Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Familie Van Heeckeren -  

Van Rechteren Limpurg van Beverweerd

Van Rechteren (ook: Van Rechteren Limpurg en: Von Rechteren-Limpurg-Speckfeld) is een oud adellijk geslacht uit Gelderland, later: Overijssel.

Oorsprong en geschiedenis

De bewezen stamreeks begint met Fredericus van Hekeren (van der Ese), die in 1327 wordt vermeld als schout van Twente en in 1357 overleed. De titel baron wordt sinds 5 juni 1350 gevoerd. Zijn zoon Frederik van Heeckeren van der Eze (1320-ca. 1386), een van de machtigste edelen van zijn tijd, verwierf door zijn huwelijk met Lutgardis van Voorst het kasteel Rechteren in de gelijknamige buurtschap bij Dalfsen. De familie Van Voorst tot Voorst stamt eveneens in mannelijke lijn af van dit echtpaar.

De familie van Rechteren is nog immer eigenaar van de kastelen Rechteren en Almelo. Daarnaast bewoont de familie de oranjerie van het voormalige kasteel Enghuizen.

Familie

In de loop der eeuwen ontstaan er vele familietakken. De drie zonen van Joachim Adolf, heer van Rechteren, overl. 12-2-1682/6 vormen de volgende takken:.

1.   Rechteren-Rechteren: Johan Zeger van Rechteren, heer tot Rechteren, geb. 1655, overl. 13-3-1701.
2.   Rechteren-Almelo: Adolf Hendrik, rijksgraaf van Rechteren, heer van Almelo vanaf 1674, geb. 10-3-1656, verheven tot graaf van het Heilige Roomse Rijk 25-10-1705, overl. 15-3-1731.
3.   Rechteren-Mennigjeshave (uitgestorven 1839): Frederik Rudolf van Rechteren, heer tot Mennigjeshave, geb. 3-5-1664, overl. 17-3-1742 .


De tak Rechteren-Almelo vertakt zich reeds met de zonen van Adolf Hendrik:

2.1.   Rechteren-Almelo (uitgestorven 1771): Adolf Philip Zeger rijksgraaf van Rechteren, heer van Almelo vanaf 1731, geb. 19-2-1699, overl. 4-11-1771
2.2.   Rechteren-Noorddeuringen (uitgestorven 1798): Frederik Willem (Frits) rijksgraaf van Rechteren, heer tot Noorddeurningen, geb. 14-1-1701, overl. 14-7-1770
2.3.   Rechteren in Gramsbergen, Collendoorn en Hofstede (uitgestorven 1831): Reinhard Burchard Rutger rijksgraaf van Rechteren, heer van Gramsbergen en tot Collendoorn, geb. 5-7-1702, overl. 23-1-1780
2.4.   Rechteren-Velner-I (uitgestorven 1731):Rudolf Bernard Volkert rijksgraaf van Rechteren, heer tot Velner, geb. 29-9-1703, overl. 27-4-1731
2.5.   Rechteren-Velner-II (uitgestorven 1789): Karel August Emanuël rijksgraaf van Rechteren, heer tot Velner, geb. 3-11-1708, overl. 15-5-1789
2.6.   Rechteren in Westerveld, Appeltern en Ahnen (uitgestorven 1902): Jacob Hendrik rijksgraaf van Rechteren, heer tot Woudenberg en Westerveld, geb. 2-11-1709, overl. 2-12-1783
2.7.   Rechteren in Laer en Borgbeunimngen (uitgestorven 1801): Johan Lodewijk (Louts) rijksgraaf van Rechteren, heer tot Laer, Borgbeuningen en Borgele, geb. 13-12-1714, overl. 5-3-1762

Rechteren-Rechteren en het graafschap Limpurg-Speckfeld

Op 23-10-1711 werd het huwelijk gesloten tussen Joachim Hendrik Adolf, graaf van Rechteren tot Rechteren, Schuilenburg en Ehze (geb. 28-11-1687, overl. 15-3-1719) met Amalia Alexandrina Frederica van Limpurg (geb. 5-6-1689, overl. 2-4-1754). De bruid is een van de drie dochters en erfgenamen van Georg Everhard, laatste graaf van Limpurg-Speckfeld (overl. 1705). 

Haar zuster Christine, die mede-erfgenaam was in Speckfeld overleed in 1765 zonder nakomelingen. Na een verdrag met de erfgenamen van der derde zuster Frederika Augusta kwam het graafschap Speckfeld in 1772 geheel in het bezit van de familie Rechteren. Dit graafschap was Reichsunmittelbar, wat betekent dat het een van de honderden Duitse staten was. De zoon van Joachim Hendrik Adolf en Amalia Alexandrina Frederica was graaf Johan Everhard Adolf (geb. 2-11-1714, overl. 1754). deze huwde op 14-7-1746 Sophia Carolina Florentine (geb. 6-4-1725, overl. 3-7-1805), dochter er erfgename van Adolf Philips, graaf van Rechteren-Almelo (geb. 19-2-1699, overl. 4-11-1771). 

Na de dood van haar vader volgt zij hem op als vrouwe van Almelo. Dit betekent dat na haar dood in 1805 haar zonen zowel Limpurg-Speckfeld als Almelo en Rechteren bezitten. Twee zonen verdelen de bezittingen, waardoor er een Duitse tak en een Nederlandse tak ontstaan. 

Het graafschap Limpurg-Speckfeld verliest zijn zelfstandigheid door de Rijnbondakte van 1806 en wordt deel van het koninkrijk Beieren. Het graafschap is gemediatiseerd en de eigenaar blijft deel uitmaken van de Europese hoge adel. 

Op 6-11-1819 vindt een verdeling plaats. Graaf Frederik Reinhard Burchard Rudolph (geb. 22-9-1752, overleden 20-6-1842) staat zijn rechten in de heerlijkheden Rechteren, Almelo, Vriezenveen en Verborg af aan zijn ouder broer graaf Frederik Lodewijk Christiaan (geb. 29-2-1748, overl. 8-9-1814) in ruil voor het alleenrecht in het graafschap Limpurg-Speckfeld. Op 26-5-1818 wordt hij erfelijk rijksraad in Beieren en verleent de Beierse koning hem het predicaat Erlaucht. Dit wordt op 22-4-1829 bevestigd door de Duitse Bondsdag. Dat de jongere tak nu hoger in rang staat dan de oudere tak is zichtbaar in de Almanach de Gotha.

Adelsbesluiten

In 1705 werd Adolph Hendrik van Rechteren door keizer Jozef I verheven tot graaf van het Heilige Roomse Rijk.

Vanaf 1814 werden verschillende leden van het geslacht benoemd in de ridderschap van Overijssel waardoor zij en hun nageslacht het predicaat jonkheer (jonkvrouw) mochten gaan voeren. In 1822 werd voor verschillende leden de titel van graaf (gravin) gehomologeerd.

Duitse hoge adel

Bij besluiten uit 1823 en 1829 werden jhr. Frederik Reinhard Burchard Rudolf van Rechteren Limpurg (1752-1842) en zijn nakomelingen ingelijfd in de Beierse adel en werden zij erkend te behoren tot de Hohe Adel met het predicaat Erlaucht. In 1911 werd het predicaat verleend aan alle afstammelingen. Deze tak stierf in 1995 uit.

Nieuw Duits grafelijk geslacht (1979)

Een van de laatste telgen van deze Duitse hoogadellijke tak was Luitgard Gräfin von Rechteren-Limpurg-Speckfeld (1910-1960). Zij trouwde in 1948 met Bechtold Ulrich Freiherr von und zu Massenbach (1908-1998). Uit dit huwelijk werd een zoon geboren: Icho Rubus Friedrich Sylvius Constantin Freiherr von und zu Massenbach (1950). Deze laatste werd in 1973/1975 wettelijk geadopteerd door zijn van oorsprong Nederlandse grootmoeder Adolphina Adriana Gräfin von Rechteren-Limpurg-Speckfeld née gravin van Rechteren (1888-1974). In 1979 werd dit bekrachtigd door een besluit van het Deutscher Adelsrechtsausschuß. Daarmee werd Icho de stamvader van het in 1979 ontstane nieuwe geslacht von Rechteren-Limpurg-Speckfeld en voert hij sindsdien naam en titel Icho Graf von Rechteren-Limpurg-Speckfeld, titels die ook aan zijn nageslacht worden doorgegeven; dit nieuwe geslacht behoort niet tot de hoge adel.

Kasteel Beverweerd

Beverweertseweg 60, 3985 RE, Werkhoven.

 Naar een tekst van Saskia van Ginkel-Meester en Taco Hermans.

Uit het boek Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, onder redactie van B. Olde Meierink, Utrecht, Uitgeverij Matrijs, 1995.

Aangevuld met diverse afbeeldingen en foto's door SHH uit diverse bronnen.

HET VAN OORSPRONG 13DE-EEUWSE KASTEEL LIGT OP een eilandje direct aan de Kromme Rijn en wordt omgeven door een landschappelijk aangelegd park met gazons, boompartijen en slingerende paden’. Beverweerd ligt ongeveer 1 km ten noordoosten van de plaats Werkhoven aan de Beverweertseweg in de gemeente Bunnik. Hoewel het kasteel een neogotisch aanzien heeft, is een belangrijk deel van het middeleeuwse gebouw bewaard gebleven.


GESCHIEDENIS

De oudst bekende bewoners van Beverweerd zijn ridder Zweder vaan Zuylen, ook genoemd van Beverweerd, en zijn echtgenote Hillegonda of Hildegundis van de Velde, vrouwe van Beverweerd. Zweder behoorde tot de partij die de elect-bisschop Jaan van Nassau steunde. Na de inval van Gijsbrecht IV van Amstel in 1274 vluchtte de elect-bisschop, maar bleef Zweder
van Beverweerd fungeren als maarschalk van de bisschop. Hij beloofde in 1278 in het geheim aan graaf Floris V van Holland om hem te helpen Utrecht te heroveren. Deze onderneming had
succes, zodat de elect-bisschop terug kon keren. Kort na 1283 stierf de vader van Zweder, Steven, die te Wiltenburg woonde. Zweder vertoefde zo vaak bij zijn moeder aldaar, dat hij zich soms Zweder van Wiltenburg noemde.

In 1290 wijzigden de politieke verhoudingen opnieuw: de elect-bisschop werd afgezet en Zweder ging zich meer richten op Holland. Toen op 4 februari 1296 Willem Berthout van Mechelen bisschop werd, liet deze alle Hollandsgezinden uit de stad Utrecht zetten. Zweder en zijn moeder zijn toen uitgeweken naar Beverweerd. Na het overlijden van Hildegonda weigerde bisschop Willem II om Zweder met Beverweerd, het bezit van zijn echtgenote, te belenen. Om uit de zo ontstane impasse te
geraken, beleende Willem in 1296 Nicolaas van de Velde, een familielid van Hillegonda, ‘om Beverweerd (als) dienstmansstat van de bisschop en de Utrechtse kerk te behouden’ met 40 mor-
gen land rondom het kasteel en het wereldlijk gerecht met de tiend van Oud-Kamerik.


Zweder bleef op Beverweerd wonen en hertrouwde in 1299 met Bertha van Brakel.

Toen hij in 1304 op Duiveland stierf ontstond er onenigheid tussen zijn erfgenamen. De Van Brakels behielden wat ze bezaten tijdens het leven van Zweder, terwijl de Van Zuylens de leengoederen en leenmannen ontvingen. Bertha ging zich nu Van Zuylen van Beverweerd noemen en hertrouwde met Gijsbrecht van Ruwiel. Aan het geslacht Van Zuylen ontleende het kasteel het wapen met drie zilveren zuilen in blauw. Leenheer bleven de Van de Velde’s. Zo werd na het overlijden van Nicolaas van de Velde op 6 mei 1307 zijn zoon Gerrit met

Beverweerd beleend. Uit haar tweede huwelijk kreeg Bertha een dochter, Machteld, die eerst met Otto van IJsselstein huwde en kort na diens overlijden in 1354 met Zweder van Vianen. Zo
kwam Beverweerd in het bezit van het geslacht Van Vianen. Eris daarna geen leenmanschap van de Van de Velde’s bekend, zodat dat waarschijnlijk rond die tijd is beëindigd’.

