalkwijk a Velden.

Huibert Nicolaas van Schalkwijk a Velden werd in het doopregister ingeschreven op 9 januari 1763. Hij huwd met Maria Breur zij is geboren op 5 februari 1742 en sterft op 31 december 1796. Huibert sterft op 12 juni 1812, op 77 jarige leeftijd. Hij was ruim 16,5 weduwnaar. Vermoedelijk in het najaar van 1812 als de boedelverkoop van Huibert plaats vind koopt Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein het ca. 6 morgen groot stuk land aan de 1e Daalsedijk aan. Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 is te zien dat het twee percelen betrof en de rechter helft van de 1e Daalsedijk. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U286a012 87 03-04-1804.

In de jaren twintig van de twintigste eeuw als de stad Utrecht verder richting het noordwesten gaat bouwen en de wijk Zuilen zijn huidige vorm krijgt. Koopt het Grondbedrijf van de gemeente Utrecht het stuk grond aan van familie Bosch van Oud-Amelisweerd. Zij bezaten meer gronden in Zuilen, het Lauwerecht en Achttienhoven.

Hofstede en landerijen Schoneveld (gem. Houten en Schonauwen)

In een groot deel van de 18e eeuw behoord boerderij Schoneveld bij de onroerende goederen van kasteel Schonauwen. De onroerende goederen zijn eigendom van Gerlach Theodorus Baron van der Capellen, heer van Houten en 't Goy, Schonauwen en Mijdrecht. De baron overlijd in 1805 en laat alles na aan zijn weduwe Frederika Johanna van Hangest d’Yvoy. Zij overlijd in 1812. Doordat het echtpaar geen kinderen heeft en bovendien nog een grote schuld heeft openstaan bij een zekere jonkheer Nepveu van 18.000 gulden zien de nazaten van Frederika familie Van Hangest d'Yvoy zich genoodzaakt alles te laten veilen om de nog opstaande schuld te vereffenen. De veiling geschied op woensdag 26 oktober 1812 voor notaris Gerardus Hendrikus Stevens te Utrecht. Achter de St. Pieter, Wijk F, n. 363 (heden Achter de Sint Pieter).




Bij de veiling werd boerderij Schoneveld gekocht door Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein die deze gelijk aan zijn moeder Cornelia van Bijleveld schenkt. Om van de opbrengsten van de pacht in haar oude dag te voorzien. Na haar overlijden in 1823 erft haar kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch (Van Drakestein) de boerderij, hij is de neef van Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Via verschillende verervingen door de familie Bosch werd Schoneveld uiteindelijk verkocht bij een veiling in 1931 aan de toenmalige pachter P.J. van Wijk. Nazaten van deze P.J. van Wijk wonen tot op de dag van vandaag nog op de boerderij.

Rond 1900 is de boerderij ook een periode in eigendom geweest van Jhr. Paulus Jan Bosch van Drakestein. De vroegere Commissaris van de Koning(in) van Noord-Brabant.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht U324c004 1812 Aktenummer: 1696.

Hofstede en landerijen in Oudhuizen

Op vrijdag 29 juli 1814 kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein aan ten huize van kastelein De Kruyf te Breukelen om 17:00 uur in de middag ten overstaan van de Utrechtse notaris Pieter Jongeneel een hofstede met 15 morgen en 326 roeden land, HUIS, berg en schuur met daarbij nog 6 morgen 400 roeden land allemaal gelegen in het buurtschap Oudhuizen in de gemeente Wilnis. Heden gelegen het huis met land aan de Geerkade 45 te Oudhuizen Wilnis. Dertien jaar eerder kocht Paulus al land ten westen van de Geerkade ook in Oudhuizen en Westveen (gemeente Nieuwekoop) gelegen in het jaar 1801.

Hofstede en landerijen in de Voorveldse Polder (gem. Utrecht)

Op zaterdag 13 augustus 1814 werd in de middag op 16:00 uur op het Kantoor der Publieke Verkoopingen, achter St. Pieter, Wijk F., No. 363 binnen de stad van Utrecht, publiek geveild en verkocht. Onder het toeziend oog van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh.

No. 1. Een BUITENWONING, met agterhuis, Schuuren en Berg genaamd Voorveld, met een Tuin vóór het HUIS een, dito er, agter, en een Erf of Tuin ter zijde gelegen, staande en gelegen in de Blaauw Cappelsche Steeg, onder den Geregte van Oostveen.

No. 2. Acht en een half Morgen WEILAND, Verongeldende voor 8 Morgen en 430 Roeden, onder Oostveen (Maartsendijk) voornoemd, aan den Kerkdijk (Ezelsdijk/Kardinaal de Jongweg) - Welke beide Percelen, eerst ieder afzonderlijk, en daarna te samen bij elkander zullen geveild en verkogt worden. Verkoper van het achterhuis Voorveld was Adrianus van Niekerken. Koper van de 8 en halve morgen weiland is Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein.

Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 wordt als eigenaar Jan Willem Hendrik Bosch genoemd va de 8 en halve morgen grond in Blauwkapel te Maartensdijk. Bij dit stuk grond in Maartensdijk zijn er twee optie mogelijk die waarop de grond toe kwam aan Paulus zijn neef Jan Willem Hendrik Bosch. Na de aankoop kon de 8 en halve morgen grote grond zijn overgaan naar Paulus zijn moeder Cornelia van Bijleveld. Die dan tussen 1814 en 1823 het jaar tot aan haar overlijden de eigenaresse ervan was. Zij voorzag zich dan in de pachtopbrengsten in haar oude dag. Na haar overlijden zou dan de grond zijn overgegaan op kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch. Of dat Jan Willem Hendrik Bosch op zijn 18de verjaardag op dinsdag 22 juli 1817, van ome Paul het stuk grond in Maartensdijk kreeg. Later zal de grond na het overlijden van Jan Willem Hendrik Bosch toe bekomen zijn aan zoon Wilhelmus Johannes Marie Bosch van Oud-Amelisweerd. Hij is de stamvader van de Bosch van Oud-Amelisweerd tak.

Het land lag in het noorden tegen de Blaauwkapelsche weg aan, waarvan de zuidelijke kant van de weg deze naam had. En de noordelijke kant van de weg de naam Voordorpsche dijk droeg. Het achterhuis genaamd Voorveld wat bij de grond behoorde stond heden op de plek van een huis wat nu geadresseerd is op het adres van de Voordorpsedijk 1 te Utrecht. Gelegen ten oosten van het Nieuwe Hollandse Waterlinie Fort Blauwkapel, deze werd gebouwd in de periode 1818 tot 1821. Ten zuiden van het 8 en halve morgen grote stuk land van wat ooit van familie Bosch was sloot deze aan op de Ezelsdijk. Deze Ezelsdijk wordt in diverse begin negentiende eeuwse beschrijving nog genoemd als de Kerkdijk. De naam van de Ezelsdijk raakte later in die eeuw in zwang als benaming. Midden twintigste eeuw zou op het tracé van de Ezelsdijk de huidige Kardinaal de Jongweg worden aangelegd.

