Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Familie Van Hardenbroek,

's Heeraartsberg, Bergambacht en Ammerstol


Van Hardenbroek (ook: Van Hardenbroek van Ammerstol, Van Hardenbroek van de Kleine Lindt, Van Hardenbroek van Lockhorst en: d'Aumale van Hardenbroek) is een van de oudste adellijke geslachten van Nederland en leden ervan behoren sinds 1814 tot de Nederlandse adel van het koninkrijk.

Geschiedenis

De stamreeks begint met Gijsbert van Hardenbroek, heer van Hardenbroek, ridder, die vanaf 1332 wordt vermeld. Leden van het geslacht bewoonden in de 14e eeuw kasteel Hardenbroek onder Driebergen. Bij Souverein Besluit van 28 augustus 1814 werden twee leden van het geslacht benoemd in de ridderschap, in 1815 een derde en bij KB van 26 april 1822 werd voor leden van het geslacht de titel van baron(es) erkend.

Kasteel Hardenbroek lijkt vanaf de stichting eigendom van leden van deze familie te zijn geweest. In 1684 werd het verkocht en pas in 1748 kwam het opnieuw in de familie Van Hardenbroek. Daarna kwam het via afstamming in bezit van Henriette Arnoldine barones van Hardenbroek van Lockhorst-Snouck Hurgronje, vrouwe van Hardenbroek (1912-1994) die het huis heeft nagelaten aan haar zoon jhr. Francis Loudon (1938), lid van de familie Loudon waarmee het opnieuw buiten bezit van de familie Van Hardenbroek kwam.

Kasteel Hardenbroek

Langbroekerdijk 24, Driebergen-Rijsenburg, gem. Utrechtse Heuvelrug.

Naar een tekst van Nicki Bullinga en Jan Kamphuis.

Uit het boek Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, 

onder redactie van B. Olde Meierink, Utrecht, Uitgeverij Matrijs, 1997.

Aangevuld met diverse afbeeldingen en foto's door SHH uit diverse bronnen.



HARDENBROEK LIGT AAN DE PROVINCIALE WEG halverwege Cothen en Werkhoven, in de gemeente Driebergen-Rijsenburg'. De naam Hardenbroek is afgeleid van de ligging. De ondergrond is harde, zware klei in moerasland; broek betekent moerasland.

GESCHIEDENIS
De oudste vermelding van de naam Hardenbroek stamt uit 1331, wanneer er sprake is van de broers Gijsbert en Wouter van Hardenbroek. Het is aannemelijk dat hun vader dus reeds op Hardenbroek woonde. Het wapen van de Van Hardenbroeks is identiek aan dat van de familie Sterkenburg, maar met een barensteel als toevoeging. Dat betekent dat het gaat om een jongere tak.

De Van Sterkenburgs stammen af van het geslacht Van Wulven, dat ook bezittingen had in Langbroek. In 1309 is er sprake van drie broers Van Sterkenburg. Het is waarschijnlijk Gijsbert van Sterkenburg die als stamvader kan gelden voor Hardenbroek, dat rond 1300 is ontstaan. Het was
niet ongebruikelijk dat een jongere broer nabij het ouderlijk kasteel een eigen huis stichtte.



De band met Sterkenburg was stevig. In 1357 waren twee hoeven in bezit van Gijsbert van Sterkenburg, die er een rente op vestig de ten bate van Gijsbert van Hardenbroek. Dat de heren van
Hardenbroek een belangrijk geslacht waren komt onder andere naar voren in de Landsbrief van bisschop Arend van Hoorn uit 1373. De vierde heer, Gijsbert van Hardenbroek, hechtte zijn
zegel aan deze brief met als opschrift: 's. Ghisebrecht van Herdebroec ridder. In 1392 werd het bezit van de familie omschreven als 'die huzinghe ende hofstede tot Herdenbroec's.
Het huis wordt dan in leen gehouden van de heren van Vianen, die het houden van Gelre. Dat past in het beeld dat ook de Van Wulvens op Gelre waren gericht.