Jan van Vianen, de zoon van Machteld, huwde met Elisabeth van Buren en werd in 1395 met Beverweerd beleend. Hun kleindochter Johanna van Vianen, dochter van Gijsbrecht van Vianen en
Clementia van Poeke, huwde in 1465 met Johan van Bouchout. Hun zoon Daniël werd in 1502 met het goed beleend. Zijn dochter Maria van Bouchout was getrouwd met Hugo de Lannoy,
heer van Roulencourt, een lid van de hoge adel. Uit dit huwelijk werd een dochter geboren, Francoise. Zij trouwde met Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren. Hun dochter Anna
was de eerste echtgenote van prins Willem van Oranje’. Maria van Bouchout, weduwe geworden, hertrouwde in 1536 met Lienry van Hornes. In dat jaar werd Beverweerd als ridderhofstad erkend.

In 1563 erfde Philips Willem, enige zoon van Anna van Buren en prins Willem van Oranje,

Beverweerd van zijn overgrootmoeder Maria van Bouchout. Toen hij in 1618 kinderloos stierf ontstond er tussen zijn halfbroer Maurits en zijn achterneef Philips de Merode een geschil over de erfenis; uiteindelijk viel het goed in 1620 prins Maurits toe. Beverweerd zou gedurende meer dan
twee eeuwen in het bezit van de Nassau’s blijven. In 1627 kwam het goed in het bezit van Lodewijk van Nassau, bastaardzoon van prins Maurits en Margaretha van Mechelen. Hij was gehuwd
met Elisabeth gravin van Hornes. Zij hadden drie zonen. De oudste, Maurits van Nassau, werd in 1665 heer van Beverweerd.

Zijn jongere broer Willem Adriaan was heer van Zeist. Na de dood van zijn vader in 1685 werd de derde zoon, Maurits Lodewijk, heer van Beverweerd.

De Van Nassau’s woonden voornamelijk in Den Haag. Zij stelden een rentmeester aan voor Beverweerd. Het benoemingsrecht van de schout van Odijk was in handen van de heren van
Beverweerd en vaak verkreeg de rentmeester ook het schoutsambt.

Maurits Lodewijk werd op zijn beurt in 1734 opgevolgd door zijn zoon Hendrik Carel. Aanvankelijk kreeg hij alleen het huis met omringende tuinen, maar na 1751 ook de bijbehorende landerijen.



Hij was getrouwd met de gefortuneerde Margaretha Huguetan, dochter van een Amsterdamse hugenotenfamilie. Na haar dood hertrouwde Hendrik Carel met Johanna Gevaerts.
Hun dochter Henriëtta Johanna Susanna Maria bracht het goed door haar huwelijk in 1782 in het bezit van de familie van haar echtgenoot Evert Frederik baron van Heeckeren van Enghuizen.
In 1831 kwam het goed aan hun zoon Hendrik Jacob Carel Johan (of Evert, beide namen komen voor), die gehuwd was met Elisa Hope-Williams. Zij lieten tussen 1835 en 1862 het kasteel en
omringende tuin grondig veranderen. In 1862 lieten zij het kasteel bij testamentaire dispositie na aan hun kleinzoon Hendrik Jacob Carel Johan Walraven baron van Heeckeren, heer van
Beverweerd, Odijk en Enghuizen.


Beverweerd bleef tot 1908 in deze familie, totdat erfdochter Marguerite Christine het in de familie van haar man Adolph Zeyger graaf van Rechteren Limpurg bracht. Hun dochter Lutgardis, gehuwd met Constantin Friedrich 

graaf zu Castell-Castell, verkocht in 1958 het kasteel met direct omringende tuin aan de Stichting voor Quakerscholen Nederland. De landerijen

bleven in bezit van de familie. De bijbehorende boerderijen, te herkennen aan identiek geschilderde luiken in de kleuren okergeel, rood en groen, zijn recentelijk nagenoeg alle verkocht aan de pachtboeren. Na het overlijden van Lutgardis in 1989 is het bezit onder beheer van haar erfgenamen gesteld. Haar dochter Odilia Prinzessin Reuss zu Castell-Castell voert thans het rentmeesterschap. In het kasteel is de ‘Beverweert International School’ gevestigd.

BROUWGESCHIEDENIS

Het oudste gedeelte van het kasteel is de rechthoekige woontoren uit de tweede helft van de 13de ecuw. De toren met een buitenwerkse maat van 13,5 X 10,3 m vormt het hart van het huidige
kasteel. Slechts één gevel van deze toren is aan de buitenzijde waarneembaar en dat is de gevel waarin zich thans de huidige hoofdtoegang bevindt. De ongeveer 1,3 m dikke muren zijn
opgetrokken uit zeer grote bakstenen en voor zover dit is vast te stellen gemetseld in Vlaams verband. De toren telde boven de kelder twee woonlagen en was gedekt met een zadeldak.

De bovenste balklaag bevat eiken balken, die vroeger de functie van moerbinten gehad moeten hebben“, In de zuidwestelijke gevel zijn bij bouwhistorisch onderzoek in 1958/59 op de begane

grond en de eerste verdieping doorgangen en kleine vensters aangetroffen? In het huidige gebouw bevinden zich mogelijk ook nog resten van een ommuring en verbindingsmuren tussen woontoren en ommuring. Misschien is met de toren de ‘castrum de Beverwerde’ bedoeld die op 27 augustus 1296 voor het eerst is genoemd.

In de tweede helft van de 13de eeuw zijn, mogelijk nog in opdracht van Zweder van Zuylen, aan de ommuring de zuidelijke en de westelijke hoektoren toegevoegd. Op een kaart van Beverweerd uit 1631 wordt de indruk gewekt dat de westelijke toren hoger was dan de zuidelijke". De zuidelijke toren meet buitenwerks 7 x 7 m, de westelijke toren 6 x 6 m. Het metselwerk van deze torens is eveneens opgetrokken uit een groot formaat baksteen en gemetseld in Vlaams verband.


In de eerste helft van de 14de eeuw is tegen de noordoostgevel van de westtoren een nagenoeg vierkant gebouw opgetrokken, waardoor een verbinding tot stand kwam tussen de westelijke
hoektoren en de woontoren. In de kap van dit gebouw zijn onderdelen van een eiken kapconstructie bewaard gebleven, zoals spantbenen, korbelen en dekbalken. Omdat het gebouw, zoals we hierna zullen zien, vóór 1646 lijkt te zijn verlaagd, behoren deze onderdelen of niet meer tot de oorspronkelijke kapconstructie of zijn ze hergebruikt, maar dit laatste kon niet worden aangetoond. De woontoren is in de 15de eeuw verhoogd en voorzien van een arkeltorentje op de zuid- en oosthoek.

Van deze verhoging is een deel van het muurwerk bewaard gebleven en daarin zijn een aantal vensternissen aangetroffen met plavuizen op de vensterbanken. Het vierkante gebouw tegen de westtoren is rond 1550 (ten tijde van Maria van Bouchout) met een lagere vleugel naar het noord-

oosten verlengd tot voorbij de woontoren.

In de kap van dit bouwdeel zijn onderdelen van een eiken kap bewaard gebleven, maar ook hier geldt: of niet van de oorspronkelijke kap of hergebruikt, omdat het gebouw vóór 1745 weer is verhoogd, gezien de tekening van Jan de Beijer uit dat jaar. Gelet op de overeenkomst in houtmaten en telmerken tussen deze kap en de kap van het hiervoor genoemde vierkante gebouw is het niet ondenkbaar dat dit kort na 1646 is gebeurd.


Eveneens rond 1550 is tegen de noordoostgevel van de woontoren een laag gebouw opgetrokken. Dit lage gebouw bevatte aan de noordoostzijde een vijfzijdige uitgekraagde erker, die mogelijk een kapel bevatte. Ook dit bouwdeel is vóór 1745 verhoogd en toen tevens verlengd en onder één dak gebracht met de twee vleugels aan de noordwestzijde. De kap bevat hier onderdelen van grenehout met duidelijk afwijkende telmerken. De afwijking in de houtsoort zou kunnen duiden op hergebruik bij de twee andere kappen.

In het tweede kwart van de 17de eeuw is de oude binnenplaats aan de noordwestzijde dichtgebouwd met een langwerpige vleugel tussen de beide hoektorens en is het kasteelterrein aan de zuidoostzijde uitgebreid met een nieuwe ommuurde binnenplaats. Vanaf dat moment beschikken we over een groot aantal topografische afbeeldingen, die ons in staat stellen de wijzigingen die het kasteel vanaf dat moment ondergaat vrijwel op de voet te volgen. Een heel goed beeld geven de twee tekeningen van Roelant Roghman uit omstreeks 1646, één uit het noorden en één uit het zuiden. De zuidelijke hoektoren had toen al geen dak meer en uit de aftekening van een dakmoet op de noord-
oostgevel van de westelijke toren mogen we aannemen dat de vleugel, die hier in de eerste helft van de 14de eeuw tegenaan gebouwd is, in oorsprong hoger is geweest. Zoals hiervoor reeds opgemerkt zijn de vleugels aan de noordwest- en noordoostzijde vóór 1745 verhoogd, mogelijk nog in het derde kwart van de 17de eeuw.


Het middeleeuwse uiterlijk van het kasteel Beverweerd, met zijn door verbouwingen en aanpassingen ontstane onregelmatigheden, werd omgevormd tot een strak, regelmatig gevormd landhuis met een ‘nette’ uitstraling. Om toch aan de romantische behoeften van die tijd tegemoet te komen werden namaak kantelen aangebracht, zodat het geheel weer een kasteelachtig uiterlijk kreeg. De westelijke toren werd omgevormd tot een trappehuis. Hiertoe werden alle verdiepingsvloeren, op het gewelf van de kelder na, weggebroken en werd de vierkante binnenruimte
door overhoeks geplaatste schijnmuren in een achtkant veranderd. In de zo ontstane ruimte werd een eikehouten spiltrap geplaatst. De enkele steile toegangstrap aan de zuidzijde van het kasteel werd vervangen door een gebogen dubbele trap, die naar een bordes leidt.

Het kasteel heeft een nagenoeg rechthoekige plattegrond met aan de Kromme Rijnzijde twee uitspringende hoektorens. Het gebouw bestaat uit een souterrain, twee verdiepingen en een
zolderetage onder pangedekte zadel- of schilddaken. De torens hebben nog een derde verdieping en zijn voorzien van een met leien gedekt tentdak. Een dubbele gebogen trap leidt via een
bordes naar de hoofdingang. Hierboven is een gevelsteen geplaatst met de tekst: ‘MCC 1200 was ik reeds gesticht MDCCCXXXV1 1836 ben ik door H J.C.J. baron van Heeckeren, heer van Enghuizen, Beverweerd, Odijk enz, verbouwd’. Het gehele gebouw vertoont een duidelijke horizontale geleding,
gemarkeerd door profiellijsten, corresponderend met de verschillende etages. Iedere etage heeft een eigen raamvorm. In het souterrain zien we dubbele draaivensters, veelal voorzien van diefijzers. Op de bel-etage zijn zogenaamde fenêtres à terre geplaatst, voorzien van bovenlichten met een vierpasmotief.

Aan de Kromme Rijnzijde verschaffen zij toegang tot een balkon, voorzien van een gietijzeren balustrade en gedragen door consoles in de vorm van een bever. Aan de overige zijden zijn de vensters voorzien van een laag smeedijzeren hekwerk of Frans balkon. De tweede verdieping heeft ook fenêtres à terre, voorzien van een hekwerkje maar zonder bovenlicht. Op de derde verdieping van de torens zijn spitsboogvormige vensters te zien. Alle vensters hebben gepleisterde omlijstingen. Langs de dakgoot zien we rondom gepleisterde kantelen. Bij de torens zijn hieronder een gepleisterd rondboogfries en cirkelvormige ornamenten aangebracht. Het gebouw is opgetrokken uit bakstenen waarvan de verschillende formaten een verwijzing zijn naar de diverse bouwperiodes van het kasteel.