Ook in het midden van de negentiende eeuw werden er nog diverse andere stukjes grond van het eigendom van familie Bosch afgesnoept. Met de aanleg van twee nieuwe spoorlijnen. De eerste die rond 1860 werd aangelegd de Centraalspoorweg, die werd aangelegd tussen Utrecht en de stad Zwolle. En de Oosterspoorbaan van Utrecht Lunetten naar Hilversum die omstreeks 1872 werd aangelegd. De spoorlijn kruizen vandaag de dag elkaar nog ten oosten van het Fort Blauwkapel.

Met de aanleg van de Kardinaal de Jongweg midden twintigste eeuw werd de wijk Tuindorp ten noorden van deze weg gebouwd. Vooral in de jaren zestig werd er volop gebouwd. De grond waarop de huizen en flats in het Utrechtse Tuindorp werden gebouwd waren voor 1 januari 1954 van de gemeente Maartensdijk. In de periode 1948-1954 werd er grote voorbereiding getroffen om diverse Utrechtse gemeenten op te heffen of te annexeren met de stad. Zo moest de Nieuwegeinse plaats Jutphaas een groot noordelijk deel afstaan aan de stad. Werd de gemeente Zuilen opgeheven en gevoed bij de stad. Gemeente Houten moest zijn noordelijk deel van het Maarschalkerweerd/Oud-Wulven afstaan.

Hofstede en landerijen in Houten en Odijk (gem. Houten en Bunnik)

Boerderij De Grote Geer ooit gelegen aan de Binnenweg kwam in 1985 te liggen aan de Snoeksloot 62-64 nadat om de boerderij in die periode de wijk De Sloten werd gebouwd. Anno 2020 is de boerderij gelegen aan de Snoeksloot 54, 56 en 58. 

Tot 1798 was de boerderij eigendom van Jan van Vianen. In dat jaar overlijd hij en laat een vrouw en dochtertje achter. Zijn vrouw Engeltje Smit krijgt enkele jaren later een relatie met Jan Nagel. Hij trouwt met haar waardoor hij De Grote Geer in eigendom verkrijgt. In de verpondingslijst uit 1806 (belasting) staat geschreven dat Jan Nagel in dat jaar een compagnon heeft een zekere J. de Munnik. De heer Nagel en De Munnik verkopen boerderij De Grote Geer op zaterdag 26 augustus 1815 ten overstaan van notaris Theodorus Koppen te Utrecht. Koper is Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Hij geeft De Grote Geer met het bijbehorende land gelijk door aan zijn moeder Cornelia van Bijleveld. Om uit de pachtopbrengsten in haar oude dag te voorzien.

Bij de koop in 1815 behoorden ook diverse boerderijen en landerijen in Oostveen. In het tegenwoordig dorp Maartensdijk. Cornelia krijgt daar ook divers onroerend- en vastgoed van haar zoon Paulus geschonken. Waarna zij tot aan haar dood in 1823 de eigenaresse blijft van De Grote Geer en de objecten in Oostveen. 

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht U270a035 1814-1815 Blz. 383 Aktenummer: 790.

Landerijen in Weltevreden (gem. Utrecht)

Op vrijdag 28 oktober 1808 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Henricus van Dusseldorp Jr. de boedel verdeeld van de overleden weduwnaar Jacobus Verhoef. Hij overleed op maandag 19 november 1804. Zijn echtgenote overleed een jaar eerder, Antonia Vos was haar naam. Zij werd begraven op maandag 21 november 1803. Het echtpaar had vijf kinderen. Dochter Adriana Wilhelmina Verhoeff erft van haar overleden vader ruim 4 morgen weiland op de Hoge- en Lage Weide in de Utrechtse gemeente Catharijne. 

Heden ligt op dit stuk grond de Bilitonkade in de Utrechtse wijk Lombok, de Keulsekade met het Merwedekanaal en de Merwedesluizen. Het Merwedekanaal is hier omstreeks 1890 aangelegd voor de verbinding van de Nederlandse hoofdstad Amsterdam, via de Nieuwegeinse plaats Vreeswijk en de rivier de Lek, naar de Zuid-Hollandse stad Gorinchem, gelegen aan Boven Merwede rivier.

Adriana Wilhelmina Verhoeff huwde op woensdag 29 april 1812 te Utrecht stad met Simon Roghair, een 27 jaar jonge man uit de Bunnik (Prov. Utrecht). Hij is de zoon Joannes Roghair en Anna Maria Frank. Simon werd geboren op 1 januari 1786 en overleed op woensdag 1 mei 1839 te Nieuwer-Amstel (Amsterdam, Prov. Noord-Holland). Hij werd 53 jaar oud. Van beroep was hij apotheker. Joannes Roghair was predikant Nederlands Hervormd predikant in het dorp Bunnik.

Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 zijn de 4 morgen weiland, gelegen op de Hoge- en Lage Weide van het Utrechtse Catharijne het eigendom van onze Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Het is niet helemaal duidelijk wanneer Paulus deze 4 morgen grond heeft aangekocht. Maar een aanwijzing vinden wij hiervan in het Opregte Haarlemsche Courant van donderdag 25 januari 1816. In een aangekondigde veiling van grond wordt er melding gemaakt negen morgen bouw- en weiland, gelegen in de gemeente Bunnik en het dorp Vechten. En No. 4. Vier Morgen allerbeste WEILAND, gelegen nabij de Stad Utrecht, onder de Hooge- en Lageweide. Tezamen met nog drie andere percelen landerijen onder andere nog gelegen in de gemeenten Westbroek en Oostveen (Maartensdijk). Op zaterdag 3 februari 1816 werd in de middag op 14:00 uur op het Kantoor der Publieke Verkoopingen, achter St. Pieter, Wijk F., No. 363 binnen de stad van Utrecht. Een publieke veiling gehouden door de twee Utrechtse notarissen Mattheus Jacobus van Buuren en Pieter Adriaan van Schermbeek.

Het is deze veiling die de stichting vond op de online krantenbank Delpher.nl van de Koninklijk Bibliotheek te Den Haag waar een aantal aspecten in worden genoemd die met redelijk zekerheid zijn te koppelen aan het echtpaar Andriana Wilhelmina Verhoef en Simon Roghair. Zoals hierboven beschreven bezat Adriana de 4 morgen weiland in Catharijne. Simon was afkomstig uit Bunnik. In het artikel worden ook nog landerijen uit de gemeente Bunnik verkocht. Bij het zoeken in de krantenbank waren er verder geen andere vermelding van verkoop van landerijen in Hoge- en Lage Weide te Utrecht omstreeks 1812-1816. Het zou kunnen dat het echtpaar Verhoeff-Roghair een onroerend goed bezitting verkochten in het voorjaar van 1816 om daarna naar het Amsterdamse Nieuwer-Amstel te vertrekken. Waar zij allebei eind jaren dertig van de negentiende eeuw zijn overleden. 

Later werd de grond heden gelegen onder de Bilitonkade, Keulsekade en de Merwedesluizen het eigendom van familie Bosch van Oud-Amelisweerd.

Bron: Delpher.nl,  Het Utrechts Archief 34-4 U282a007 35 28-10-1808.