Tussen 1392 en 1662 is het huis
overgegaan van vader op zoon binnen de familie Van Hardenbroek'. Het is niet verwonderlijk dat Hardenbroek in de eerste lijst van ridderhofsteden (27 oktober 1536) werd opgenomen. Eigenaar van het kasteel was toen Joost, de negende hecer van Hardenbroek: 'Eertuyts te leen behorende aan den Huyse van Sterkenborch, ende nu leenroerig aan den Huyse van Vyanen, die dat houdende is van het forstendom Gelre. De erflijn langs de oudste zoon kwam tot stilstand in 1662.



Toen stierf de dertiende heer van Hardenbroek, Pieter. Hij liet het kasteel na aan zijn neef Hendrik Gijsbert van Hardenbroek. Deze verkocht de ridderhofstad in 1684 aan Cornelis Aerssen van Juchen. Vervolgens werd Adriaan van Rossem beleend en in 1687 werd Pieter Godert van Rossem eigenaar. Op 22 september 1733 kwam Hardenbroek in handen van Willem Kerckrinck, die
het eerst als leen ontving, maar het daarna verkreeg door koop. Hij heeft veel geld in de verbouwing van Hardenbroek gestopt. Zijn weduwe trouwde met Johan George van Raesveld en Hardenbroek werd publiek geveild.

Maar de nieuwe koper was Johan Adolph van Hardenbroek, heer van Lockhorst, Bergestein, Bergambacht, 's-Heeraertsberg, Klein Ammers en de Kleine Lindt. In rechte lijn was hij de vijfde afstammeling van de tiende heer van Hardenbroek. Deze Johan Adolph van Hardenbroek blies de vader-op-zoon eerstelijn opnieuw leven in. Het kasteel is tot op heden in het bezit van de familie gebleven. De huidige kasteelvrouwe is hertrouwd met een lid van de familie Loudon. Haar zoon zal het kasteel, waar hij thans reeds woont, erven en zo zal de lijn Hardenbroek
overgaan op Loudon.



BOUWGESCHIEDENIS

Het kasteel Hardenbroek zou rond 1300 zijn gebouwd. Hoe dit kasteel er toen heeft uitgezien is niet bekend, omdat het gebouw in de 18de eeuw een ware metamorfose heeft ondergaan. Maar
met behulp van twee tekeningen van Roelant Roghman (1646/1647) is de 17de-eeuwse toestand te reconstrueren. Door de huidige plattegrond met deze tekeningen te vergelijken kan, met
vele slagen om de arm, iets over de vroegste bouwgeschiedenis
Worden verondersteld.

De hoge vleugel die nog juist achter de poortvleugel is waar te nemen en waarvan de trapgevel te zien is, is in de kelderplattegrond terug te vinden aan de zuidoostzijde van het gebouw. Het blijkt een middeleeuwse zaalbouw te zijn van 13,5 x 6 m met muurdiktes van o,8 tot 1,2 m. Het steenformaat is 30 à 28 x 14 à 13,5 x 7,5 à 6 cm bij een gemiddelde lagenmaat van 8,1I cm. De kelder heft één groot tongewelf, dat later is onderverdeeld.



Met behulp van dit gegeven is de rest van de bouwkundige details vrij gemakkelijk op de huidige plattegrond te projecteren. Zo blijkt  de schoorsteen van de noordoostvleugel precies op de plaats van de schoorstenen van de huidige keukens te staan. Slechts de poort met de uitgekraagde bouwmassa daarboven is minder gemakkelijk in de huidige plattegrond te herkennen. Opvallend is het grote aantal uitgekraagde privaten in de noordoostvleugel. Aan de zuidwestzijde is een langwerpige duivenkast aan de
muur opgehangen. 

De zaalvleugel bestond uit twee bouwlagen boven de kelder met daarop een zadeldak tussen twee trapgevels. De verdiepingen werden door muurtrappen met elkaar verbonden; in de noordoosthoek van de zaal bevinden zich als restant van deze trappen nog enkele treden in de dikte van de muur. Kennelijk is de noordoostvleugel, die slechts één bouwlaag
boven de kelders bevat, daar later tegen aan geplaatst. Want op de hoek van de zaalvleugel is een niet benutte staande tand te zien.