Het kasteel is in 1934 grotendeels van de 19de-eeuwse pleisterlaag ontdaan. Nadat het kasteel was verkocht is het in de jaren 1958-1959 naar ontwerp van de architect W. van der Horst uit Driebergen verbouwd en geschikt gemaakt voor de huisvesting van een school van de Stichting voor Quakerscholen. Kort te voren had gravin Lutgardis zu Castell-Castell alle aan het familieverleden herinnerende elementen laten verwijderen.

OMGEVING

Aan de noordoostzijde lag een voorburcht met poortgebouwen. Een dubbele stenen boogbrug en ophaalbrug vormden de toe gang tot het kasteel. De voorburcht was in de 17de eeuw een vrijwel vierkant terrein met op de noordhoek een lage rechthoekige toren, op de oosthoek een smalle vierkante toren en op de westhoek een poortgebouw. Het poortgebouw bestond uit twee
bouwdelen: een poorttoren met onderdoorgang en ten noordoosten hiervan een vierkante toren. Blijkens een tekening van Jan de Beijer uit 1745 was het poortgebouw toen niet meer in
gebruik en was de poortdoorgang dichtgemetseld.

De toegang tot de voorburcht was verlegd en bestond uit een hekwerk tussen gemetselde kolommen. Op de tekening is ook in de vierkante
toren naast de poorttoren een dichtgemetselde doorgang aangegeven, waaruit we mogen concluderen dat deze vierkante toren de oorspronkelijke poorttoren is geweest.

De hoofdingang tot het park en het kasteel bevindt zich nu aan de Beverweertseweg en ligt aan de oostzijde van het park in de as van het kasteel. De ingang wordt gemarkeerd door een monumentaal ijzeren toegangshek. Vanaf het hek loopt via een ijzeren brug de toegangsweg met een bocht naar het kasteel.

Aan de noordzijde leidt een pad via een houten brug naar een zijingang van het park. Vlakbij de hoofdingang staat het koetshuis. In oostelijke richting vanaf de hoofdingang loopt ‘de Laan’, een rechte boslaan naar de Langbroekerwetering. Even voor de wetering maakt deze laan een haakse bocht naar rechts naar het voormalige tolhuis van Beverweerd, thans in gebruik als boerderij.

Aan het begin van de oprijlaan staan twee hardstenen palen met het gekroonde wapen van Nassau en Beverweerd. De beide toegangswegen vanaf de Van Lynden van Sandenburglaan, te weten de Beverweertscweg en de Molenhoeflaan, worden gemarkeerd door groen geschilderde gietijzeren tuinvazen.

Rond het kasteel was in de eerste helft van de 17de eeuw een tuin in geometrische stijl aangelegd met rechte lanen, rechthoekige vakverdeling met broderieperken en tuinbeelden. De beslotenheid van deze tuin werd doorbroken door de aanleg van een toegangsweg, ‘de Laan’, vanaf de Langbroekerwetering in de as van het kasteel. Het kasteelterrein was toen toegankelijk aan de
noordoostzijde.


Het koetshuis uit 1847 is een rechthoekig gepleisterd gebouw onder een afgeplat dak. De centraal geplaatste, vooruitspringende, ingangspartij wordt bekroond door een vierkante gepleisterde toren met kantelen. De gehele voorgevel is voorzien van sierpleisterwerk in de vorm van imitatievoegwerk en lijstwerk. Aan weerszijden van de ingang zien we de oorspronkelijke licht getoogde koetshuisdeuren, voorzien van fraai hang- en sluitwerk.

In het midden van de 19de eeuw werd ook het omringende park sterk gewijzigd. Het kreeg een landschappelijke aanleg. De gebouwen op de voorburcht aan de noordoostzijde van het kas-
teel werden gesloopt. De driedubbele omgrachting van het kasteelterrein werd gedempt of vergraven. Nieuwe bruggen en toegangshekken werden geplaatst.

In 1847 verrees bij de hoofdingang tot het park het koetshuis.

 De Heren en Vrouwe van Odijk en Kasteel Beverweerd



















De heerlijkheid Odijk als erfgoed van de Beverweerdse Nassaus

Naar een onderzoek en tekst van Raymond Uppelschoten,

uit Het Kromme-Rijngebied, 45ste jaargang, 2011, nr. 4.

In 1564 erft Philips Willem graaf van Nassau, zoon van Willem van Oranje, zowel de heerlijkheid Odijk als kasteel Beverweerd. Feitelijk wordt hij eigenaar van de ‘heerlijke rechten’ die daarop rusten, op rechtspraak, bestuur, kerk en financiën. Hij is de eerste Nassau die tegelijkertijd heer van Beverweerd én van Odijk is erna hem zullen er nog zes volgen. Elk maken ze hun eigen problemen mee met de kleine heerlijkheid die als een Gelderse enclave in het Sticht Utrecht ligt. In dit artikel zien we onder andere hoe Odijk in verschillende erfenissen tot vragen en problemen leidt, ontmoeten we de ‘heer van Odijk’ die nooit heer van Odijk was, zien we hoe het testament van prins Maurits over de heerlijkheid Odijk met voeten werd getreden en hoe in 1748 Odijk en Beverweerd
na bijna 30 jaar weer onder één heer konden worden verenigd.'

 Heerlijkheden en heerlijke rechten 

De zestiende-eeuwse heerlijkheden en leengoederen in het Kromme Rijngebied zijn overblijlselen van het Middeleeuwse feodale stelsel. Hierin verdeelden de aanvankelijk Frankische keizers delen van hun rijk onder hun plaatselijke vazallen en kregen die grote delen van het
land in zogenaamd ‘leenroerig’ eigendom. In Nederland waren dat onder andere de graven
van Holland en Gelre en (zoals in het Kromme Rijngebied) de Utrechtse bisschop en kerken. Er
bestond een uitgebreid en ingewikkeld netwerk van rechten en plichten tussen leenheren,
leenmannen en achterleenmannen, variërend van verplichte deelname aan oorlogen, tot een deel van de oogst of symbolische handschoenen die werden uitgewisseld.


Ook de zeggenschap die een leenheer had over zijn leen, varieerde. In een hoge heerlijkheid bezat de leenheer alle macht en alle zogenaamde heerlijke rechten (= rechten die toebehoorden aan de heer), inclusief die van het uitspreken van de doodstraf. In een lage heerlijkheid (ook wel gerecht of ambachtsheerlijkheid genoemd) had de heer rechten op benoemingen van schout, schepenen en kerkdienaars, tolheffing, visserij, belastingen enzovoort.


Odijk vormde nog een speciaal geval, omdat de heer van Odijk in de vijftiende eeuw behalve de normale heerlijke rechten ook het zogenaamde recht van voorkoop had: de mogelijkheid om als eerste een stuk land te kunnen kopen als dat in het gebied van de heerlijkheid te koop werd aangeboden. In de loop der eeuwen wijzigde het leenstelsel aanzienlijk, vooral omdat oorspronkelijke leengoederen werden verkocht, vervreemd of uitgegeven.


En er ontstond steeds meer zogenaamd allodiaal of ‘eigen’ bezit: niet verbonden aan een leenheer of belast met heerlijke rechten. In Odijk zien we zo’n verschuiving nog in 1776, als Hendrik Carel van Nassau (heer van Beverweerd) aan de heer van Nijeveld verzoekt om leenroerig land tot allodiaal te maken en andersom. Dat wordt toegestaan en 5 morgen leengoed in Odijk wordt daarmee allodiaal
bezit, terwijl ruim 6 morgen in Driebergen tot leengoed wordt gemaakt.


In Odijk bleven (behalve op het niveau van de heerlijkheid) resten van het stelsel in stand met de lenen van Vianen, Beverweerd (o.a. boerderij De Beug), de Staten van Utrecht, Sterkenburg en Nijeveld. De afschaffing van de heerlijke rechten in 1798 maakt een einde aan deze vorm van rechten en plichten en daarmee vervalt vooral het recht van de ambachtsheer op de bestuurlijke zaken in een heerlijkheid . Na een kort herstel in 1814 van het bestuurlijke recht (voordracht van
functionarissen) en enkele financiële rechten, wordt het leenrecht in feite beëindigd in 1848.

Heerlijkheid Odijk

Voor we nader ingaan op de relatie tussen de Nassaus en de heerlijkheid Odijk, kijken we
eerst naar het ontstaan van die relatie. Die begint met de oudste gegevens over de heerlijk-
heid Odijk die we hebben, uit het jaar 1001. Odijk behoorde in die tijd niet toe aan de
Utrechtse bisschop of kerken, zoals de meeste dorpen in het Kromme Rijngebied. In Odijk
bezat de Utrechtse kerk in de vroege Middeleeuwen slechts ‘tercia pars ville’, ofwel een
derde van het dorp, zo blijkt uit de goederenlijst van de St. Maartenskerk (Domkerk), gekopi-
eerd in de elfde eeuw. De rechtsmacht van het grootste deel van het dorp was waarschijnlijk
(tezamen met de andere tweederde grond van het dorp) in de vroegere Middeleeuwen
eigendom van de Frankische keizer.


Uit die tijd is Jammer genoeg niets gedocumenteerd. Het eigendom valt alleen af te leiden omdat keizer Otto III rond 1001 de zogenaamde ‘hoven’ (koninklijke domeinen of grote boerderijen) in
Wijk, Werkhoven en Odijk schonk aan aartsbisschop Heribert van Keulen. Aartsbisschop Heribert van Keulen schonk Wijk, Werkhoven en Odijk op zijn beurt in 1019 aan de Benedictijnerabdij van Deutz, die hij zelf had gesticht. In de schenking was ook de hoge en lage rechtsmacht begrepen, zoals
we weten uit een latere akte; in 1147 bevestigt paus Eusenius III de schenking.


Deze blijkt dan te bestaan uit ‘Wic et Werkinge et Odinge justitiam regalem’, ofwel: met
de rechtsmacht zoals die aan de koning toekwam, dus zowel de hoge als lage. Tot 1313 horen we
niets meer van de hof van Odijk. In een administratieve tekst van Deutz uit de 12e eeuw wordt alleen maar geschreven over Wijk. Odijk ging tezamen met Wijk waarschijnlijk in 1256 over in
handen van de hertog van Gelre.

In de akte wordt Odijk niet genoemd, maar we gaan er wel vanuit dat Odijk bij de overdracht was inbegrepen, omdat Gelre in 1313 Odijk bezit. In dat jaar gaf Reinoud 1, graaf van Gelre, het dorp tezamen met Lexmond in pand aan Hubert, heer van Vianen.

Hubert verklaarde op dezelfde dag dat het pand ook losbaar was (de schuld die eraan was verbonden was, kon worden terugbetaald), maar dat is nooit gebeurd. Vanaf 1313 is Odijk dus voorgoed als achterleen in handen van de heer van Vianen gekomen.

Hoe werd dit Gelders/Vianense leengoed Odijk nu een leen van de heren van Beverweerd? Dat gebeurde in 1364 met de belening aan Zweder van Vianen. Deze broer van de heer van Vianen trouwde In 1354 met Machteld van Beverweerd, ontving kasteel Beverweerd in leen van de bisschop van Utrecht en ging zich vanaf dat moment Van Vianen van Beverweerd noemen. Hij combineerde het Utrechtse leen Beverweerd met Odijk als (achter)leen van Gelre en Vianen in één bezit. Daarmee was de combinatie geboren. Tot eind achttiende eeuw, toen het leenstelsel werd afgeschaft, bleef Odijk in handen van de heren en vrouwen van Beverweerd. En dat waren lange tijd de (bastaard)nakomelingen van stadhouder Maurits, graaf van Nassau,

Roerige start bezit van Nassau

In tabel 1 en schema 1 is een deel van de vererving van de heerlijkheid Odijk op een rijtje
gezet. Daarin is te zien dat Philips Willem van Nassau, oudste zoon van Willem van Oranje,
de heerlijkheid Odijk erfde van zijn overgrootmoeder van moederskant, Maria van Boeck-
hout. Philips Willem (1554-1618) wordt in 1564 beleend met zowel Odijk als Beverweerd.
Maar hij is nooit op Beverweerd of in Odijk geweest. De jonge erfprins van Oranje verblijft
sinds zijn jeugd in Leuven, Brussel en Madrid. Koning Philips H van Spanje houdt hem daar
als gijzelaar, om zijn vader Willem van Oranje nog enigszins in bedwang te houden tijdens de
strijd in de Nederlanden. Vanaf april 1567 leidt Oranje namelijk de opstand in de Lage Landen
vanuit Dillenburg in Duitsland.