Hofstede en landerijen in Kockengen, Spengen  (gem. Stichtse Vecht)

Op dinsdag 11 maart 1817 kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein aan ten huize van Jan de Kruiff, kastelein te Breukelen om 12:00 uur in de middag ten overstaan van de Utrechtse notaris Theodorus Koppen 26 en een halve morgen hooi en weilanden gelegen in het buurtschap Spengen gemeente Kockengen. Heden ligt deze boerderij met de vroegere landerijen van Paulus in Spengen Kockengen aan de Spengen 32.

Percelen in Vianen (gem. Vijfherenlanden)

Op woensdag 17 juni 1818 werden er ten overstaan van Willem Pernis, rentmeester van de Domeinen te Vianen diverse landbouwgronden en grienden verkocht die tot 21 februari 1811 van het vroegere kapittel van St. Marie zijn geweest. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht een perceel weiland en een perceel hakhout/griend/loofbos te Vianen, Autena, Bolgerij.

Percelen bos in (gem. De Bilt)

Op zaterdag 31 oktober 1818 kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein aan het Bureau der Publieke Verkopingen achter de St. Pieter wijk F. No. 363 om 16:00 uur in de middag aan de Buitenplaats Ridderoord en Riddersdorp aan. Gelegen in gemeente De Bilt. Hij kocht het landgoed aan van de weduwe Maria Gildemeester. Zij was laatste bewoonster van de buitenplaats. Hij zal dit gedaan hebben om zijn eigendom De Vuursche en Kasteel Drakestein gelegen ten noorden van Ridderoord verder naar het zuiden toe uit-te-breiden. Paulus was toen Heer van Ridderoord. Bij Ridderoord en Riddersdorp in De Bilt horen vandaag de dag nog de Ridderoordse Bossen met een oppervlakte van 230 hectaren.

Landgoed te Ede (prov. Gelderland)

Op woensdag 1 december 1819 werd door het domeinenkantoor van de Nederlandse Staat te Arnhem afdeling Gelderland de vroegere vast- en onroerende goederen van het kapittel van St. Jan te Utrecht verkocht per afslag. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht het landgoed de Hennekamp of Hindekamp gelegen op de Ginkelse Heide in de gemeente Ede. Landgoed behoorde tot 21 februari 1811 bij het kapittel van St. Jan te Utrecht.  De boerderij staat tegenwoordig geadresseerd aan de Kreelseweg 98 te Ede. Paulus was toen Heer van de Hennekamp of Hindekamp.

Hofstede en landerijen in Ede, Bennekom, Wageningen en Ederveen

Op woensdag 1 december 1819 werd door het domeinenkantoor van de Nederlandse Staat te Arnhem afdeling Gelderland de vroegere vast- en onroerende goederen van het kapittel van St. Jan te Utrecht verkocht per afslag. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht het landgoed met de bijbehorende landerijen van De Proosdij aan. De Proosdij had diverse landerijen en percelen in de omgevingen van de gemeente Ede liggen, ook gelegen in Wageningen en bij het dorp Ederveen. De Proosdij behoorde bij de vast- en onroerende goederen van het kapittel van St. Jan te Utrecht tot 21 februari 1811. Nadien werd deze opgeheven en kwamen het vastgoed en de onroerende goederen toe aan de Staat der Nederlanden. Het boerderijencomplex bestaat tegenwoordig nog in de gemeente Ede. En is gelegen aan de Proosdijweg 37 t/m 41. In het complex is een kinderenboerderij gevestigd van zorginstelling 's Heerenloo. Wat betreft de andere landerijen is heden (bijna) de hele gemeente Ede op de vroegere gronden van familie Bosch van Drakestein gebouwd (zie kaart).

Percelen in Wijk bij Duurstede

Op woensdag 15 december 1819 werd in Amerongen ten huize van Otto de Ridder, kastelein in de Roden Leeuw. Bij aanbod en daarna bij afslag publiekelijk aan de hoogste bieder verkocht en geveild. De vroegere vast- en onroerende goederen van het Utrechtse kapittel Ten Dom. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht toen de diverse percelen land, gelegen in de gemeente Wijk bij Duurstede in de polder Noordhuizen, ten oosten gelegen de landerijen van De Hoge- en de Lage Maat. Ten zuiden gelegen de het polderweggetje de Broekweg. Ten westen en noorden gelegen de weg en het gehucht Dwarsdijk. De percelen droegen in de achttiende eeuw de naam De Veilingkamp.

Tussen 1938 en 1953 werd ten noorden en oosten van De Veilingkamp het Amsterdam- Rijnkanaal aangelegd. Dit Nederlandse kanaal loopt van de hoofdstad Amsterdam, ten oosten van Utrecht stad via Houten en Wijk bij Duurstede naar de Waal bij Tiel. Zo kunnen binnenvaartschepen makkelijker van de Amsterdamse havens met goederen naar het achterland en zo naar het Duitse Roergebied varen. En visa versa. Het kanaal werd in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw ontworpen door de Utrechtse ingenieur van de Provinciale Waterstaat Utrecht, Anton Mussert. Hij die in de Tweede Wereldoorlog de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) leiden.

Anno 2020 is op het vroegere land De Veilingkamp een rozenbottelkwekerij gevestigd met de naam Rozenbotteltuin De Put, gelegen aan de Broekweg 10 te Wijk bij Duurstede. Enige jaren geleden zijn de kwekers nog in het televisie programma Binnenste- Buiten van de KRO-NCRV geweest. 

Website: Rozenbotteltuin De Put

Hofstede en landerijen in Cothen (gem. Wijk bij Duurstede)

Op woensdag 15 december 1819 werd in Utrecht door het domeinenkantoor van de Nederlandse Staat te Amerongen de vroegere vast- en onroerende goederen van het kapittel Ten Dom verkocht bij afslag. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht toen de gronden en de bijhorende  boerderij De Hoop aan, gelegen in Cothen aan de Ossenwaard. 

Na zijn overlijden in april 1834 werden de gronden en boerderij verdeeld onder zijn twee zonen Jhr. Willem Bosch van Drakestein van Nieuw-Amelisweerd en Jhr. Johannes Gerardus Bosch van Drakestein, Heer van Bruxvoort. Delen van De Hoop werden toen gevoegd bij het onroerend goed van Landgoed Nieuw-Amelisweerd in Bunnik en het Landgoed Bruxvoort in Bennekom in Gelderland.



Op dinsdag 14 oktober 1919 werd voor notaris H.J. van Heijst te Wijk bij Duurstede door de weduwe van Jhr. Carolus (Karel) Petrus Johannes Bosch van Drakestein (1874-1908), mevrouw Florentine Caroline Johanna de Sonnaville en haar dochter Sophronia Paulina Bosch van Drakestein (1882-1931) diverse landerijen uit De Ossenwaard bij Cothen verkocht. Die zij van vader Karel hadden geërfd. Karel op zijn beurt had de gronden van zijn vader Jhr. Johannes Gerardus Bosch van Drakestein, Heer van Bruxvoort geërfd.

Bron: Regionaal Archief Zuid-Utrecht (RAZU), 288 241.