Intrigerender is de zuidwestgevel van de zaalvleugel. De schoorsteen blijkt niet in de muur te zijn opgenomen maar ernaast gemetseld te zijn. Alleen al vanwege het warmteverlies is dit een merkwaardige constructie. Op de hoek is een bouwspoor zicht- baar dat zowel op een staande tand als op een afgebroken muur kan duiden. Deze sporen en de brokkelige muur duiden erop, dat ook de zuidhoek van het kasteel bebouwd zal zijn geweest.

Pas vijftig jaar later dan de tekening van Roghman krijgen wij een mysterieuze suggestie aangereikt van wat daar gestaan kan hebben: een hoge toren. Op een schilderij van een heer van
Hardenbroek - dat nog op Hardenbroek hangt- is als achtergrond het kasteel afgebeeld vanuit het noordwesten (zie betreffende afbeelding in hoofdstuk 'Utrechtse kastelen in beeld'). Rechtsboven de poortvleugel is een toren zichtbaar. De toren is echter niet zo gedetailleerd afgebeeld als de rest van het kasteel. Kennelijk heeft de schilder wel het kasteel naar het leven
getekend, maar moest hij voor de toren teruggrijpen op overleveringen.

Overigens kan de toren ook het product zijn van een fantasievolle completering voor de ongetwijfeld als uitermate hinderlijk ervaren bouwval op deze plaats. Ten slotte mag ook niet worden vergeten, dat een kasteel met een middeleeuwse toren de eigenaar meer prestige gaf.

In de 18de eeuw heeft men het probleem van de ruïneuze zuidhoek opgelost door er een voorplein van te maken. Vermoedelijk is dit in opdracht van Willem Kerckrinck in 1734 gedaan.


Er ontstond een rechthoekig gebouw, dat een voor die tijd modern uiterlijk kreeg, hoewel vrijwel uitsluitend van bestaande bouw massa gebruik werd gemaakt. In 1748 kocht generaal Johan Adolph van Hardenbrock het kasteel: volgens de koopakte betrof het: 

'De aansienlyke Riddermatige Hofstad en Heerlykhyed HARDENBROEK, met desselfs Logeabel Heere Huysinge met diverse Vertrecken, meest belhangen, leggende rontom in 't water, met syn Stallinge voor Tien Paarden, Koets huys, twee Steene Duyvehocken, Hoender- Hout- en Turfhocken, Slagt en Washuys met een Stookcamer en Badkamer, Tuynmans Woninge, Orangerie, Schuur en Schuurberg, Vier Daghuurders Wooningen en alle aanhorige Bossen, Bouw en Wylanden groot ongeveer 100 Mergen, edog verongeldende voor 96 en een half mergen, voorts alle Emolumenten, Geregtigheedenen Praeëminentiën, als Swaanedriften, Duyve Vlugten, considerabile Visserye en achter Leenen, geleegen in de Provintie van Utrecht onder de Geregten
van Hardenbroek, Werckhoven en Kooten, omtrent 3 uuren gaans van utrecht, hebbende een kley en zandwegh, konnen alles te water tot aan het huys getransporteert worden...,

Blijkens de memorie van toelichting had het huis een dubbele gracht en was de huurwaarde 300 gulden perjaar voor: 'de
Heere Huysinge cum annexcis met omtrent Vier Mergen Boo[mlgaard voorsien van uytgeleesenste Vrugten met de Tuynen, Parterres, met de Visserye en Duyve Vlugten'.

Kennelijk voldeed het huis niet aan de wensen van Van Hardenbroek, want in 1762 liet hij het voorplein volbouwen met een prestigieus gebouw. Een steen in de muur heeft het opschrift:
hoog wel geb. jonkheer J.G.A. van Hardenbroek heeft deze steen gelegt den XXVI mai 1762 oudt 9 1/5 jaer'. Boven de nieuwe voordeur werd een fronton geplaatst met het jaartal 1762 en een
timpaan met het wapen van Hardenbroek. Op beide hocken werden door middel van risalieten en hoog oplopende schilddaken torens gesuggereerd.