Op het moment dat Willem van Oranje zijn ware motieven tegen Spanje toont, heeft dit
echter meer consequenties voor de familie dan alleen de gijzeling van de oudste zoon. Alle
bezittingen van Oranje worden geconfisqueerd en dat geldt ook voor Beverweerd. In septem
ber 1568 verschijnen uit naam van Philips II Jan van Lent en Anthonis van Grisperen op
Beverweerd om de lokale bezittingen van de Prins van Oranje in bezit te nemen. Na een
aanvankelijke weigering verleent rentmeester Steven Lobe alle medewerking.

De Odijkse substituut schout van Odijk Laurens Jans en de schepenen Frans Cornelisz. (op Vinkenburg), Jan Jansz de Cruijff en Wouter Cornelisz. (op Attevelt) worden op 22 september 1568 ook ontboden op het kasteel en verklaren diezelfde dag onder ede aan de secretaris van Odijk wat
volgens hen de eigendommen van de graaf van Nassau en diens vader zijn.


Dat de goederen van Willem van Oranjes oudste zoon in beslag worden genomen, is niet zo verwonderlijk. De vader genoot vanwege de ‘onmondigheid’ van zijn zoon nog steeds de voordelen of ‘gardenoble’ ervan. In sommige gevallen was Willem van Oranje zelfs beleend met goederen ten behoeve van zijn zoon Philips Willem. In 1564 werd bijvoorbeeld Jan van Berck, rentmeester van IJsselstein, als gemachtigde van prins Willem van Oranje ten behoeve van Philips Willem van Nassau beleend met het huis Nijendaal in Werkhoven.

In 1576 wordt met de ondertekening van de Pacificatie van Gent de confiscatie van de
goederen van Oranje en Nassau opgeheven en keert het bezit van het leen Beverweerd (en
daaraan gekoppeld Odijk) officieel weer terug in de familie Van Nassau. Dan duikt de heer
lijkheid Odijk ook op in de politieke en vooral financiële geschiedenis van de familie. Op 26
augustus 1586 klaagt Prins Maurits (na de dood van Willem van Oranje in 1584 feitelijk
het hoofd van de familie) over de contributie die wordt gelegd op de heerlijkheid van Odijk.
Hij vraagt om herstel van de privileges die zijn familie had.


Uit naam van zijn broer en zuster, de graaf en gravin van Buren, verzoekt hij dat de familie weer op dezelfde wijze van de heerlijkheid Odijk mag profiteren als voorheen, zeker omdat zijn vader zijn strijd voor de vrijheid met de dood had moeten bekopen. Wat de reden van zijn verzoek was, weten we niet, net zo min als de reactie van de autoriteiten. De geadresseerde van de brief is onbekend.’
Nassau versus Merode Maurits van Nassau (1567-1625) krijgt zelf de heerlijkheid Odijk in bezit na het overlijden van zijn oudste (half)broer.

Philips Willem sterft op 20 februari 1618 in Brussel. Maar de vererving van de leengoederen gaat niet zonder slag of stoot. Uit verre familiehoek eist ene Philips van Merode de eigendommen op van Beverweerd, inclusief de heerlijkheid Odijk. Aanvankelijk wordt hij er ook mee beleend, maar dat wordt teruggedraaid ten voordele van Maurits. Wat is het geval?


Philips van Merode (1568-1627), ot eigenlijk Karel Philips, was een kleinzoon van de
jongere zuster van Maria van Boeckhout (zie schema 1). Daarmee heeft hij wel een punt als
hij de erfenis van Philips Willem opeist. Maurits was immers alleen vanwege de gemeenschap-
pelijke vader verwant aan Philips Willem en de leengoederen van Beverweerd en Odijk zijn
juist vererft via moederskant, als nakomelingen van Daniel van Boeckhout. Van Merode is heel duidelijk over zijn motieven: hij wil zichgraag rekenen tot een vazal van de Staten van Utrecht, de leenheer van Beverweerd.

Mochten de Staten hem belenen met Beverweerd, dan zullen zij er een machtige vazal bij hebben. Eris wel wat onduidelijkheid over deze Philips of Karel Philips van Merode.

In de stukken rond de belening van Beverweerd en Odijk wordt hij alleen maar met de voornaam Philips genoemd. Maar de enige Philips van Merode in deze periode die in aanmerking komt, is geen afstammeling van Van Boeckhout. En deze Philips is ook al verbonden aan het leenhof van Utrecht. Het betreft namelijk een echtpaar Philips en Anna van Merode, waarvan de vrouw al sinds 1593
beleend is met het Utrechtse gerecht Oukoop bij Breukelen en de man door de heer van Via
nen met het gerecht van Diemerbroek (1603).


De enige manier om Karel Philips van Merode de identificeren als de juiste Merode die de erfenis van Beverweerd en Odijk betwist, is via zijn titels: graaf van Middelburg in Vlaanderen en heer van Petersheim. Deze titels worden in de leenakten duidelijk vermeld, waarmee we kunnen concluderen dat we hier te maken hebben met Karel Philips van Merode, de kleinzoon van Francoise van Boeckhout. De aantrekkingskracht van een Stichtse ridderhofstad als Beverweerd maakt het voor de
Zuid-Nederlandse edelman waarschijnlijk de moeite waard bij de Staten aan te dringen op
belening. Het kleine en redelijk arme gerecht Odijk zal daarbij van ondergeschikt belang zijn
geweest.

Op 23 november 1619 beleent de heer van Vianen hem wel met de heerlijkheid Odijk.
Opmerkelijk is dat Maurits al enkele maanden eerder was beleend en de tweede belening aan
Van Merode gewoon wordt ingeschreven in het register van het leenhof van Vianen. Met de
Staten van Utrecht begint Van Merode vervolgens een correspondentie over de betaling
van de successierechten, de zogenaamde 40 penning, oftwel 2,5% van de waarde van de
erfenis. Van Merode schrijft dat Beverweerd en Odijk zo zwaar belast zijn met schulden
(tezamen voor‘bijna 65.000 gulden!) dat hij voorstelt voorlopig 200 gulden te betalen als
voorschot op de echte vaststelling van de 40 penning.

De Staten van Utrecht eisen vervolgens 300 gulden! Maar de belening met Odijk wordt teruggedraaid voor er uitsluitsel komt: in 1620 doet Karel Philips van Merode afstand van de heerlijkheid en wordt Maurits leenman, als erfgenaam van zijn halfbroer.

De reden van de ommezwaai is onduidelijk. Uit de archiefstukken is niet af te leiden of er een
puur juridische reden is. Wellicht achtten de Staten van Utrecht en de heren van Vianen het
beter om de stadhouder tot vazal te hebben dan een Zuid-Nederlandse edelman. Wellicht had
Maurits zelf zijn invloed doen gelden. Hoe het ook zij, met de belening van Maurits, graaf van
Nassau, prins van Oranje, kwamen het kasteel Beverweerd en de heerlijkheid Odijk opnieuw
en nu definitief in handen van de Nassaus van Beverweerd. 

Lodewijk van Nassau, heer van Beverweerd, Odijk en de Lek


Zoals bekend bleef Maurits ongehuwd en be stond zijn uitgebreide kinderschaar uit ‘bastaar
den’, die overigens stuk voor stuk door hem erkend werden. Daaronder waren maar twee
zonen die volwassen werden: Willem (1601-1627) en Lodewijk (1602-1665).  

In zijn testament van 13 april 1621 benoemt Maurits zijn broer Frederik Hendrik tot enige erfgenaam. Op 5 april 1625 wordt echter bij codicil geregeld dat zijn zoon Willem de heerlijkheid van de Lek zal ontvangen, tezamen met de visserij in de Lek en Merwede en de heerlijkheid van de Kralingse- of Stormpolder.

Aan zijn tweede zoon Lodewijk vermaakt hij het huis Beverweerd en de heerlijkheid Odijk.“ Na de dood van Maurits op 23 april van dat jaar, erft Lodewijk van Nassau dus de heerlijkheid Odijk. Zijn broer Willem overlijdt twee jaar later kinderloos, waardoor Lodewijk ook de heerlijkheden van de Lek en Stormpolder én de visserij in de Lek en Merwede erft. Dit wordt de basis van het bezit van deze tak van het geslacht Van Nassau, heren van Beverweerd, Odijk en de Lek.


Lodewijk is heer van Odijk in een periode waarvan we relatief veel weten. De Werkhovenaren vader en zoon Claas Petersz. en Peter Claesz. van Velpen komen na de dood van de oude koster Jochem Jansz. in 1635 in het dorp wonen en vervullen tot 1705 de rol van koster en secretaris. David de Cars en zijn zoon Lodewijk worden beiden door Lodewijk benoemd tot schout van het dorp tussen 1637 en 1658. Uit bekende lokale boerentamilies zoals Van Deijl, Van Swesereng en Van Dalenoord
benoemt Lodewijk de Odijkse schepenen. Kortom: de heer van Odijk doet in die jaren
precies waar hij voor is.

Heer van Odijk?

En juist deze titel ‘heer van Odijk’ zorgt na het overlijden van Lodewijk in 1665 voor vragen. De drie zoons van Lodewijk (Maurits, Willem Adriaan en Hendrik) worden na zijn dood aangeduid met de oude geslachtsnaam Van Nassau en een achtervoegsel dat is afgeleid van de heerlijkheden die de familie bezit: La Lecq ol van de Lecq, Odijk en Ouwerkerk (een ambachtsheerlijkheid binnen de hoge heerlijkheid van de Lek). Dit betekent dat we de zoons respectievelijk kennen als Maurits van Nassau-La Lecq, Willem Adriaan van Nassau Odijk en Hendrik van Nassau-Ouwerkerk. Dit is in zoverre opvallend omdat de gewoonte leert dat namen van heerlijkheden alleen werden aangenomen door degenen die met deze heerlijkheden beleend zijn. Dat was alleen het geval bij de oudste zoon Maurits (1631-1685).Hij erfde alle heerlijkheden van zijn vader en werd zo ook op 17 augustus 1665 beleend met Odijk.

Op enig moment is er dus waarschijnlijk een akkoord gesloten tussen de drie broers dat
zij de namen van de heerlijkheden kunnen toevoegen aan hun familienaam Van Nassau.
De bron van deze naamswijziging is onbekend, maar we kunnen aannemen dat er zo’n
afspraak is: er is nooit discussie geweest over de wijze waarop de broers zich noemden. Helaas
zorgt deze verdeling ook voor een probleem dat wel invloed heeft op de wijze waarop er
nog tot in onze tijd wordt geschreven over de heerlijkheid Odijk.

Er verscheen na 1665 een ‘heer van Odijk’ ten tonele, die nooit beleend is geweest met Odijk! Willem Adriaan van Nassau-Odijk, de tweede zoon van Lodewijk van Nassau, werd zeker vanaf 1669 aangeduid als ‘heer van Odijk’, terwijl zijn broer Maurits de werkelijke heer van Odijk is. Deze titel van Willem Adriaan werd zover doorgevoerd dat als er in documenten werd gesproken over de ‘heer
van Odijk’, we er vrijwel zeker van kunnen zijn dat Willem Adriaan wordt bedoeld en niet zijn
oudere broer. Willem Adriaan was een belangrijke gezant voor koning-stadhouder Willem.