Hofstede en landerijen in Houten/Oud-Wulven

Op woensdag 15 december 1819 werd in Utrecht door het domeinenkantoor van de Nederlandse Staat te Amerongen de vroegere vast- en onroerende goederen van het kapittel Ten Dom verkocht bij afslag. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht toen de gronden van de vroegere ambachtsheerlijkheid 'de Grote en de Kleine Koppel en Maarschalkerweerd' aan te gemeente Oud-Wulven (Houten), na 1954 het huidige Utrecht Lunetten. 

Boerderij De Koppel ooit gelegen aan het einde van de Koppeldijk en aan het begin van het Rijndijkje. Was gelegen tegen de grens van het Utrechtse Tolsteeg aan. Boerderij De Koppel was eeuwenlang het eigendom van het Utrechtse kapittel ten DOM. Op woensdag 15 december 1819 kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein op een veiling te Utrecht de boerderij aan van de Nederlandse Domeinen van het Rijksdomeinen kantoor te Amerongen.

Na het overlijden van Paulus in 1834 erft zijn zoon Willem Bosch van Drakestein boerderij De Koppel. Zijn nazaat Paulus Titus Marie Jozef Bosch van Drakestein verkoopt de boerderij in 1896 aan veehouder Michiel van Zijl.

Per 1 januari 1954 komt de boerderij op Utrechts grondgebied te liggen na de grote grondannexatie van die tijd. Het Houtense Maarschalkerweerd werd ook bij de gemeente Utrecht gevoegd.

Een nazaat van Michiel van Zijl verkoopt de boerderij in 1964 aan de gemeente Utrecht voor de toenmalige stadsuitbreiding van Utrecht Lunetten. Kort daarna is de boerderij gesloopt.

Hofstede en landerijen in Bunnik en Vechten

Op woensdag 15 december 1819 werd in Utrecht door het domeinenkantoor van de Nederlandse Staat te Amerongen de vroegere vast- en onroerende goederen van het kapittel van St. Jan verkocht. Waaronder boerderij De Klomp met het bijbehorende Fectio Vechten terrein gelegen aan de Marsdijk en Oude Mereveldseweg in de gemeente Bunnik. Paulus hield wel van oudheden aangezien hij Romeinsrecht gestudeerd had. Bij de koop betrof het hier om delen van grond en de afkoop van de erfpachtcanon die het kapittel vele eeuwen had op dit stuk bij Vechten.

Op zaterdag 11 november 1826 om 17:00 uur in de namiddag Achter de St. Pieter te Utrecht ten overstaan van notaris Pabst kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein boerderij De Klomp (Oude Mereveldseweg 2-4) fysiek aan met het bijbehorende onroerend goed van nazaten van de laatste bewoner Willem van 't Schip.

Percelen in Utrecht Tolsteeg (gem. Utrecht)

Op maandag 12 juni 1820 werd in Utrecht door het domeinenkantoor van de Nederlandse Staat te Amerongen de vroegere vast- en onroerende goederen van het kapittel van St. Marie verkocht bij afslag. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht toen twee percelen land aan in het huidige Utrecht Lunetten aan. Kapittels in Nederland werden bij Keizerlijk secreet door Napoleon opgeheven per 21 februari 1811. Ruim 9 tot 12 jaar later zouden werden de onroerende goederen en vastgoed van de kapittels door rentmeesters der Domeinen van de Nederlandse Staat worden verkocht. De verkoop van de landerijen werd goedgekeurd bij koninklijke besluit genomen door koning Willem I.

Toen Paul de twee percelen in het huidige Utrecht Lunetten kocht werden er vanaf 1819 al voorbereidingen getroffen voor de aanleg van De Vier Lunetten op de Houtense Vlakte. De 4 Nieuwe Hollandse Waterlinie Forten die werd gebouwd in de periode van 1819 tot 1823. Gelegen tussen de Kromme-Rijn en Koningsweg (Lunet I), Koningsweg en Rijndijk (Lunet II), spoorlijnen Utrecht - Arnhem (Rhijnspoorweg) en de Staatslijn H Utrecht - 's-Hertogenbosch en Houtensepad (Lunet III) en het vierde fort gelegen tussen het Houtensepad en de Ravensedijk (Lunet IV). Een bijna de helft van Paul's perceel werd in gebruik genomen voor de bouw van deze Waterlinie forten.

Na het overlijden van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein, in april 1834 kwam het vroegere St. Marie land toe aan zijn dochter en schoonzoon. Jkvr. Henriette Josephine Jacqueline Bosch van Drakestein, zij was gehuwd met Charles Antoine de Baron Bieberstein Roalla Zawadsky. 

Over het terrein van Charles en Henriette liep al vanaf de bekendst vroegste bron uit de 15e eeuw het Houtensepad. In 1632 werd dit zandpad, ook echt van jaarlijks vers zand voorzien. Het pad was in de eerste helft van de zeventiende eeuw tot 1795 in het beheer van de Staten van Utrecht. Vanaf 1813 bij het het ontstaan van het huidige koninkrijk der Nederlanden. Was het zandpad in het beheer van de Provincie Utrecht en van 1850 in het beheer van de Provinciale Waterstaat van Utrecht tot omstreeks het jaar 1969. Toen ging het zandpad wat sinds de twee helft van de negentiende eeuw een verharde weg was geworden. Beheer van de weg werd overgenomen door de  gemeente Utrecht.

De Koningsweg  iets ten noorden gelegen van het Houtensepad was wel het eigendom van Paulus Bosch van Drakstein, zijn zoon Willem Bosch van Drakestein en diens zoon Hendrik Bosch van Drakestein. Beide laatst genoemde heren bezaten vanaf 1834 tot 1914 het Landgoed Nieuw-Amelisweerd. De Koningsweg behoorde oorspronkelijk toe aan het onroerend goed van het landgoed. Hendrik verkocht de gele Koninsweg in de loop van de negentiende eeuw aan de Provinciale Waterstaat van Utrecht. Die het vanaf toen in beheer en eigendom had.

Charles de Bieberstein moest ruim 6 jaar later in 1840 een deel van de St. Marie grond verkopen aan de  Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij die er de spoorlijn Amsterdam, Utrecht, Arnhem, Duitse grens erop aangelegde. De spoorlijn werd in de periode van 1843 tot 1845 aangelegd.

Ruim 22 jaar omstreeks 1860 later zou de de Bieberstein grond verder worden aangekocht voor de aanleg van Staatslijn H van Utrecht naar 's-Hertogenbosch - Boxtel worden. Deze werd in de periode van 1865 tot 1869 aangelegd. De Oosterspoorbaan van Utrecht Lunetten naar Hilversum werden in 1872 en 1873 aangelegd. Vele jaren kende bij de kruising van de drie spoorwegen een eerder negentiende eeuw overstap station Lunetten. En Houten gebouwtje waar men allen van de ene naar de andere trein kon overstappen en naar een andere spoorwegmaatschappij. Je kon van het station verder niet andere richting buiten het spoorterrein begaan. Eind jaren dertig van de twintigste eeuw werd er achter de Vier Lunetten langs een nieuwe rijskweg aangelegd. De rijksweg 22, deze is de al oude voorloper van de rijksweg A27. De rijksweg 22, kreeg in 1992 de naam Waterlinieweg nadat de weg door in het beheer kwam van de gemeente Utrecht. Wat eerder van het rijks was geweest.