Het gebouw was twee verdiepingen hoog boven de kelders. Daarboven werd een zolderverdieping aangebracht waar muurstijlen staan ten behoeve van de kapconstructie. Tegen de noordwestgevel werd een kleine uitbouw geplaatst; deze is echter in 1790 vergroot om het huidige trappehuis op te nemen. Dan bouwt Gijsbert Meyers voor 1.000 gulden Ben uitstek [...] tussen: ramen zoo breed als het vallen kan, ende zoo diep als het tegen overstaande aan de andere zijde van het huijs. Waar de trap in komt het uijtstek te
beginnen...".

Wanneer de uitbouw aan de zuidoostzijde is gerealiseerd, is niet bekend, evenmin al de voltooing van de bouw. In 1769 werden twee 'schuijframe met zyn toebehoore op de bovekamer opzij'
afgerekend. Ook het interieur werd geleidelijk afgewerkt, zo werd er in 1765 voor 'de vragt voor het papier behang f. 1-4-0 gulden, 4 stuiver en o cent] betaald en werden '20 pak houtedeur cnoppe' geleverd.


De laatste grote verbouwing vond tussen 1789 tot 1793 plaats, waarschijnlijk onder architectuur van Jacob Otten Husleyo. Deze architect, die van huis uit een ambtelijk stucadoor was, is ook
betrokken geweest bij de bouw van de raadhuizen van Groningen en Weesp en van Felix Meritis in Amsterdam. De vermoedelijk nog middeleeuws ogende achtergevel (zie Roghman)
zal niet meer aan het toenmalige modebeeld hebben voldaan, want 3.5 m voor de oude gevel werd een nieuwe geplaatst. Op de hoeken verrezen uitspringende torens.

Ook dit gebouw kreeg twee verdiepingen boven de kelder met daarboven een mezzanino. Tegelijkertijd werd het oude middeleeuwse gedeelte van een mezzanino voorzien en zowel de
nieuwbouw als de opgehoogde middeleeuwse vleugel werden door drie schilddaken gedekt. Deze schilddaken zijn echter aan het zicht onttrokken door twee kappen evenwijdig aan de zijgevels. In de jaren zestig van de 20ste eeuw zijn deze 18de-eeuwse schilddaken onder één groot plat dak getrokken.



De werkzaamheden vingen aan met het voor 150 gulden leggen van een dam om de gracht droog te kunnen leggen. In zes weken tijd zou de fundering van het 'nieuwe werk' worden gelegd. Van

18 augustus tot 12 september 1784 werd er geheid: 151 mandagen werden afgerekend. Kennelijk kostte het heien van één paal een mandag werk, want er werden 150 'heijmasten' aangevoerd.
Aan Gijsbert Meijers werd het bouwen van de 'zaal met twee cabinetten en uitstek voor trap en secreeten' voor 7.200 gulden aanbesteed. Kennelijk waren de pilasters in de torens niet in het
oorspronkelijke plan opgenomen: P.S. Den aannemer heeft hier en boven nog aangenoonmen aan ijder tooren twee pilasters, geaccordeert voor ijder pilaster vijftig guldens.

Er werden in 1790 voor iets meer dan 217 gulden 8000 'bouwenpannen' gesmoorde dakpannen geleverd om de daken te dekken. In 1791 werden nog eens 3300 pannen geleverd.
Vermoedelijk werden zij afgehangen aan de dakschilden die aan het zicht onttrokken waren. Want de lootgieter en leyedecken baes' ontving in 1791 1.200 gulden. Een nogal fors bedrag in ver-
gelijking met de kosten voor de dakpannen. Dus alleen de in het zicht zijnde dakvlakken kregen een leibedekking. In 1791 werden 'Engelse' en 'luijkse' marmeren schoorsteenmantels en
'witte marmeren vloersteenen' geleverd. De bouwheer heeft de voltooiing van deze riante uitbreiding niet meer mogen meemaken. 

Hij stierf in 1791. In 1792 brandde het zuidelijke koetshuis af en werd vervangen door een grotere met een stalling voor twaalf paarden. De aannemer was weer G.C. Meijers, die het werk op 15 maart 1792 voor f. 732 gulden aannam.