Hij verkeerde in de hoogste diplomatieke kringen. In brieven werd hij steevast aangeduid
als ‘heer van Odijk’, vaak zonder zijn voornamen. Zelfs als er iets aan de hand is met zijn
personeel, blijkt het voldoende om te zeggen dat iemand werkt voor de ‘heer van Odijk’, om
aan te geven dat hij behoorde tot het gevolg van Willem Adriaan. En als deze Nassau-Odijk
werd genoemd met al zijn titels (zoals heer van Odijk, Zeist, Driebergen, Kortgene) dan werden
van alle heerlijkheden de jaartallen genoemd waarin hij met deze plaatsen beleend was-uit-
teraard behalve Odijk, want dat jaartal bestond niet.

De reden dat Willem Adriaan de titel ‘heer van Odijk’ deelt met zijn broer Maurits is waarschijnlijk te vinden in dezelfde overeenkomst die gesloten is met de derde broer Hendrik van Nassau-Ouwerkerk. Hij wordt ‘heer van Ouderkerk’ genoemd, terwijl hij er ook nooit mee werd beleend. Ouderkerk maakte gewoon deel uit van de heerlijkheden van de Lek en die waren in bezit van de oudste zoon Maurits. Tot op de dag van vandaag verschijnen er publicaties die Willem Adriaan noemen als heer
van Odijk, wat op zich juist is, maar waar de toevoeging ten minste op zijn plaats is dat hij
niet werd beleend met de heerlijkheid. In deze periode na 1665 is er slechts één echte heer van
Odijk en dat is Maurits van Nassau-La Lecq.

Verkopingen en giften 1708-1734

Terwijl Maurits als vierde erfgenaam van Nassau zelf nog aangelegenheden regelt in Odijk,
is dat heel anders voor zijn zoon Maurits Lodewijk (1670-1740). Deze had waarschijn
lijk weinig op met zijn heerlijkheden en hij bemoeide zich nauwelijks met het dagelijkse
bestuur ervan. In 1692 machtigt hij zijn moeder Anna Isabella van Beijeren van Schagen om be
wind te voeren over zijn goederen en zaken.

Maurits Lodewijk maakt enorme schulden en is voortdurend bezig om zich schuldenaars van het lijf te houden en de ene lening met de andere af te lossen. Het is dus niet gek dat zijn moeder zijn zaken regelt. In feite voert zij het dagelijkse bestuur over zowel Beverweerd als Odijk, alsmede de andere heerlijkheden van de Lek. In de periode dat Maurits Lodewijk heer van Odijk is, wordt door Anna Isabelle van Beijeren van Schagen onder andere de Odijkse koster Gijsbert van Oostveen benoemd (1707) en wordt er vele malen land van Beverweerd verkocht, verpacht of in erfpacht gegeven.

In 1708 tekent ze echter een document dat in strijd was met alle familietradities van de
afgelopen 80 jaar: als beheerder van de zaken van haar zoon Maurits Lodewijk en mede-erf-
genaam van haar man Maurits gaat ze akkoord met de verkoop van de heerlijkheid Odijk aan
haar nicht. 

In 1708 zijn de schulden van Maurits Lodewijk opgelopen tot enorme hoogte. Hij verkoopt
daarom de heerlijkheid Odijk aan zijn nicht, Maurice Margareta van Nassau-Odijk. Zij is het
zevende kind van Willem Adriaan van Nassau-Odijk en tevens zijn schoonzuster: Maurits
Lodewijk is getrouwd met haar zuster (en zijn eigen nicht) Elisabeth Wilhelmina van Nassau-Odijk. De prijs van de heerlijkheid wordt bepaald op 6000 gulden, wat een druppel op de
gloeiende plaat is van het kapitaal dat Maurits Lodewijk her en der schuldig is. Hij zal 1500
gulden ontvangen als de koop wordt goedgekeurd en 4500 na ondertekening van het
transport.


Wel wordt de voorwaarde gesteld dat de verkoop teniet zou worden gedaan, als
de overdracht van de heerlijkheid problemen zal veroorzaken. Maurits Lodewijk zal dan de
ontvangen 6000 gulden weer terugbetalen. Dat gebeurt niet: vanaf 1708 is Maurice Margareta
van Nassau-Odijk eigenaresse van de heerlijkheid Odijk. Op 16 mei 1708 machtigt zij Claude
Tortier des Moretz om namens haar beleend te worden met dit leen van Vianen. En jaren later, in 1720, keurt haar man graaf Jean Henri Huguetan, op dat moment in Hamburg, gewoon het nieuwe Odijkse schippersreglement goed. Ook worden op zijn voordracht door Theodorus Backer drie nieuwe schepenen benoemd ter vervanging van de twee die zijn afgetreden en de ene die is overleden. In 1744 benoemt Huguetan ook Jan van Harn als opvolger van de overleden koster Gijsbert van Oostveen.

Om een goed beeld te krijgen van de verdere ontwikkeling rond de heerlijkheid Odijk, moeten we even buiten de grenzen van het dorp kijken naar de andere leengoederen van Maurits Lodewijk. De verkoop van Odijk in 1708 staat namelijk niet op zichzelf. Om financiële redenen worden de hoge heerlijkheid van de Lek (in de Krimpener- en Alblasserwaard) en de ambachtsheerlijkheden die daartoe behoorden in 1717 gesplitst om afzonderlijk te worden verkocht.” Hierover ontstaat nog een groot geschil met moeder Anna Isabella en de neven en nichten, maar uiteindelijk gaat de verkoop
van de verschillende heerlijkheden van de Lek in 1722 wél door.

De hoge heerlijkheid van de Lek komt met enkele ambachtsheerlijkheden in bezit van de familie Pilat de Bligny. Ouderkerk gaat met de kerk en het familiegraf van de familie Nassau La Lecq over in handen van Floris Camper uit Leiden. In 1734 kiest Maurits Lodewijk er zelf voor ook het leengoed rond Beverweerd te delen. Het kasteel Beverweerd wordt een zelfstandig deel, los van de andere
percelen die onderdeel uitmaken van het originele leen van de Staten van Utrecht. Hij
schenkt het kasteel aan zijn zoon Hendrik Carel (1696-1781). Bij deze schenking vindt er een
onderzoek plaats naar het testament en het genoemde codicil van prins Maurits.

Daarbij komt men tot de conclusie dat rond de erfgoederen van Nassau ‘niet anders dan een verbod
van alienatie, vervreemding of verkoping dergelegateerde goederen, zijnde gestelt, en een
Fideï Commissum Familiae alleen in zoo verre, dat dezelve na extinctie der legatarissen, en
derzelve descendenten retour subject zoude zijn, aan de geïnstitueerde Ertffgenaam’. Dit
betekent dat Maurits Lodewijk de vrijheid heeft om goederen uit het originele Nassaubezit na
te laten aan zijn nazaten, ook tijdens zijn leven.

Als het testament van Maurits uit 1625 een zogenaamd ‘fideï commis’ had bevat, zou dit niet tijdens zijn leven kunnen. Met dit oordeel kan Maurits Lodewijk Beverweerd als afzonderlijk bezit schenken aan zijn zoon Hendrik Carel. Het kasteel wordt losgemaakt van het volledige leen van de Staten van Utrecht en Hendrik Carel wordt er apart mee beleend. Zelf behoudt Maurits Lodewijk de losse lenen
die bij het kasteel hadden behoord. En voor het eerst in de lange geschiedenis van de Nassaus
op Beverweerd is de combinatie Odijk-Beverweerd in drie verschillende handen.

Herstel van eigendommen

Maurits Lodewijk van Nassau-La Lecq overlijdt in 1740 in het Zuid-Nederlandse Menen,
waar hij gouverneur was. Bij zijn overlijden is het oude bezit van prins Maurits behoorlijk
versnipperd (zie tabel 2).

De belangrijkste erfgenaam is volgens de gewoonte de oudste zoon Willem van Nassau-La
Lecq. Deze machtigt echter zijn broers Hendrik Carel en Jan Willem Maurits om de zaken
waar te nemen en de erfenis van hun vader af te handelen.

En dat blijkt een behoorlijke klus. Bij het overlijden van Maurits Lodewijk zitten zijn papieren in kisten die na zijn dood verzegeld zijn. De eerste rechthebbende op deze kisten blijkt de Krijgsraad te zijn. Maurits Lodewik bezat vanwege zijn lange militaire loopbaan allerlei staatsgeheime documenten, die de Krijgsraad graag wil veiligstellen.

Maar de afwerking hiervan laat behoorlijk op zich wachten. Vele keren dringen de erfgenamen van Maurits Lodewijk aan op afhandeling van de erfenis en overhandiging van de kisten, maar keer op keer worden ze met een kluitje in het riet gestuurd. Als de papieren uiteindelijk wel aan de familie worden overhandigd, machtigen alle broers en zusters Hendrik Carel, heer van Beverweerd, om hun belangen te behartigen. 

En die belangen zijn omvanegrijk. Want niet alleen de erfenis dient verdeeld te worden met alle bijbehorende inventarisaties en schuldherstel, maar ook alle ‘turbatién in de possessie van onze voornoemde goederen’ moeten worden hersteld. Terwijl die geen onderdeel meer uitmaakt van de erfenis, herstelt Hendrik Carel wel als eerste de verkoop van de heerlijkheid Odijk: in 1748 wordt onder andere door de leenkamer van Vianen geoordeeld dat de verkoop in 1707 niet had mogen plaatsvinden. Tot dat moment was het nog altijd in bezit van Jean Henri Huguetan en Maurice Margaretha van Nassau-Odijk.

Zoals we hebben gezien, benoemt Huguetan in 1744 nog de nieuwe koster. De eerder genoemde ‘Fidel Commissum Familiae’ van prins Maurits doet echter zijn werk: er waren gewoon nakomelingen die de heerlijkheid konden erven. 

De oudste zoon Willem zou normaal gesproken beleend moeten worden, maar hij doet afstand
ten behoeve van Hendrik Carel. Zo wordt deze door Vianen in 1748 als heer van Beverweerd
beleend met de heerlijkheid Odijk.

In 1750 raakt de relatie van Hendrik Carel met Odijk en Beverweerd in een stroomversnelling.
De oudste zoon Willem doet volledig afstand van de erfenis van zijn vader en geelt alle rech-
ten over aan Hendrik Carel. Deze heeft nu de mogelijkheden het oude Beverweerdse bezit te
herstellen, zeker nadat hij een vermogen elk van de familie van zijn overleden vrouw
Adrienne Marguerite Huguetan. 

De scheiding in het leengoed van Beverweerd die zijn vader in 1734 liet aanbrengen, wordt in 1751 ongedaan gemaakt: de Staten van Utrecht combineren het kasteel Beverweerd opnieuw met de andere delen van het oorspronkelijke leengoed en belenen Hendrik Carel op 17 maart 1751 met het volledige bezit. Hij blijft verder bewindvoerder over de erfgoederen van zijn vader. De andere erfgenamen Nassau-La Lecq verklaren enkele jaren later dat zij tevreden zijn over de wijze waarop Hendrik Carel heeft gezorgd voor de erfgoederen en dat hij fatsoen lijk de boekhouding met hen heeft gedeeld.

Zij doen vervolgens afstand van hun aanspraken op de erfenis van de visserij op de Lek en
Merwede en de andere erfpacht landerijen die behoren bij Beverweerd. Hendrik Carel moet
hen alleen de vrije toegang geven over de brug over de Langbroekerwetering en door de bos
sen, tuinen en landerijen van Beverweerd.