Midden twintigste eeuw zou het Houtensepad ook zo druk worden met lokaal en regionaal verkeer dat de spoorwegovergang in het Houtensepad. En die maar liefst 3 diverse spoorlijn doorkruiste in september 1974 gesloten. De verbinding voor auto;s, vrachtwagen en ander verkeer naar Utrecht en andere richtingen was in de loop der tijd overgenomen door de aanleg van nieuwe snelwegen en provinciale wegen.

Familie Bieberstein verkocht rond 1900 nog een stuk grond aan de gemeente Utrecht voor de aanleg van de Algemene Begraafplaats Kovelswade. Gelegen achter Fort Lunet II, Rhijnspoorweg en Oosterspoorweg.

Op de eerste kaart in de hier onderstaande viewer zie een uitsteksel (lans) in het midden van het groene vlak. Dit tweede perceel was ook van familie Bosch van Drakestein en Bieberstein.

Hofstede en landerijen in Zuilen en Lauwerecht (gem. Utrecht)

Op zaterdag 22 november 1823 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Gerardus Hendrikus Stevens de hofstede met landerijen Chartreusse of Chartroise verkocht. Kopers waren Jan Willem Hendrik Bosch en zijn oom Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Het zal vermoedelijk de eerste grote aankoop van Jan Willem Hendrik Bosch geweest zijn. Hij had toen de leeftijd van precies 24 jaar en vier maanden. Jan Willem Hendrik werd geboren op 22 juli 1799 te Utrecht. Oom en neef kochten de hofstede vanwege de strategische ligging omdat hun moeder en oma Cornelia van Bijleveld al diverse landerijen in de omgeving van Chartreuse had vererft via haar broers en familie. Zodat dit vanaf 1823 een groot geheel ging vormen. De landerijen van Chartreuse lagen in de negentiende eeuw en een deel van de twintigste eeuw in de Utrechtse kadastrale gemeenten Zuilen, Achttienhoven en het Lauwerecht.

Bron: Het Utrechts Archief, 34-4 Notarissen in de stad Utrecht, U324c015, blz. 795, aktenummer: 4978.

Vanaf 1923 tot 1930 begon het grondbedrijf van de gemeente Utrecht grote stukken land in dit gebied op te kopen ten noordoosten van de Daalsedijk en de Amsterdamsestraatweg. Grote stukken waren nog begin twintigste eeuw het eigendom van familie Bosch van Oud-Amelisweerd. De Bosch tak die voortkwam uit het huwelijk van Jan Willem Hendrik Bosch die gehuwd was met zijn nicht. Jkvr. Elisabeth Bosch van Drakestein. Zij was de dochter van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein.

De toenmalige gronden van Chartreuse waren vanaf begin twintigste eeuw het eigendom van Jhr. Willem Eugene Bosch van Oud-Amelisweerd en Jhr. Jan Willem Marie Bosch van Oud-Amelisweerd. Zij verkochten de gronden van Chartreusse gelegen in Zuilen, Achttienhoven en het Lauwerecht aan de gemeente Utrecht. De stad wilde gaan bouwen voor staduitbreidng op het gemeentelijk grondgebied van Zuilen. Deze gemeente bestond tot 1 januari 1954 en werd vanaf die datum bij de stad geannexeerd.

De naambetekenis van hofstede Chartreuse of Chartroise is het oud Latijnse woord voor verschrikkelijke plaats

Jhr. Willem Eugene Bosch van Oud-Amelisweerd de laatste particulieren eigenaar van Chartroise woonde in jaren twintig van de twintigste eeuw aan de Maliebaan 22 te Utrecht.

In het december nummer van het historische tijdschrift Oud Utrecht in het jaar 1938 beschrijft J.L. Planjer de historie van de hofstede en landerijen van Chartreuse in Utrecht.

De hofstede Chartreuse

Een bezoeker van het Noordelijk stadsdeel, die zich door de uitgestrekte wijken tussen de Amsterdamsestraatweg en de Vecht in de richting van het dorp Zuilen wil begeven, zal daar
weinig meer vinden van de landelijke omgeving, die vele ouderen zich kunnen herinneren.

Waar slechts twintig of vijf-en-twintig jaar geleden nog landelijke wegen langs flinke boerenhofsteden te midden van ruime weidevelden, naar het afgelegen, schilderachtige dorpje Zuilen leidden, zijn thans brede wegen voor druk stadsverkeer aangelegd, waarlangs zich de talrijke middenstands- en arbeiderswoningen rijen, die nagenoeg een tiende gedeelte van de bevolking
van „Groot Utrecht” gedeeltelijk op Utrechts, gedeeltelijk op Zuilens grondgebied huisvesting geven.

Hoewel de aanleg op zich zelf ruim en vriendelijk is, heeft de stad het land onherroepelijk verdrongen. Toch komt men langs de laan van Chartreuse gaande, eensklaps in een omgeving. die nog aan de verdwenen landelijkheid herinnert, daarvan nog een overblijfsel is.

Midden op een gazon staat een oude boerderij de hofstede Chartreuse welke in deze stedelijke omgeving niet uit de toon valt, wijl het terrein onderdeel vormt van een brede groene
strook, van sportterreinen, speelvelden en plantsoen, welke langs de Utrechtse rondweg (de Marnixlaan) gelegen de bebouwing op weldadige wijze doorsnijdt.

Beziet men de hofstede wat aandachtiger. dan merkt men trots de toestand van verval waarin zij verkeert dat deze gebouwengroep niet toevallig is gespaard; meerdere belangwekkende details wijzen er op, dat deze boerderij, al is zij kunsthistorisch niet zeer belangrijk, een lange en belangwekkende historie zal hebben.

En niet alleen de boerderij, doch ook de omgeving daarvan met de oude boombeplanting, de resten van een statige bomenlaan in de richting van de recht en vooral het typische middeleeuwse poortgebouw, op een gewelf boven de ringsloot gebouwd, duiden aan dat men zich op historisch terrein bevindt. 

We zijn dan ook op de gronden waar één van de voormalige kloosters van Utrecht heeft gestaan: het klooster „Nieuwlicht” of „het Nieuwe Licht”, 

Van de zeer talrijke kloosters, die in de bisschopsstad Utrecht of haar onmiddellijke omgeving waren gevestigd, zijn er niet vele meer, die gedeeltelijk gespaard of uit hun in andere bebouwing
opgenomen overblijfselen nog zijn te herkennen.

Ik noem slechts het Sint Agnietenklooster (waarvan de laatste resten zijn opgenomen in het Centraal Museum), het Sint Catharijneklooster, eertijds nabij het tegenwoordige Vreeburg gelegen.
later verplaatst naar de Lange Nieuwstraat naast de Kathedraal, waarvan de oude kloostergang en zalen gedeeltelijk gerestaureerd het Brandweermuseum en het Museum voor nieuwe religieuze kunst (zinrijke bestemming) huisvesten.

Wel treft men, in en buiten de stad, in de straatnamen nog de herinnering aan tal van kloosters, als daar waren: het Predikherenklooster, het Begijneklooster, het Hieronymusklooster, het Ursulinen (Abraham Dole) klooster. de abdij Oudwijk en het Karthuizerklooster Nieuwlicht aan de laan van Chartreuse.