Oorspronkelijk rees een muur uit de gracht omhoog waarop een zwaar ijzeren hek stond om het voorplein af te sluiten. Kennelijk was de ontsluiting toen nog steeds, zoals in de middeleeuwen, vanuit het zuidwesten. In 1816 zakte bij een stortregen alles in de gracht en werd deze toegang niet meer opgebouwd; de oever van de gracht werd glooiend gemaakt. Op de begane grond van de zaalbouw vindt men thans een verzameling familieportretten, waarvan het oudste rond 1500 geschilderd is. In de zogenaamde eetkamer, de zaal in het midden van de achtergevel, is in december 1989 een plafondschildering aangebracht van Cornelis Troost; de schildering is afkomstig van een huis op de Herengracht te Amsterdam.

OMGEVING
In 1735 was J. Iven betrokken bij plannen voor de tuinaanleg direct bij het huis. Bij de koop van 1748 blijken er parterres en boomgaarden te zijn. Ook het grand canal achter het huis moet
toen aanwezig zijn geweest. Er stonden ook beelden in de tuin, want in 1772 werd een rekening van f 1o1-5-12 [101 gulden, 5 stuiver en 12 cent] betaald voor het afnemen, buijten brengen
en weder met zijn piedestalle op zijn plaats stellen van mermere beelden.. Ook werd de verplaatsing van twee beelden 'in de stadt' naar Hardenbroek geheel in de rekeningen verantwoord.
Wellicht dat de huidige oprijlaan, die in de as van het huis staat, in 1825 is aangelegd. De firma Copijn heeft toen het park aangelegd in Engelse landschapsstijl. Overigens is opvallend dat het
huis niet haaks op het perceel staat maar iets gedraaid. Vooral aan de achterzijde valt dit op omdat de sloten naar een perspecti visch 'verkeerd' verdwijnpunt lopen.

Het Huis Hardenbroek in de zeventiende en achttiende eeuw

Door Arien Heering: Het Kromme Rijngebied, jaargang 42, nr 1, maart 2008

In de zeventiende en achttiende eeuw werd zowel wat betreft grondbezit en rijkdom, als in
architectuur en tuinaanleg de trend gezet door de adel en de regentenfamilies in Holland.
Over die periode gaat dit artikel, waarin het verband tussen de geschiedenis van het
geslacht Van Hardenbroek en de ontwikkelingen in grondbezit, huis en, vooral, tuin-
aanleg centraal staan.

 


Keeping up with the Nassau's

Binnen de Nederlandse elite varmden de verschillende takken van het geslacht Nassau
de top: allereerst de Oranjes met 's-Gravenhage als hoofvestiging, vervolgens de Friese  werd in 1300 met Hardenbroek beleend.

De woontoren Hardenbroek is waarschijnlijk omstreeks 1260 gebouwd door een jongere
broer Van Wulven of Sterkenburg, die zich daarna Van Hardenbroek is gaan noemen.
De familie Van Hardenbroek groeide in de volgende eeuwen snel uit tot één van de aanzienlijkste adellijke families in het Sticht.

Bij Pieter, geboren in 1593, begint de voorspoed te kenteren, Pieters carrière begon glansrijk, met functies zoals president van de Ridderschap Utrecht, lid van de Staten Generaal. Hij behoorde tot de intimi van stadhouder van Frederik Hendrik. Maar Pieter's politieke en maatschappelijke status brokkelde af. Hij maakte schulden, de landbouwinkomsten daalden toen het in de tweede helft van de zeventiende eeuw slechter ging in de landbouw en hij grond moest verkopen.

Een omstreden katholiek huwelijk tastte zijn reputatie verder aan. Na Pieters dood moest een volgende generatie in 1684 de Ridderhofstad Hardenbroek verkopen aan een burger. In 1733 kocht
Willem Kerckrink de Ridderhofstad en pas in 1748 kwam Hardenbroek weer terug in de familie. De koper was Johan Adolph van Hardenbrock.

Diens militaire carrière en het fortuin van zijn echtgenote, de Hollandse patriciërsdochter Susanna van Slingelandt, gaven het geslacht Van Hardenbroek rijkdom, prestige en ook het oude huis terug. De traditie van erfopvolging van vader op oudste zoon werd hersteld. Tot 1960 woonde hier een Van
Hardenbroek, naar traditie Gijsbert geheten. Na zijn dood was zijn weduwe nog 34 jaar kasteelvrouwe en na haar dood nam haar zoon uit haar huwelijk met jhr. Loudon het over.
Grondbezit = inkomsten = rijkdom Utrecht werd vanaf ongeveer 1620 tot 1640 geteisterd door pestplagen, misoogsten, overstromingen en invallen van Spaanse troepen.