Tot slot

Odijk en Beverweerd blijven na de belening aan Hendrik Carel nog tientallen jaren in de
familie. Met de eigenaren van de hoge heerlijkheid van de Lek wordt echter nog jarenlang
geprocedeerd over het bezit van de rivier. De heerlijkheid Ouderkerk, waar het familiegraf
van de familie Nassau-La Lecq in de kerk ligt, komt in 1749 terug in deze Nassau tak. Willem
Maurits van Nassau-Ouwerkerk, een verre neef van Hendrik Carel, koopt de heerlijkheid terug
die aan Florentius Camper was verkocht na de splitsing door Maurits Lodewijk. Uiteindelijk
worden 34 leden van de familie begraven in het 

praalgraf in de kerk, waaronder alle heren van Odijk en Beverweerd, na Lodewijk. Hendrik
Carel van Nassau-La Lecg overlijdt op 26 januari 1781. Ook hij wordt bijgezet in de grafkelder
in de kerk van Ouderkerk. Zijn dochter uit zijn tweede huwelijk, Henriette Jeanne Suzanna
Marie van Nassau-La Lecq (1764-1810), erft de heerlijkheden van Odijk en Beverweerd, met
de bijbehorende titels. Na haar huwelijk in 1782 met Evert Frederik, baron van Heeckeren

en de geboorte van hun zoon Hendrik Jacob Carel Johan wordt duidelijk dat Beverweerd
en Odijk niet langer meer in bezit zullen zijn van de familie Nassau-La Lecq. Rond de tijd
dat heerlijkheden en heerlijke rechten worden afgeschalt, komt er ook een einde aan de ver
bintenis tussen Nassau, Odijk en Beverweerd die ruim 250 jaar heeft geduurd.

 Heren en Vrouwen van Beverweerd en Odijk:

zeven eeuwen bewoners en eigenaren van
Kasteel Beverweerd

 

Naar een onderzoek en tekst van Han Harts, 
uit Het Kromme-Rijngebied, 38ste - jaargang, 2004, nr. 1 en 2. 

 Opnieuw bewoond ?

Zo nu en dan verschijnt er de laatste jaren in de regionale pers een bericht over Kasteel
Beverweerd in Werkhoven. Het staat al meer dan zes jaar te koop en wacht op een nieuwe
eigenaar. Vanaf de provinciale weg tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht kunnen we het kasteel zien liggen. Groot, indrukwekkend, moot en tegen een schitterende achtergrond. Dichter-
bij gekomen blijkt het kasteel er echter verlaten bij te liggen.  

Sinds de Internationale Quakerschool is vertrokken zijn er bijna geen activiteiten meer.
Een beheerder woont op het terrein sinds er in maart 2004 een poging werd gedaan het kasteel te kraken. De bevolking van Werkhoven (en zij niet alleen) maakt zich zorgen. En terecht! De bouwkundige staat van het kasteel is inmiddels zorgwekkend, zo liet een ambtenaar van de Gemeente Bunnik onlangs weten.

Stukken van de gevels komen naar beneden. Nog even en er moeten hekken rond het kasteel geplaatst worden. De Gemeente Bunnik is naarstig op zoek naar een nieuwe eigenaar. Projectontwikkelaar Vector Vastgoed uit Driebergen heeft serieuze belangstelling. Er liggen plannen om op de plaats van de moderne internaatsgebouwen senioren-appartementen te bouwen of dit complex hiertoe te verbouwen. Ook in het kasteel komen mogelijk appartementen. Maar dan is er eerst wel (veel) geld nodig om dit unieke gebouw te restaureren.

Een intrigerende vraag blijft: wie hebben het kasteel in de loop van de tijd bewoond? Ik ben
mij er van bewust dat er al veel over geschreven is. Meestal lezen we in kort bestek dat
Zweder van Zuylen het heeft gebouwd en dat het Huis van Oranje-Nassau ruim twee eeuwen
eigenaar is geweest. Het Is daarna door vererving overgegaan op de familie Van Heeckeren en tenslotte was het in het bezit van de familie Van Rechteren Limpurg, die het verkocht aan de Internationale Quakerschool.

De hoge kosten van onderhoud zijn er debet aan dat het kasteel met de bijbehorende tuinen niet meer door een particulier te bewonen is. Veel landgoederen en kastelen werden na de Tweede Wereldoorlog verkocht of zijn in beheer gegeven aan stichtingen en grote ondernemingen die deze kosten wel kunnen dragen. Het nadeel hiervan is dat het interieur aangepast moet worden aan de eisen van deze tijd. Veel van de oude sfeer gaat dan voorgoed verloren.

Ik heb in dit artikel een poging gedaan om alle bewoners en eigenaren op een rij te zetten. Soms heb ik ook de schout en de rentmeester vermeld omdat deze een rol hebben gespeeld in de heerlijkheden Werkhoven en Odijk. Het overzicht is vooral gebaseerd op de literatuur en niet op archiefonderzoek.

Om de geschiedenis van Beverweerd in een wat breder verband te laten zien, zijn enkele ‘historische kaderteksten’ toegevoegd. Bij voorbeeld over de pausen, de bisschoppen van 

Utrecht, de edelen en de economische belangen die zo hun rol gespeeld hebben. Over de
relatie van Beverweerd met de omgeving is het nodige geschreven. Degene die interesse heeft in de streekgeschiedenis kan er zijn hart aan ophalen.

Kerk en staat

De bisschop van Utrecht was eigenaar van de heerlijkheden Werkhoven en Odijk. De toenmalige kerk had een enorme invloed op de staat. De bisschop was zowel kerkelijk gezagsdrager als wereldlijk heerser. Een voorbeeld van de invloed van een pauselijk besluit: paus Innocentius IV had in 1254 het vagevuur officieel erkend als reinigingsplek voor zonden.

Door goede werken te doen, kon de tijd in het vagevuur worden bekort. Giften en donaties aan de kerk, als vorm van goede werken, namen toe. Ook de Utrechtse bisschop kreeg hierdoor veel geld en dus veel macht. Hij was bovendien leenman / zetbaas van de Duitse keizer en had de beschikking over de huidige provincies Utrecht en Overijssel en de stad Groningen. Utrecht was de voornaamste stad van Noord-Nederland. Zweder van Zuylen pachtte de grond van de bisschop en mocht er een kasteel op bouwen.

De praktijk was dat de pachter eigenaar werd en vele privileges had. Hij verpachtte weer grond aan de boeren, had jachtrechten, het recht om duiven te houden, om eendenkooien te exploiteren, om de geestelijkheid, schouten en rentmeesters te benoemen en om recht te spreken. Daartegenover stond dat hij verplicht was de bisschop militaire steun te verlenen met manschappen en materieel.

In de late middeleeuwen brokkelde de grip van de keizer steeds meer af. In 1528 maakte keizer Karel V een eind aan de wereldlijke macht van de bisschoppen en werden de bisdommen opgenomen in het Habsburgse Rijk. Later, in 1810, werden in West-Europa door Napoleon kerk en staat definitief gescheiden.

De Nassaus, als Heren en Vrouwen van Beverweerd en Odijk, woonden hoofdzakelijk in Den Haag. Zij stelden een rentmeester aan voor Beverweerd en Odijk. Het benoemingsrecht van de schout van Odijk en Werkhoven was in hun handen. De rentmeester van Beverweerd verkreeg meestal
het ambt van schout van Odijk.

In 1580 werd door de Staten van Holland het katholicisme verboden. Het vele kerkelijke grondbezit werd in beslag genomen en toegewezen aan kerken van de nieuwe leer.
In 1853 is dit besluit herroepen en werd Holland verdeeld in vijf bisdommen.

L Ridder Zweder van Zuylen, ook genoemd Sweder van Beverweerd (1269- gesneuveld in 1304 tegen de Vlamingen te Duiveland). Hij was de zoon van Steven van Sulen (Ì 1283), Ridder, en Hadewich van Wildenborch. Zweder was maarschalk van de Bisschop van Utrecht en hoogstwaarschijnlijk de

bouwer en eerste bewoner van het kasteel op de Heerlijkheid Beverweerd. Zweder van Zuylen huwde (1) Hildegardis of Hillegonda van de Velde, Vrouwe van Beverweerd. Zij Is waarschijnlijk in 1294 overleden. Hij huwde (2) in 1299 Bertha van Brakel. Uit het huwelijk van Zweder en Bertha
werd een dochter geboren: Mechteld van Zuylen (Zie V). Bertha hertrouwde na 1304 Gijsbrecht van Ruwiel. 

Het kasteel werd voor het eerst genoemd in een akte van 27 augustus 1296, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat het kasteel nog steeds in het bezit was van Jan II van Sierck, Bisschop van Utrecht. Door een politiek meningsverschil tussen Zweder van Zuylen en de Bisschop van Utrecht werd het kasteel door de bisschop in 1296 in leen gegeven aan Nicolaas van de Velde,  en familielid van de overleden Hildegardis.

Een Nassau als bisschop van Utrecht, een politieke zaak

Graaf Otto van Gelre en bisschop Jan van Loon van Luik regelden het zo, dat hun neef
en zwager Jan van Nassau in 1267 tot bisschop van Utrecht werd gekozen en daardoor
de titel ‘elect’, gekozene, voerde. Hij werd niet erkend door paus Clemente (1265 -1271) op het moment van zijn verkiezing was Jan geen priester en is dat ook nooit
geworden.

Jan van Nassau, geboren + 1230, was de jongste van 7 kinderen van Hendrik
“de Rijke”, graaf van Nassau ( £ 1180 -25.01.1251) Hendrik huwde + 1231 te Dillenburg Mechteld, gravin van Gelre, een dochter uit een belangrijke en zeer invloedrijke familie. Hendrik de Rijke bouwde omstreeks 1200 de burcht Dillenburg. De stamreeks van de Oranjes geeft aan dat Willem de Zwijger (1533 - 1584) negen generaties later in beeld komt.

De wereldlijke en kerkelijke macht waren nauwelijks gescheiden (zie hiervoor). Jan van Nassau regeerde wereldlijk als een graaf en kerkelijk als een bisschop. Hij werd belaagd door Graaf Floris V, die zijn gebied wilde uitbreiden met het Sticht Utrecht. Bisschop Jan moest zich verdedigen maar had de financiële middelen niet om soldaten in te huren. Hij verpandde zijn voornaamste kastelen om aan geld te komen, wat niet het beoogde resultaat had.

Ten einde raad deed hij in 1288 een greep in de kas van de kruistochttienden, die in het Dominicanerklooster te Utrecht werden bewaard. Paus Niccolo IV (1288 - 1294) greep in en bisschop Jan werd in 1290 afgezet. Tijdens zijn ambtsperiode heeft hij de aanzet gegeven tot de bouw van twee belangrijke kerken: de Dom te Utrecht en de Grote Kerk te Breda. Jan overleed 13 juli 1309 te Deventer en werd daar begraven in de Lebuinuskerk. Hij had twee bastaardzonen.

1. Nicolaas (Claes) van de Velde. Na het overlijden van Hildegardis van de Velde in 1294 werd in 1296 Beverweerd door de Bisschop van Utrecht in pacht gegeven aan een familielid, Nicolaas van de Velde en niet aan dochter Mechteld van Zuylen. Zie V. Nicolaas was gehuwd en had een zoon Gerard van de Velde.

HI. Gerard van de Velde. Op 6 mei 1307 gaf hij het pachtrecht van ‘Huis te Beverweerd’ met 40 morgen land terug aan de Bisschop van Utrecht, Gwijde van Avesnes (1301-1317). Gerard was gehuwd en had een dochter, waar van wij de voornamen niet weten.

IN. Dochter ….…. van de Velde. Zij was ‘Vrouwe van Beverweerd’ en huwde Jan van Zuilen, zoon van Jan van Zuylen, Ridder. Het landgoed was weer terug in de familie Van Zuylen. Er zijn geen aanwijzingen dat Bertha van Brakel en haar stiefdochter Mechteld van Zuylen het kasteel hebben verlaten en elders gewoond hebben.

V. Mechteld van Zuylen. (+ 1397) Zij huwde (1) Heer Otto van IJsselstein, Ridder (f 1353). Hij pachtte voor zijn vrouw van de Bisschop van Utrecht, Jan IV van Arkel, de heerlijkheid Beverweerd. Zij huwde (2) in 1354 Heer Zweder van Vianen, Ridder, zoon van Heer Hendrik van Vianen, Ridder, en Catharina van Uytengoye, Erf burggravinne van Utrecht. Het kasteel kwam door het 2de huwelijk in bezit van het geslacht Van Vianen. Uit het 2 huwelijk 3 kinderen. De oudste was Jan van Vianen.