Zoals uit deze laatste naam blijkt werd het klooster Nieuwlicht door Karthuizer monniken bewoond.

In 1392 werd het klooster door Zweder en Willem van Abcoude gesticht en hun vriend Tideman Grauwert reeds eerder in de orde opgenomen werd de eerste prior. De bouw van het klooster had eerst in 1393 plaats op een landgoed genaamd „Bloemendaal", groot 20 morgen, daartoe in erfpacht afgestaan door Arnoud van Tricht, proost van St. Jan. Zij leefden als kluizenaars in strikte afzondering, zonder te praten. Van hieruit bestierden zij desalniettemin landerijen tot in de Hoeksche Waard bij Rotterdam. De oorsprong van de Kartuizer orde ligt in de bergen van Chartreuse, tussen Grenoble (Frankrijk) en Chambery.

Het bestaan van het klooster en zijn bewoners schijnt zich zonder grote schokken te hebben voltrokken tot in de reformatietijd, toen in 1578 aldaar troepen werden gelegerd, omdat men
vreesde, dat de gebouwen door de Spanjaarden zouden worden bezet.

Dat in die woelige en onzekere tijden, waarin nieuwe geestelijke waarden zich onstuimig baan braken, de samenleving van monniken en soldaten niet in vrede kon bestaan, is duidelijk. De veel
geplaagde monniken trokken zich op 15 januari 1579 terug en verspreidden zich over kloosters in Brugge, Edingen, 's-Hertogenbosch en andere.

Daarmede was het lot van de gebouwen beslist. In 1580 werden zij grondig afgebroken en de afkomende steen gebruikt voor versterking van de stad; slechts het poortgebouwtje bleef voor de

verwoesting gespaard. Ter plaatse werd toen een hofstede gebouwd, waarvan het tegenwoordige woonhuis het in de loop der eeuwen sterk verminkte overblijfsel is. De stal en het achterhuis, welk geen enkele architectonische waarde hebben, dateren uit 1863, gelijk op een steen in de Westgevel is aangegeven. Het vrijstaande bakhuis is van veel ouderen datum en heeft
wellicht tot de oorspronkelijke gebouwen behoort.

Een indruk van de oude boerderij kan men nog krijgen uit de omschrijving. waarmede de bezitting in 1823 te koop werd aan geboden.

Een kapitale en aangenaam gesitueerde hofstede genaamd Chartroise bestaande in een Heerenhuizinge met fraai behangen zaal. twee beneden- en twee bovenkamers. Voorts een boeren-
huizinge van drie vertrekken, ruime deel met stallinge voor paarden en hoornvee, bakhuis, schuur, berg. Mitsgaders dezelve hofstede omringd van zijn grachten, laanen en steegen beplant met
zware eiken en andere opgaande boomen (hier herkennen wij nog de tegenwoordige kloosterlaan. hoewel de eiken door andere boomen zijn vervangen) en bij het inkomen van gemelde hofstede
voorzien van een poort met duivenhok en keuken, erve, tuin en moesland te zamen groot 28 roeden, 36 ellen en 34 palmen.


In 1839 werd het huis verbouwd en modern ingericht. Tot dien tijd droeg het, naar het schijnt, nog alle kenmerken van oudheid, dikke zware muren, met vroeg-renaissance raamkozijnen en nissen, welke toen vervangen werden door vensters met grote ruiten.

Wanneer de boerderij Chartreuse wordt genoemd, komt wellicht nog in herinnering de overlevering. dat aldaar een zware linde, de „Monnikenboom” stond, waar in dien tijd de Utrechtse

kindertjes moesten worden gehaald. In 1830 en 1836 werd deze boom door blikseminslag en storm
zwaar beschadigd, maar hij verheugde zich nog langen tijd in de belangstelling van de jongere Utrechtse burgerij. die zich op de boerderij kwam vermaken.

De knecht van de toenmalige bewoner verborg zich in de boom en riep dan tot de jongelui „pluk mij, pluk mij, 'k zal alle dagen zoet zijn.”

Er ontstond dan algemene vreugde, men ging spelletjes om de boom doen en de pret eindigde met roometen bij vrouw van Dam. die de boerderij toen bewoonde. In 1851 werd de boom omgehakt en eindigde dus dit vermaak.

De boerderij, in de 19e eeuw in het bezit gekomen van de familie Bosch van Oud-Amelisweerd werd in 1905 door de Gemeente Utrecht gekocht. Sedert werd zij verhuurd. doch als boerderij had zij het bestaansrecht verloren, daar de landerijen in de omgeving geleidelijk voor woningbouw werden bestemd.

Het voortbestaan van de gebouwen werd zodoende onzeker en in afwachting van de van de ontwikkeling van de omgeving afhankelijke beslissing of behoud of afbraak zou volgen. werd
op het onderhoud zeer bezuinigd.

Natuurlijk trok allereerst het poortgebouwtje de aandacht van hen, die op het behoud van de resten van het oude klooster prijs stelden.

Dit typische poortgebouw een voorbeeld van eenvoudige burgerlijke bouwkunst uit de middeleeuwen opgetrokken van reuzenmoppen en gedekt met een eenvoudig zadeldak, afgesloten door twee topgevels. staat zeer karakteristiek op een over de sloot geslagen gewelf, waarover door twee grote van een gedrukte boog voorziene poortopeningen toegang tot het terrein
wordt verkregen.

Hoewel niet een monument van bijzondere kunsthistorische waarde, is het door zijn eigenaardige plaatsing en de zuivere doelstelling van de bouw belangrijk genoeg om te bewaren. temeer waar volgens een in 1914 aan het Gemeentebestuur uitgebracht deskundigenadvies van Mr. Muller en Prof. Vogelsang met zekerheid kan worden aangenomen, dat we hier met het enige overblijfsel van het klooster „Nieuwlicht” te doen hebben.

Dit advies werd uitgebracht op verzoek van het Gemeentebestuur, daar, nadat in een Raadsvergadering in 1914 met het oog op de bouwvallige toestand werd voorgesteld het gebouwtje af te breken, de Raad besloot op voorstel van Dr. ten Berge deze voordracht aan te houden en advies bij oudheidkundigen in te winnen.

De zaak bleef slepend tot 1924, toen plannen werden overwegen tot restauratie van poort en boerderij en inrichting van deze laatste tot theehuis.

Eerst in 1927 werd een Raadsbesluit genomen af te zien van verbouwing van de hofstede, doch voor restauratie van het poortgebouw een krediet beschikbaar te stellen.

Gerekend werd op medewerking van het Rijk uit het oogpunt van monumentenzorg, welke medewerking in 1929 werd verkregen. In 1930 werd toen het poortgebouw gerestaureerd en in de tegenwoordige staat gebracht.

De boerderij bleef dus, zoals zij was; wel werden herhaaldelijk pogingen in het werk gesteld om na restauratie een goede bestemming te vinden als theehuis of anderszins, doch weinig gegadigden meldden zich aan en de restauratiekosten waren zoo hoog, dat niet verwacht kon worden. deze door de huuropbrengst enigermate te doen dekken. Bovendien achtte Rijksmonumentenzorg de architectonische waarde niet groot genoeg om Rijkssteun te rechtvaardigen.