De daaropvolgende grote agrarische depressie duurde van 1670-1750. De verarming van het
geslacht Van Hardenbroek begon in de eerste periode met de landbouwcrisis van 1620-1640
en met Pieter die in diezelfde tijd door zijn handel en wandel zijn politieke hand overspeelde. 

Uit het archief van Hardenbroek blijkt niet hoe groot het grondbezit was toen Pieter met de ridderhofstad werd beleend; wel dat Pieter schulden had en grond heeft moeten verkopen, onder andere op last van het Hof van Utrecht ' Leenbrieven en koopakten komen gedurende de hele zeventiende eeuw niet in het archief voor en in 1684 moest de ridderhofstad executoriaal verkocht worden.



Het grondbezit was in 1684 54 morgen en is in 1748, als Johan Adolph Hardenbroek koopt.

gegroeid tot 100 morgen’ Johan Adolph van Hardenbroek en zijn zoons breidden het grondbezit van Hardenbroek enoem uit Het Van Slingelandt-kapitaal zorg-de ervoor dat de familie de agrarische depressie, die pas in de loop van de achttiende eeuw eindigde, doorkwam.


Van ridderhofstad naar classicistisch woonhuis


Het zeventiende eeuwse huis Hardenbroek kennen we uit twee tekeningen van Roelant Roghman uit 1646-1647. De woontoren van Gijsbert van Hardenbroek is daar niet meer op te zien, de grote middeleeuwse zaalbouw nog wel, Het samenstel van de diverse bouwdelen met trapgevels en duiventil biedt nog een middeleeuwse aanblik. Ook in het Sticht was het classicisme, dat rond 1630 in hofkringen begon, toen al lang de heersende bouwstijl en een leidende figuur in de Stichtse Ridderschap als Pieter van Hardenbroek zou deze stijl bij nieuwbouw van zijn eigen huis zeker hebben gevolgd. Architectuur is het visitekaartje van de bewoner; de vervallen muur om de binnen-
plaats zegt genoeg.

Getuige de tekening van Jan de Beijer uit 1750 werd Hardenbroek werd pas een eeuw later door de ‘burger’ Willem Kerckrinck in een classicistisch jasje gestoken. De eerstvolgende bekende tekening van het huis Hardenbroek is van dezelfde Jan de Beijer uit 1779 en laat een ingrijpende verbouwing in een opvallend monumentale neoclassicistische vormentaal zien. Er is een mezzanine bijgekomen, een fronton met het familiewapen erin en het huis heeft hoekpartijen gekregen door de hoekrisalieten. De hoge schilddaken daarop moeten de suggestie van torens wekken.



Ook de entree is monumentaler geworden en met een timpaantje bekroond waarin het jaartal 1762 staat, Johan Adolph was er veel aan gelegen geweest om het geschonden imago van zijn familie uit 

te wissen in een imposante architectuur die de ‘burgerepisode' tiet verbleken.

De tuin verandert mee met het huis

Met de opkomst van het classicisme doet de in de architectuur nagestreefde harmonie in de  onderlinge maatverhoudingen ook haar intrede in de tuinaanleg. De tuinstijl die het Hollands
Classicisme wordt genoemd. kenmerkt zich door een rechthoekige, gesloten aanleg omgeven door lanen of grachten met boomsingels. De centrale as werd vanuit het huis doorgetrokken in de tuin en ter weerszijden daarvan werden symmetrisch vierkante of rechthoekige tuinbedden aangelegd. De bedden het dichtst bij het huis waren in het algemeen bestemd voor de siertuin, meer naar achteren lagen achtereenvolgens de moestuin, de boomgaard en de hakhoutbosjes.