VL. Jan van Vianen, Heer van Beverweerd (+ 1417) Hij huwde in 1385 Elisabeth van Buren. Zij was de
dochter van Alard, Heer van Buren, en Elisabeth van Bronckhorst. In 1395 werd door hen Beverweerd beleend, gepacht van de Bisschop van Utrecht, Frederik III van Blankenheim. Uit hun
huwelijk 5 kinderen. Het derde kind was Gijsbrecht van Vianen.

VIL. Gijsbrecht van Vianen, Heer van Beverweerd en Odijk (#1400 - tf vóór 1436) Hij huwde (1) Clementia van Poucquer of van Poekel, dochter van Alard van Poucquer en Catharina van Borsselen van Cortgene. Hij huwde (2) Anna van Bossu of Van Borsselen (F voor 1478). Zij noemde zich in 1436 Vrouwe van Beverweerd en Odijk. Uit het eerste huwelijk een dochter Johanna van Vianen.


VIII. Johanna van Vianen, Vrouwe van Beverweerd en Odijk (f 1502). Zij stond in 1436 onder voogdij van haar stiefmoeder Anna van Borsselen. Zij huwde vóór 1441 Johan van Bouchout. (F 07.02.1507 en in de Dom begraven, waar de zerk nog aanwezig is). Hij was de zoon van Gilles van Bouchout en Aliana de Rijgersvliet, Vrouwe van Boulaer en Schendelbeke. In 1465 werd Beverweerd door hen beleend en kwam in het geslacht Van Bouchout. Johan werd in 1476 kanunnik (wereldlijke raadsheer van de bisschop) van de Dom te Utrecht. Uit hun huwelijk 3 kinderen. De oudste was Daniël van Bouchout.

IX. Daniël van Bouchout, Heer van Beverweerd en Odijk (tf 1527). Hij huwde omstreek 1485 Maria van Luxemburg, dochter van Jacob van Luxemburg, Ridder van het Gulden Vlies, en Maria van Barlaymont. In 1514 was Harman van Cuyk rent meester van de heerlijkheid Beverweerd.

Uit hun huwelijk 2 dochters, de oudste was Maria van Bouchout.

X. Maria van Bouchout, Vrouwe van Beverweerd en Ambachtsvrouwe van Odijk (1487 — 23.07.1563). Zij huwde (1) in 1512 Hugo de Lannoy, Heer van Lannoy, Roulencourt en Santes, een lid van de hoge adel (1486 - 21.04.1528). Hij was de zoon van Philippe de Lan noy en Bonne de Lannoy, Kamerheren
van Keizer Karel V. Zij huwde (2) in 1536 Henry van Hornes / Hendrik van Hoorne ( # 1485 — 1540) burggraaf van St. Winoksbergen.

Hij was de zoon van Maximiliaan de Hornes en Barbara van Montfoort. In 1532 schonk hij aan de kerk van Odijk de Odijkersteeg. Dit was de weg tussen de kerk via de brug over de Kromme Rijn naar Zeist. Nu is dit de Zeisterweg in Odijk en de Odijkerwegen Breullaan te Zeist. Aan dit bezit was het recht verbonden de bermen te beweiden en de bomen te rooien. Dit recht werd in 1965 door de gemeente Bunnik afgekocht. Voor het Zeister grondgebied werd dit door de gemeente Zeist in 1985 afgekocht.

Maria van Bouchout schonk in 1556 aan de kerk van Odijk haar bezittingen aan de Meent, bestaande uit een aantal erven en boomgaarden. In de schenkingsoorkonde was de bepaling opgenomen dat de inkom sten uit deze bezittingen gedeeltelijk moesten worden gebruikt voor het onderhoud van de kerk. Het kerkgebouw verkeerde aan het eind van de 16de eeuw dan ook in zeer goede staat.

Maria vererfde de Ridderhofstad Beverweerd (erkend sinds 1536) aan haar kleinzoon Philips Willem, de enige zoon van Willem I van Oranje en Anna van Egmond. Uit het eerste huwelijk van Maria en Hugo de Lannoy werd een dochter geboren: Francoise de Lannoy, Vrouwe van Lannoy, Rollaincourt, Santes, Boulers en Odijk (1513 — 1562). Zij huwde 16.04.1531 Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buren en Leerdam en Heer van IJsselstein, enz. (+ 1510 - 24.12.1548 Brussel).

Hij was generaal van keizer Karel V. Uit hun huwelijk een dochter, Anna van Egmond, Gravin van Buren en Leerdam, Vrouwe van IJsselstein, Beverweerd en Odijk (Grave maart 1533 - 24.03.1558 Breda). Anna huwde in 1551 te Buren Willem 1 (de Zwijger), Graaf van Nassau en Prins van Oranje sinds 1544 (Dillenburg 24.04.1533 - 10.07.1584 Delft). Door dit huwelijk kwam de Heerlijkheid Beverweerd ruim twee eeuwen in het bezit van het geslacht Oranje - Nassau. In 1560 was Willem Bobe rentmeester van Beverweerd.


XI. Philips Willem, Graaf van Nassau, Prins van Oranje, (Buren 19.12.1554 - 20.02.1618 Brussel) en in 1563, na de dood van zijn grootmoeder Maria van Bouchout, Heer van Beverweerd en Odijk. Hij was het 2de kind uit het 1ste huwelijk van Willem van Oranje - Nassau en Anna van Egmond. Hij werd van 1568 door Koning Philips II ontvoerd naar Spanje en tot 1595 gegijzeld. Hij huwde 23.11.1606 RK te ontainebleau Eleanore de Bourbon  30.04.1587 — 20.01.1619 Picardië). 

Dit huwelijk bleef kinderloos. Hij liet Beverweerd na aan zijn halfbroer
Maurits.

XII. Maurits, Prins van Oranje - Nassau (Dillenburg 13.11.1567 — 23.04.1625 Den Haag). Hij was het 4de kind uit het 2e huwelijk van Willem van Oranje en Anna van Saksen (Dresden 23.12.1544 - 18.12.1577 Dresden). Door het overlijden van zijn halfbroer Philips Willem

in 1618 kwam Maurits door vererving in het bezit van Beverweerd. Maurits was niet gehuwd. Hij had sinds 1600 een vaste relatie met Freule Margaretha van Mechelen (& 1581 — 17.05.1662 Den Haag), Vrouwe van Vrijehoeven, die hem ondanks alles is trouw gebleven tot aan zijn dood in 1625. Zij was de dochter van Jhr. Cornelis van Mechelen, schepen van Lier, en Barbara van Nassau. Maurits en Margaretha kregen 3 kinderen. Maurits had bij 5 andere minnaressen nog 5 kinderen.

Na zijn dood kwam Beverweerd in het bezit van zijn bastaardzoon Lodewijk.

XIII. Lodewijk, Bastaard van Nassau (eind 1602 - 28.02.1665 Den Haag). Hij was de 26 zoon van Maurits en Margaretha van Mechelen. Door vererving van zijn vader in 1627 werd hij Heer van Beverweerd en Odijk. Door vererving van zijn broer Willem (1601- 1627) kreeg hij na diens dood de Heerlijkheid La Lecq of Van de Lek. Hij huwde 07.04.1630 Isabella, Gravinvan Hoorne (begraven 07.05.1664) Zijwas de dochter van Willem Adriaan, Graaf van Hoorne, Heer van Kessel, en Elisabeth van der Meeren, een achter nicht van de freule M. van Mechelen.

Uit hun huwelijk 10 kinderen, 4 zonen en 6 dochters. De 2 zoon was Willem Adriaan IL, Rijksgraaf van Nassau, Heer van Zeist en Heer van Odijk. Hij was gehuwd met Elisabeth van der Nisse, de dochter van de Burgemeester van Goes. Door dit huwelijk werd hij ook Heer van Cortgene en Heinekenszand. Uit het huwelijk van Lodewijk en Isabella werden 12 kinderen geboren. Het 6de kind was Elisabeth Wilhelmina.

David de Caers was van 1648 tot 1652 rentmeester van Beverweerd. Van 1655 tot 1667 was Anthonius Gijsbertszn. van Sterkenburg de rentmeester en ook schout te Werkhoven. Hij werd in 1667 voor korte tijd opgevolgd door Christi na van der Burch, de weduwe van Jacob van Zijppenesse. In dat zelfde jaar, 1667, werd zij opgevolgd door Maximiliaan Breyer, die als voogd optrad over Gerard Breyer. Deze Gerard was van 1679 tot 1692 rentmeester van Beverweerd

XIV. Elisabeth Wilhelmina, Gravin van Nassau, Vrouwe van Beverweerd en Odijk (gedoopt Den Haag 21.06.1671 - 11.07.1729) Zij huwde in 1692 haar neef Maurits Lodewijk (Den Haag 22.07.1681 - 23.05.1745 Middelburg) Graaf van Nassau, Heer van Beverweerd en de Lek.

Uit hun huwelijk 12 kinderen. Het 4e kind was Hendrik Carel, Graaf van
Nassau.

Van 1706 tot 1724 was Theodorus Backer, schout van Odijk, rentmeester van Beverweerd. Constantijn Beren berg had deze functie van 1726 tot 1728. Hij werd in 1728 opgevolgd door Frans Thomas Braam, die tevens schout van Werkhoven was. Hij bleef in functie tot 1745.

XV. Hendrik Carel, Graaf van Nassau (gedoopt Den Haag 13.12.1696 - 26.01.1781 Utrecht)

Hij volgde zijn vader in 1734 op als Heer van Beverweerd. Hij huwde (1) 15.09.1736 Margaretha Huguetan (1701 — 1752), een gefortuneerde dochter van een Amsterdamse hugenotenfamilie. Hij huwde (2) Johanna Gevaerts (1733 — 1779).

Jan van Beek Sr. was van 1745 tot 1770 rentmeester.

Uit het 2 huwelijk een dochter, Henriëtta J.S.M. van Nassau.

XVI. Henriëtta Johanna Susanne Marie, Rijksgravin van Nassau la Lecq, Vrouwe van Beverweerd en Odijk (Utrecht 21.10.1764 — 26.06.1810 Hummelo). Zij huwde 02.07.1782 te Beverweerd / Odijk Evert Frederik, Baron van Heeckeren van Enghuizen (Arnhem 23.12.1755 — 13.01.1831 Enghuizen / Hummelo) waarmee de Ridderhofstad Beverweerd na ruim 2 eeuwen overging van de Oranjes naar het geslacht Van Heeckeren. Uit het huwelijk van Henriëtta van Nassau en Evert van Heeckeren zijn 9 kinderen geboren, waarvan het derde kind Hendrik Jacob Carel Johan van Heeckeren was.

Van 1771 tot 1778 was Cornelis de Wijs rentmeester. Van 1780 tot 1795beheerde Aart van Lutzenburg de financiën. Van 1803 tot 1804 is Jan van Beek Jr. de baas over de kassa. Hij werd in 1805 opgevolgd door Wouter van Dam. Hij moest in 1806 plaats maken voor zijn voorganger Jan van Beek Jr.


In 1812 werd Hermanus de Vriendt uit Langbroek, 24 jaar oud, rentmeester en in 1813 werd hij ook benoemd tot schout van Werkhoven. Na 1816 werd hij maire / burgemeester van Werkhoven tot hij in 1846 uit al zijn ambten werd ontheven wegens financiële malversaties en valsheid in geschrifte. Hij werd hiervoor veroordeeld tot 5 jaar cel en heeft van maart 1861 tot maart 1866 in de Utrechtse gevangenis doorgebracht.