Toch bleef het Gemeentebestuur van mening. dat het behoud van de hofstede mits daarvoor een goede bestemming zou worden gevonden zeer wel te verdedigen was en aan het gerestaureerde poortgebouw groter waarde zou verlenen. Thans in 1938 is een bestemming gevonden, doordat de nog niet lang bestaande Parochie van St. Salvator naar ruimte voor haar u nog elders gevestigde fröbelschool en voor club- en vergaderlokalen zocht en meende dat de hofstede door verbouwing daartoe geschikt is te maken.

Na de restauratie en verbouwing zal het Kerkbestuur de hofstede van de Gemeente huren. Het Rijk zal thans ook medewerking verlenen tot bestrijding van de werkloosheid, in het bijzonder bij jeugdige werklozen, die aan het herstel zullen medewerken. Door deze hulp zal de restauratie, ook in dezen tijd, voor de Gemeente te verantwoorden zijn.

De werkzaamheden zullen uit twee onderdelen bestaan:

1e. het inrichten van de stalling, die geen enkele architectonische of oudheidkundige waarde heeft tot lokalen voor een fröbelschool met de nodige nevenruimten:  

2e. het herstellen van het woonhuis en het inrichten van de vertrekken tot vergaderlokalen.



De verbouwing van de schuur zal fröbellokalen eisen veel licht, lucht en hygiënische verzorging tamelijk ingrijpend zijn en de Zuidgevel, dat is de naar het sportterrein gekeerde gevel.
zal uiterlijk sterk veranderen, daar hier de klaslokalen zijn gedacht.

Het voorgebouw daarentegen zal in aanzicht niet ingrijpend gewijzigd worden, de aanwezige vertrekken zijn na herstel direct voor gebruik geschikt.

De restauratie zal slechts omvatten het wegnemen van de pleisterlaag en het behoud en herstel van het aanwezige; er zijn afgescheiden van verschillende opvattingen omtrent restauratiemethoden niet voldoende gegevens met zekerheid bekend om te rechtvaardigen, dat het gebouw in de vermoedelijke oorspronkelijke toestand wordt teruggebracht.

Toch mag worden verwacht, dat na voltooiing van de werken een typische en in deze omgeving zeer wel verantwoorde gebouwengroep zal ontstaan en een vestiging vanwaar in vroeger eeuwen ongetwijfeld veel waardevols naar Utrecht werd uitgedragen, tot nieuw leven zal worden gebracht.

Tegenwoordige staan de gebouwen van het Karthuizerklooster geadresseerd aan de Laan van Chartroise 170, 170A, 172, 174 en 174A. In de Utrechtse wijk Ondiep.

Utrecht, Oktober 1938. J. L PLANJER.










 

 

Land in Catharijne (gem. Utrecht)

Op zaterdag 24 september 1825 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Gerardus Hendrikus Stevens, bij het Bureau Publieke Verkoping achter de St. Pieter om 13:00 uur in de middag Herberg Jaffa met landerijen aan de vroegere Vleutenseweg en Vleutensewetering verkocht. Verkoper van de herberg was Cornelis van Rossum. Koper van de herberg was Arnoldus Steenwijk. Koper van het ten noordwesten, gelegen weiland in de kadastrale gemeente Catharijne, Zuider Lage Weide, Sectie B, perceel 98 was Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein.

Uit een eerdere beschrijving van verkoop van de herberg van 21 november 1795 werd toen thans genaamd Jaffa genoemd, vanouds Jagthaven. Jaffa was een herberg van luxe allure in die tijd. Het had zelf een kolfbaan. Om de mensen uit de stad en florence een manier van ontspanning aan te bieden.

In de tweede helft van de negentiende eeuw verrees ook aan de Vleutenseweg een Machinefabriek, Machinefabrief Jaffa. De vroegere eigenaar ervan was Louis Smulders.

Hofstede en landerijen in Jutphaas (gem. Nieuwegein en Utrecht)

Op zaterdag 11 november 1826 om 13:00 in de middag Achter de St. Pieter te Utrecht ten overstaan van notaris Wigman kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein boerderij Rhijn en Molenzigt, gelegen aan de Vaartsche Rijn te Jutphaas met bijbehorende landerijen in kadaster Jutphaas Sectie E. Boerderij behoorde voor die tijd aan bij de Buitenplaats Rhijnzigt. Gelegen ten noorden van de boerderij. De verkopende familie waren de nazaten van Frans van Niekerken. 

Schoonzoon van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein, Charles Antoine Baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky. Gehuwd met Jkvr. Henriette Josephine Jacqueline Bosch van Drakestein. Erft na het overlijden van zijn schoonvader Paulus boerderij Rhijn en Molenzigt vanaf april 1834. Na het overlijden van Charles in 1880 vererft de boerderij op zijn zoon, Paul Guillaume Eugène Henri Baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky. Hij verkoopt een deel van het land achter de boerderij aan Rijkswaterstaat in 1882 voor de aanleg van het Merwedekanaal op de splitsing met de Vaartsche Rijn.

Percelen in Oudenrijn (gem. Utrecht)

Op maandag 15 oktober 1827 werd om 16:00 uur in de middag ten overstaan van de Utrechtse notaris Benjamin Boers in het huis van Ferdinand Arnink, kastelein van de Stadsdam in de gemeente Oudenrijn. De hofstede Beefland, gelegen aan de Leidsche Rijn, geveild en verkocht. Bij de boerderij behoorden ook landerijen die in de polders Galecop en Heycop lagen. Hofstede Beefland lag al vele jaren aan de zuidkant van de Leidsche Rijn. Aan de noordelijke kant precies tegenover Beefland in Vleuten stond ruim 2000 jaar het Romeinse Forte Castellum Hoge Woerd.

De hofstede komt in 1827 in handen van een ander particulier maar een stuk weiland ein de polder Heycop wordt het eigendom va  Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Op het eerste plaatje in de viewer links onderaan. 

Ruim 200 jaar na het overlijden van Jhr. Paulus Bosch van Drakestein anno 2019 dat de stichting uitgebreid naar Pauls onroerend goed aankopen onderzoek doet. Valt het ons op dat bij deze aankoop iets bijzonders blijkbaar aan de hand is. Ruim 11 maanden eerder in november 1826 koopt hij de hofstede De Klomp, gelegen aan de Oude Mereveldseweg en Marsdijk in Bunnik en Houten. Deze had in zijn onroerend goed onder de weilanden en boomgaarden het vroegere Fectio Vechten terrein in de grond zitten. Heden een nationaal en internationaal archeologische monument. Hier stond ruim 2000 jaar geleden het Romeinse legerfort Fectio.