Zeventiende eeuw

Rond 1650 had het Hollands Classicisme zijn  intrede op Hardenbroek nog niet gedaan,

want op de tekeningen van Roghman blijkt niet of nauwelijks sprake te zijn van cen tuin.
Het enige element dat aan de aanleg van een siertuin doet denken is de berceau (loofgang),
een veel voorkomend element in een Renaissancetwin. Er zijn boomsingels geplant
ter weerszijden van het huis en er staan boomgroepen aan de achterkant, maar van een duidelijk zichtbare tuin- of parkaanleg is geen sprake.

In het archief van Hardenbroek bevindt zich een getekende plattegrond, helaas niet gedateerd en anoniem, van een simpele versie van een gecombineerde sier- en nutstuin. De plattegrond is heel schematisch opgebouwd uit losse elementen, de centrale as loopt vanuit het buis door in de tuin en bruggeties scheiden de vier compartimenten van de ‘blomtuijn' van de ‘moestuijn' en de ‘boogert’. Direct naast het huis ligt heel praktisch de ‘blijck’ en daarachter de ‘aspersie hof . De bruggetjes doen vermoeden dat er twee dwarsgrachten lagen binnen een door lanen omgeven rechthoek.

Het Utrechts Archief dateert deze anonieme tekening op circa 1750 maar dat lijkt mij te laat. Een dergelijke tuinaanleg laat zich beter dateren in de tweede helft van de zeventiende
eeuw. Een mogelijke aanwijzing dat de ridderhofstad toen een hollands-classicistische tuin
gehad zou kunnen hebben komt uit een anonieme tekening van Hardenbroek in 1694 waar op
de voorhof rechthoekige tuinbedden zijn aangelegd. Een tuinaanleg aan de achterzijde van
het huis zoals op de anonieme plattegrond zou hiermee goed te verenigen zijn, ook wat het
jaartal betreft. Volgens de plattegrond op een landmeterkaart van 1688 was er in dat jaar
echter geen classicistische tuinaanleg aan de achterzijde van het huis, dus het blijft gissen
of dit ontwerp ooit is uitgevoerd.



Achttiende eeuw

De modieuze tuinstijl in 1750 is een geheel andere dan die van het anonieme tuinplan. De tekening van Jan de Beijer uit 1750 laat zien dat, hoewel het hondenhok nog op het voor plein staat, het beeld van Hardenbroek toch vooral bepaald wordt door de aanleg van de tuin aan de achterkant die samenhangt met het classicistische huis op de voorgrond. De met hagen en boomsingels omsloten tuin wordt op de centrale as vanuit het huis doorbroken; de gracht heeft een halfronde vorm gekregen met daarachter terrassen en sierbeplanting. 

Een tuinaanleg die eindigt in een halve cirkelvorm en onderbroken wordt door een centraleas die in het oneindige voortloopt, is een geliefd motief in de Franse barok-classicisti sche tuinaanleg die vanaf het eind van de zeventiende eeuw in zwang raakte en waarvan in de onmiddellijke omgeving van Langbroek de formele tuinen van Slot Zeist uit circa 1680 het grote voorbeeld waren. Dergelijke formele tuinen waren strikt symmetrisch ter weerszijden van de centrale as ingedeeld en volgens strenge regels en maatverhoudingen opgebouwd. De maten van de verder van het huis gelegen elementen bepaalden de afmetingen van de dicht bij het huis gelegen elementen, tot en met de exacte hoogte en breedte van hekken en hagen.



In het archief van Hardenbroek zit een nota van 50 gulden voor trinaanleg van Ludovicus Iven, gedateerd 29 juli 1735 met op de achterzijde een prachtig ingekleurde parterre Parterres lagen gewoonlijk dicht bij het huis en de fraaiste exemplaren hoorden over de hele breedte direct tegen het huis aan te liggen. 

Samen met de terrassen vormden zij als het ware de overgang tussen interteur en exterieur.
Parterres zoals die van Iven, zogenaamde parterres de broderie, werden gekenmerkt door ingewikkelde 'kanten' patronen en waren erg duur in aanleg en onderhoud. Het patroon
werd uitgelegd in planten en steenslag. De witte open ruimten bestonden meestal uit zand.
Voor de randen, de pate bandes, werd vaak buxus gebruikt.

Populair waren ook gras of bloemen met lage rozenstruiken, soms met op regelmatige afstanden in lage vormen gesnoeide dwergboompjes ertussen. Buxus en bloemen stonden in opgehoogde bloembedden, soms alleen rondom de parterre, soms ook in het midden.