XVII. Hendrik Jacob Carel Johan, Baron van Heeckeren van Enghuizen (Zutphen 06.12.1785 — 19.05.1862 Sonsbeek / Arhem) Hij huwde 27.05.1816 de vermogende Elisabeth Hope Williams (gedoopt Amsterdam 09.04.1794 - 21.09.1860 Sonsbeek / Arnhem). Zij was de dochter van John
Williams en Ann Goddard. Door vererving werd HJCJ Heer van Enghuizen, Beurse, Beverweerd en Odijk. Tussen 1835 en 1862 werd Beverweerdgrondig verbouwd en werden de omhiggende tuinen opnieuw aangelegd. Uit hun huwelijk 3 zonen en 1 dochter. Bij testamentaire beschikking in 1862 kwam Beverweerd in handen van zijn kleinzoon en naamgenoot H.J.C.J.W. Baron van Heeckeren.

De baron was een kleurrijk figuur. Hij woonde afwisselend op Enghuizen en Beverweerd. Hij was van 1806 tot 1816 officier in het Bataafse leger aan dezijde van Napoleon, waarna hij overstapte naar de tegenpartij en als adviseur in dienst kwam bij Koning Willem I.

Hij werd lid van de Provinciale Staten van Gelderland en van februari 1848 tot augustus 1850 was hij lid van de 1 Kamer der Staten Generaal. Hij kocht in 1821 het landgoed Sonsbeek bij Arnhem. Hij had geen affiniteit met het verleden en helemaal geen belangstelling voor historische zaken. Mede daardoor gaf hij in 1835 aan architect C.Kramm opdracht Kasteel Beverweerd aan te passen aan de eisen van die tijd. De renovatie was voltooid in 1862. Het zeven eeuwen oude kasteel werd tot op de buitenmuren afgebroken en opnieuw opgebouwd tot wat het nu is.

Het bestaat uit een souterrain, twee verdiepingen en een zolderetage, totaal 24 vertrekken. De middeleeuwse kapel en de beide poortgebouwen stonden in de weg en werden gesloopt. De buitengracht en een gedeelte van de binnengracht werden gedempt. De bekende landschapsarchitect J.D. Zocher kreeg opdracht een park aan te leggen. Ook de vele boerderijen die in bezit waren van de familie ondergingen hetzelfde lot: wat te oud was, werd of gerenoveerd of afgebroken en opnieuw gebouwd. Geld speelde geen rol.

De kerken van Odijk en Werkhoven

In de nacht van 4 op 5 maart 1818 woedde een hevige storm over Nederland. Van Duinkerken tot aan de Waddenzee zijn honderden schepen op het strand geslagen. Ons land verloor 60 schepen waarbij tientallen slachtoffers vielen. Er werd veel schade gemeld. De Utrechtsche Courant berichtte in het nummer van 13 maart 1818 uitgebreidover het noodweer. In onze regio was in ieder geval schade aan de oude kerken. De bouwvalligheid was niet ontstaan door de storm, maar wel toegenomen. De kleine gereformeerde kerkgemeenschappen in Werkhoven, Cothen en Odijk hadden niet voldoende geldmiddelen voor het nodige onderhoud en reparatie.

In Odijk werd door het kerkbestuur de vraag gesteld of het verantwoord was de zondagse kerkdiensten te laten doorgaan. Er is een poging gedaan om met subsidie van Koning Willem I de kerk te renoveren, maar dat is niet doorgegaan door een menselijke fout. Er was een uitgebreide begroting met tekeningen gemaakt voor het herstel van de kerk, totaalbedrag f 2150. Een aparte begroting voor het herstel van de toren bedroeg f 800. Alleen de subsidie van de toren werd aangevraagd en ontvangen. Het schip van de kerk en toren werden afgebroken.

Alle bruikbare materialen werden in 23 kavels in veiling gebracht en verkocht aan de meest biedende. Nr. 23 was “Eene metalen kerkklok, wegende twaalfhonderd drie en negentig ponden. Trekgeld drie guldens. Toegewezen aan Anthonie Verkerk, landbouwer te Werkhoven, voor tien stuivers zespenningen het pond, makende zeshonderdzeventig guldens, veertien stuivers, veertien penningen of zeshonderd zeventig gulden en vier en zeventig en een halve cents, zijnde f 670,74!'h” De totale opbrengst van de

verkoop was f 854,04-, niet voldoende om de restauratie te bekostigen. Het koor van de kerk, aangebouwd in 1548, werd gerestaureerd, een meter verlengd, afgesloten en 10 september 1820 ingewijd door de voormalige predikant van Odijk. Dit was ds. J.C. van de Velde (11.04.1792 - 30.03.1860), die toen predikant van de Gereformeerde Kerk te Werkhoven was.

In de kerk van Odijk stond aan de zuidkant de herenbank voor de Heren en Vrouwen van Beverweerd. De herenbank aan de noordkant was de domineesbank c.q. ouderlingenbank. In 1964 is het kerkinterieur veranderd. De twee herenbanken en de oude kerkbanken werden verwijderd en vervangen door stoelen, zeer tot ongenoegen van gravin Luitgarde. Zij is daarna nooit meer in de kerk geweest.


De kerkmeesters van Cothen hebben het nade storm van 1818 beter gedaan. Er werd zonder veel omhaal van woorden f 2000 aangevraagd. Het werd toegezegd en betaald om hun kerkgebouw op te knappen. Hetzelfde lot als de kerk van Odijk had ook de Oude Stefanuskerk van Werkhoven bijna
getroffen. Ook hier speelde het onderhoud een rol. In 1830 stelde burgemeester H. de
Vriendt voor om de hele kerk en de toren te slopen en te vervangen door een nieuwe, veel kleinere, kerk. 

Het kerkbestuur was ontzet door dat voorstel. Het werd gedeeltelijk gevolgd. De Romaanse toren uit eind 12de - begin 13de eeuw bleef behouden. Het koor van de kerk werd afgebroken evenals de noordelijke muur van de kerk. Het kerkdak werd verlaagd. De kerk werd opnieuw opge-
bouwd, waarbij het koor werd vervangen door de huidige consistoriekamer. De tufstenen toren heeft de eeuwen doorstaan en wordt beschouwd als één van de mooiste Romaanse torens in ons land.

Baron van Heeckeren heeft de kerk van Werkhoven in 1862 een balustrade-orgel geschonken. Dit werd gebouwd door J.J. Vollebregt en is nog steeds in originele staat. Het Van Heeckerenwapen prijkt op de middentoren van het orgel. Orgelbouwer Van Vulpen te Utrecht heeft het orgel in 1976
grondig gerestaureerd. 

VIII. Hendrik Jacob Carel Johan Walraven, Baron van Heeckeren (Den Haag 24.04.1857 — 19.06.1923 Arnhem) Heer van Beverweerd en Odijk en Enghuizen. Hij was de zoon van Lodewijk Evert Baron van Heeckeren, Heer van Enghuizen (Brussel 08.03.1830 — 17.07.1883 Bloemendaal) en Francina Christina Henriëtta Maria Barones van Heeckeren (“s Hertogenbosch 19.09.1826 — 24.02.1861 Pau Fr.) Tot 1908 bleef het landgoed in de familie Van Heeckeren. Hij was ongehuwd en vererfde Kasteel Beverweerd aan het enige kind / dochter van zijn jongere broer, Margaretha Christine. 

XIX. Margaretha Christine, Barones van Heeckeren en Enghuizen, Vrouwe van Beverweerd en Odijk (Huis sonsbeek / Arnhem 21.07.1878 — 25.12.1938 Enghuizen / Hummelo). Zij was de dochter van Willem Frederik Maurits Alexander Hendrik Carel Baron van Heeckeren van Enghuizen (Tours 02.07.1858 — 19.09.1915 Orly Fr.) en Charlotte Alexandra Barones van Heeckeren van Molecaten (Molecaten 21.11.1855 — 27.07.1942 Montreux) Zij huwde 31.10.1906 te Hummelo Adolph Zeyger. Graaf van Rechteren Limpurg, Heer van Rechteren, de Leemcule en Verborg (Rechteren 09.01.1863 - 25.09.1918 Zwolle). Uit hun huwelijk 2 kinderen;een dochter en een zoon. De dochter was Lutgardis.

XX. _Lutgardis van Rechteren Limpurg, Gravin zu Castell — Castell, Gravin van Rechteren Limpurg, Vrouwe van Beverweerd en Odijk. (Dalfsen / Kasteel Rechteren 04.03.1908 - 03.04.1989 Beverweerd / Werkhoven) Zij huwde 01.07.1933 burgerlijk te Castell en 08.07.1933 kerkelijk te Hummelo Constantin Friedrich, Graaf zu Castell - Castell. (Castell 27.10.1898 — 03.11.1967 Castell /
Würzburg). Hij was kolonel in Duitse dienst. Echtscheiding uitgesproken 21.10.1954 te Utrecht. Zijn ouders waren Friedrich Carl 1, Fürst zu Castell- Castell en Gertrud, Grafin zu Stolberg - Wernigerode.

Gravin Lutgardis verkocht in 1958 Kasteel Beverweerd met de direct omliggende tuinen aan de Stichting Ouackerscholen Nederland. Tot nu was het kasteel vererfd, waardoor het in particulier bezit bleef. Het is de eerste keer in zeven eeuwen dat het kasteel werd verkocht aan derden. De elf op het landgoed liggende boerderijen en landerijen bleven in het bezit van de familie. 

Verschillende boerderijen werden in de jaren negentig verkocht aan de pachtboeren. Luitgarde, Gravin zu Castell — Castell, Gravin van Rechteren  - Limpurg, Vrouwe van Beverweerd en Odijk, zoals op de rouwkaart staat, werd begraven in het Luitgardebos op het landgoed Beverweerd. Zij was de laatste Vrouwe van Beverweerd en Odijk. De overige bezittingen worden beheerd door hun kinderen Renate en Odylia. Renate, Gravin zu Castell — Castell. (Geboren Pähl Opper Bavaria
27.04.1934).


Het rentmeesterschap wordt uitgeoefend door: Odylia, Gravin zu Castell — Castell (Geboren Arnhem 26.10.1939) Zij huwde 05.09.1964 te Utrecht Heinrich HI, Prinz Reusz. (Geboren Breslau 27.07.1919).


William Hilsley
De laatste kasteelbewoner was de musicus William Joseph Hilsley. Hij werd 15 december 1911 als William Hildesheimer uit van oorsprong Duits-joodse ouders in Londen geboren. Kort na zijn geboorte zijn de ouders van William gescheiden. Zijn moeder, Frida Hildesheimer (1875 - 1952), voelde zich een Duitse. De oorlogsdreiging was een reden dat zij terug wilde naar haar geboorteland. In 1914 verlieten zijn moeder, William en zijn oudere broer Curt Engeland en vestigden zich in Ber
lijn.

William ging daar een jaar later naar het Hohenzollerngymnasium. In de periode na
W.O.II sloeg de inflatie toe. De school kreegcontainers gevuld met levensmiddelen van de
Quakers, een kleine godsdienstige groepering, die zich kenmerkt door eenvoud, op de praktijk
gerichte vroomheid en het wereldwijd verlenen van hulp aan noodlijdenden! De eerste en
levensbepalende kennismaking met de Quakers. 

Na zijn opleiding aan de “Akademie für Kirchen- und Schulmusik” in Berlijn, werd hij in 1935 benoemd als muziekleraar aan de Quakerschool Eerde te Ommen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij als Engels staatsburger in interneringskampen in Duitsland en Oostenrijk. Toen de oorlog voorbij was, werd hij opnieuw muziekleraar aan de school te Ommen.

Zijn familienaam liet hij veranderen in Hilsley. Bij de verhuizing van de Ouackerschool naar Beverweerd in 1959, kwam hij mee. Hij bewoonde de bovenste verdieping van de oostelijke kasteeltoren., uitzicht gevend op het voorplein en de grote
brug over de gracht. Ook na zijn pensioen en de sluiting van de school in 1997, is hij in de
toren blijven wonen. Hij overleed 12 januari 2003 in zijn torenkamer, 91 jaar oud. Hij werd
begraven te Werkhoven op de begraafplaats van de Hervormde Gemeente.

Met dank aan J. van Impelen en F. van Zutphen, oud algemeen directeur Internationale Quakerschool te Werkhoven, voor de informatie over William J. Hilsley.