Blijkbaar probeerde Paul de hele hofstede Beefland aan te kopen. Maar is dit blijkbaar niet gelukt en heeft iemand anders de boerderij voor een hoger bod aangekocht. En moest Paul het doen met een weiland wat eerder bij de boerderij behoorde. Gelegen in een lage polder ten zuiden van Beefland. De één gelukte aankoop van een vroeger legerkamp, en de andere niet gelukte aankoop van een boerderij naast een legerkamp. Duid erop dat Paul graag nog iets van hoge waarde wilde hebben aan onroerend goed. Hij wilde vermoedelijk zijn carrière van grondaankopen afsluiten met de aankoop van Beefland. Want ruim 7 jaar overlijd hij en zijn er bij de stichting geen grote aankopen van vast- en onroerend meer bekend die door Paul waren aangekocht. Paul was wel een groot liefhebber van de geschiedenis. In zijn jonge jaren studeerde hij al Romeins en hedendaags recht.

De naam Beefland duid erop dat de grond ten zuiden van de Leidsche Rijn uit veen bestond. Beef komt van beven of bewegen. Als je op zo'n veld met veen staat beeft beweegt het veld en het oppervlak waar je op loopt een beetje.

Wat ook een vergelijking waard is, is dat het land ten zuiden van Castellum Hoge Woerd in Vleuten-De Meern in Oudenrijn. En het land ten noorden en westen van het Fectio Vechten Terrrein in de gemeenten Bunnik en Utrecht beide de naam hebben alszijnde Mereveld. In Vleuten heb je het Mereveldplein en de Mereveldlaan. In de gemeenten Bunnik en Utrecht kennen we de Mereveldseweg. Beide duiden erop dat het land naast de twee Romeinse forten nat en onontgonnen waren. In de periode rond de twaalfde- en dertiende eeuw. Mere staat voor natte grond en veld is een vroeg middeleeuwse aanduiding voor dat een kavel dat nog woest, wild en onontgonnen was. Zo gezegd dat het voor de inheemse bevolking slecht te gebruiken was om landbouw of vee te houden.

Percelen in Haarzuilens en Vleuten-De Meern (gem. Utrecht)

Op 1 oktober 1832 bij het ingaan van het kadaster in de Nederlanden is te zien op de HISGIS kaarten van Ad van Ooststroom dat Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein diverse percelen grond in de omgeving van Vleuten, Haarzuilens en Themaat in bezit heeft. Het perceel van ruim 6 morgen land midden boven aan op de kaart (onder deze tekst) naast de kooiker heden gelegen naast het Rijneveldsche Boschpad. Wat in vroegere tijden genaamd was de Franse Akker. Dit perceel was ontsloten door een tiendweggetje lopend vanaf Haarzuilens/Thematerweg in het zuiden, lopend richting het noorden tot ter hoogte heden 't Natte Laand. Van dit perceel en weggetje is bekend is dat in 1756 Haasje Jacobs Kok, de weduwe van Frans van Roijen de Franse Akker met weg verkoopt aan een zeker Dirk van Dam.

Tot 1774 is onbekend wanneer een familielid van familie Bosch het land in eigendom verwerft. Maar in dat jaar is er een pachtcontract bekend dat Willem Bosch het land verpacht. Vermoedelijk heeft deze Dirk van Dam al in 1774 of daarvoor het land verkocht aan de Willem Bosch. Nog in het jaar 1788 is het land in eigendom gekomen van Willems broer Herbert-Jan Bosch maar na zijn overlijden komt het weer in het bezit van zijn broer Willem. Willem overlijd in 1801 en zijn nalatenschap komt toe aan zijn broer Theodorus Gerardus Bosch. Na zijn overlijden in 1802 komt het land achter kasteel De Haar in Haarzuilens in het bezit van zoon Paulus Wilhelmus Bosch. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U188A018 10 en U256C040 58.

Het land midden van rechts op de kaart tussen de Oudenaarskade in het noordoosten en de Thematerweg in het zuiden, gelegen in Vleuten. Is alleen bekend dat een zekere Antony van Oostrum in 1739 nog de eigenaar ervan was. De pas daarop volgende informatie treffen we aan in een notariële akte van 25 mei 1782. Hierin word het onroerend goed verdeeld van Johannes Cornelis van Bijleveld (ca. 1702 - 1769) en zijn echtgenote Ida Eyken. Zij huwd in 1751. Ida overlijdt in 1780. Johan had twee zonen en een dochter uit een eerder huwelijk. De oudste is Willem Hendrik van Bijleveld, de middelste Paulus van Bijleveld (1741-1795) en zijn jongste dochter Cornelia van Bijleveld (1746-1823). Johan was van beroep brouwer en schepen van Vleuten.

Het land tussen de Oudenaarskade en Thematerweg komt in het bezit van de oudste zoon Willem Hendrik van Bijleveld. Het oppervlak bestaat uit drie percelen en is samen 14,6 morgen groot. Willem Hendrik van Bijleveld (1733-1799) is net als zijn vader brouwer en schepen te Vleuten. Na zijn overlijden is het zo goed als zeker dat het land van 14,6 morgen toekomt aan zijn jongere zus Cornelia van Bijleveld. In eerdere tijden was het dan nog heel gewoon dat de zwager het vermogen in beheer kreeg van de verworven erfenis die zijn vrouw ontving. Dus mag aangenomen worden dan Theodorus Gerardus Bosch het stuk land van 14,6 morgen in bezit kreeg Theo overlijd ruim 3 jaar later in 1802 en dan komt het land toe aan zijn weduwe Cornelia. Er is nog een huurcedule bekend uit 1808 waarin zij het land verhuurd aan een landbouwer uit de omgeving van Vleuten. Na haar overlijden in 1823 komt de de 14,6 morgen in bezit van zoon Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Dit staat ook te lezen bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U211a005 28.

Land midden onderaan de kaart, heden gelegen tussen de Parkweg in het zuiden en de Thematerweg in het noorden te Vleuten en dwars diagonaal doorsneden door het vroegere Haarsche Pad. Lag er in de negentiende eeuw ten westen ervan parallel gelegen de Joosten Laan. Van dit land ten noordwesten gelegen van het dorp Vleuten is bekend dat het vele eeuwen het eigendom is geweest van het Kapittel van Oudmunster. In het jaar 1757 verkoopt een zekere Albert van der Muijden het perceel aan Willem Bosch. In 1767 is via de oudschildregisters (grondbelasting registers) bekend dat Willem Bosch nog steeds de eigenaar is van het perceel. Via die zelfde registers is in het jaar 1788 bekend dat Hertbert Jan Bosch en zijn broer Willem Bosch de eigenaren zijn. Na het overlijden van Willem in 1801, via vererving naar zijn broer Theodorus Gerardus Bosch komt het land bij zijn overlijden in 1802 toe aan zijn zoon Paulus Wilhelmus Bosch. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U174A015 90.

Na het overlijden van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein in april 1834 komen de landerijen gelegen in Vleuten, Themaat en Haarzuilens toe aan zijn neef Jan Hendrik Bosch en Paulus oudste zoon Willem Bosch van Drakestein van Nieuw-Amelisweerd. Waarna van 1834 tot 1914 na het overlijden van Willem's zoon Hendrik Bosch van Drakenstein de landerijen in die omgeving ruim 80 jaar toebehorend zijn geweest bij het landgoed Nieuw-Amelisweerd in Bunnik/Rhijnauwen en Houten/Oud-Wulven/Maarschalkerweerd.