In het parterre van Iven zouden de grijze delen dus beplant kunnen zijn geweest en de terra gekleurde delen mogelijk zijn uitgelegd in steen- of marmerslag. We weten echter niet of en, zo ja, waar zijn parterre is uitgevoerd. Omdat een schaal ontbreekt, zijn ook de afmetingen van de parterre onbekend.



Het is niet precies bekend of Johan Adolph naast het huis ook de tuin ingrijpend heeft veranderd. Als hij het huis koopt is er al een oranjerie op het voorplein. Vanaf de late achttiende eeuw begon de aanleg van landschappelijke tuinen naar Engels voorbeeld, aanvankelijk binnen de vakken van een barokke tuinstructuur. Meestal begon het nabootsen van meer natuurlijke werd in het achterste gedeelte van de tuin, soms in een aparte rondwandeling.

In het archief van Hardenbroek bevindt zich een ingekleurd ontwerp voor een parkaanleg met hevig slingerende paden en waterlopen in een bebost en glooiend terrein. Hier heeft de ongerepte natuur van Arcadia volledig de plaats ingenomen van de geometrie. De tekening is ongedateerd en niet gesigneerd. Of Hardenbroek in Johan Adoplh's tijd ergens deze vroeg-landschappelijke tuin heeft gehad is goed mogelijk, maar het enkele ontwerp biedt daarover geen zekerheid. Gezien de
voortdurende moeite en kosten die Johan Adolph zich heeft getroost om Hardenbroek te verfraaien is het waarschijnlijk dat zijn bemoeienis ook de tuinaanleg heeft gegolden.



De tekening van Van de Weijer duidt daar ook op. Maar of en in hoeverre hij veranderingen in de vroege-landschapsstijl heeft aangebracht is onbekend. Uit het archief van Hardenbroek blijkt nergens dat Johan Adolph uitgaven heeft gedaan betreffende de tuinaanleg, terwijl hij de uitgaven bebreffende de verbouwingen precies bijhield.

Tot slot, de huidige tuinaanleg roept geen herinneringen aan Arcadia op. Het huis daarentegen weerspiegelt nog heden ten dage de statuur van Johan Adolph. Hij was de Van Hardenbroek die er door de uitbreiding van het grondbezit en de verbouwingen van het huis, in slaagde het geschonden prestige van het oude geslacht Van Hardenbroek in ere te herstellen.

Burgemeester Van Hardenbroek

van gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven




Gijsbert Karel Duco Baron van Hardenbroek was burgemeester van Bunnik, Odijk en Werkoven. Hij werd geboren 30 augustus 1859 te Den Haag en overleed op 22 november 1941 te Driebergen. Hij werd 82 jaar. Gijsbert was ambachtsheer van Bergambacht en 's-Heeren Arenberg en kamerheer i.b.d. van koningin Wilhelmina.



Gijsbert trad in 1885 in het huwelijk met Coenradina Caroline Theodora de Pesters, Vrouwe van Cattenbroek. Zij werd geboren op 26 januari 1865  en overleed op 15 april 1923 door een auto-ongeluk in Bunnik.

Caroline werd maar 58 jaar oud. Zij was ook de eerste die in het familiegraf werd bijgezet. Gijsbert is in 1941 als tweede persoon bijgezet.

Uit het huwelijk van Gijsbert en Caroline kwam een oudste zoon en twee dochters voort.

De jongste dochter Wilhelmina Nicolasina Baronesse van Hardenbroek (1892-1966) was in de jaren vijftig van de twintigste eeuw hoofddiaconesse in het Diaconessen Ziekenhuis te Arnhem. Zij maakte de opening van het ziekenhuis .in 1953 mee en ze werd in 1956 koninklijk onderscheiden met een lintje.





In 1958 ging ze met pensioen waarna ze 8 jaar overleed in 1966 op 74 jarige leeftijd. Ze had geen kinderen en koos ervoor om bij vader Gijsbert en moeder Caroline als laatste in het familiegraf te worden bijgezet in Bunnik op de Algemene Begraafplaats te Bunnik.