Familie Bosch van Drakestein - Vast- en Onroerend Goed (1)
Verworven gronden, landerijen, boerderijen en landgoederen, herbergen door jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein (1771-1834) tussen 1798 en 1832-1900 en overige familieleden.Deel 1
|
Voor deel 2 (het vervolg) van Familie Bosch van Drakestein - Vast- en Onroerend Goed (klik hier) |
Aankopen vast- en onroerend goed in kaart gebracht |
De tot nu toe bekende uitgezochte gegevens door SHH van grond aankopen door jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein en/of zijn nazaten tussen 1798 en 1832-1900. Let op: galerij wordt van tijd tot tijd aangevuld met meer kaarten van grondaankopen. |
Toelichting bij de aangekochte vast- en onroerende goederen
Families Bijleveld, Bosch (van Drakestein- Van Oud-Amelisweerd) en Michiels van Kessenich hadden aan het einde van de achttiende eeuw en de eerste vijfentwintig jaar van de negentiende eeuw meer vastgoed dan we hier op deze pagina staat beschreven. Het gaat dan voornamelijk om binnenstedelijk panden binnen Utrecht stad. Deze heeft de stichting verder niet uitgezocht. Historisch bewoningsonderzoek in de binnenstad van Utrecht en de eigendomsverhouding daarin in het eind van de achttiende eeuw is namelijk niet het onderzoeksgebied en de kunde van de stichting. De stichting heeft zich voornamelijk gericht op betrouwbaar krantenonderzoek uit kranten van de achttiende- en begin negentiende eeuw, gehaald uit de database Delpher.nl van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. In kranten werden in die tijdsperiode divers vast- en onroerend goed te koop aangeboden of aangekondigd voor aanstaande veilingen. De grootte in oppervlakten van (Ridder)hofsteden, landerijen en landgoederen in morgen of hectaren die waren te herleiden naar een goede locatie, die heden te vinden zijn op online kaarten over de provincies Utrecht en Gelderland. Zijn het dat de stichting ervoor gekozen heeft deze aankopen van vast- en onroerende goederen van boven genoemde families te onderzoeken en erover te publiceren. Het is niet uitgesloten dat zij meer hadden in vast- en onroerend goed. Gelegen in andere provincies of steden/dorpen buiten de provincies Utrecht en Gelderland. |
Aankoop informatie en/of verervingen van families Bosch en Bijleveld zijn ook uit de online database van getranscribeerde notariële akten van Het Utrechts Archief gehaald. Na het overlijden van jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein en zijn neef Jan Willem Hendrik Bosch zijn erin de loop van de negentiende eeuw nog diverse familieleden Bosch geweest die ook andere stukken land kochten. Om van de opbrengst van de pachten te rentenieren. De stichting heeft de meest van deze aankopen niet meegenomen in het hieronder omschreven overzicht. |
De Tiende van de gemeente Ommeren
Op vrijdag 17 april 1665 wordt erop een fiche een nieuwe verpachtingsronden gehouden door de toenmalige houder van de tiendrechten in de ambachtsheerlijkheid Ommeren en Lienden (Gelderland). In de zeventiende eeuw behoorde deze tiendrechten bij diverse aanzienlijke lieden die in de omgeving van het dorp (kerspel) van Ommeren woonde. In de 18e eeuw komt het tiendrecht van de heerlijkheid van Ommeren toe aan Paulus van Bijleveld. In het jaar 1795 na het overlijden van Paulus van Bijleveld heeft hij in zijn testament bepaald dat neef Paulus Willem Bosch (1771-1834) het tiendrecht als erfenis toebedeeld eeg van zijn oom.. Paulus van Bijleveld was de oudere broer van Cornelia van Bijleveld, dus de oom van Paulus Willem Bosch. |
Bij het opmaken van de Memories van Successie van jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein in 1834. Wordt er geschreven over het recht op tiendheffing (recht) op diverse landerijen en landbouwgronden in de gemeente Lienden bij en om het dorp Ommeren in de provincie Gelderland. Een tiend was het recht op het heffen van opbrengsten op landbouwgronden of boomgaarden om een tiende gedeelte hiervan af te staan aan de heer die het recht op de tiendheffing had. Het tiendrecht is in de jaren tien van de twintigste eeuw afgeschaft en afgekocht. Destijds door de toenmalige grootgrondbezitters van die tijd. In het jaar 1894 na het overlijden van jhr. Paulus Jan Bosch van Drakestein (1825-1894) is bekend bij het opmaken van zijn Memories van Successie dat hij nog de tiende in het Ommersche Veld bezat. |
Schoonzoon van Paulus Jan Bosch, jhr. P.J.J.S.M. van der Does de Willebois uit ''s-Hertogenbosch deed rond 1908-1910 aangifte bij de Tiendecommissie in het derde Tiendedistrict te Tiel te Gelderland om het tiendrecht in Ommeren, genaamd op De Princen of Oudeweise tiend ook wel genaamd de Ommerveldse Havertiend afgekocht en vergoed te krijgen. Bij besluit van de tiendecommissie van dinsdag 23 augustus 1910 werd hier het fiat voor gegeven. Bron: Het Gelders Archief, 0094 Tiendecommissie in het derde Tiendedistrict te Tiel, 127. |
Bouw- en weiland gronden in dorp 't Goy (gem. Houten)
Op maandag 8 augustus 1735 werd ten overstaan van notaris Johannes Sluyterman te Utrecht door Hendrik Willem als voogd van zijn onmondige zoon Theodorus Gerardus Bosch 8 morgen bouw en weiland aangekocht naast het Uurdijkje gelegen in 't Goy. Bij de koop behoorde ook 3 en halve morgen en 9 roeden land en een halve morgen land in erfpacht bij het kapittel Ten Dom te Utrecht. Gelegen tussen de Tuurdijk ten het noordoosten en Beusichemseweg in het zuidwesten. Na het overlijden van Theodorus in 1802 vererven de landerijen in 't Houten bij Houten op zijn zoon Paulus Wilhelmus Bosch. In 1832 zijn de landerijen in het bezit van de neef van Paulus, Jan Hendrik Willem Bosch. Maar behoren dan bij de landerijen van boerderij Schoneveld (Leedijkerhout 15-17). |
Herberg De Klop en landerijen
te Zuilen (gem. Utrecht, wijk Overvecht)
De stichting vroegst bekende vermelding van herberg De Klop dateert van vrijdag 8 oktober 1610. In een akte werd er erfpacht vastgelegd voor het kapittel van Oudmunster te Utrecht voor Adam van Lokhorst na opdracht door Jaspar Quingett. Het betrof hier van een halve hoeve land achter de Klop. Gelegen tegenover het voormalige convent Mariëndaal onder Zuilen. Bron: Het Utrechts Archief, 76, 9-9. |
Uit twee andere archieven die te vinden zijn bij het Amsterdams Stadsarchief in aktenboeken van transport van onroerend goed uit 1680 en 1681. Wordt als belending van verkoop van hofstede Roosendaal, De Klop als belending genoemd. Bron: Amsterdam Stadsarchief, toegang 5066, inv. nr.37 folio 261 en toegang 5067, inv. nr.26 folio 225. Met dank aan Frits van Riel te Utrecht. |
Hierop is een vermelding van herberg De Klop aan het einde 17e eeuw te vinden wat toen nog vermeld werd als 'herberge d'Klop'. Op woensdag 12 januari 1695 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Nico Vonck het goed verkocht door Cornelis Teuniss van Oostveen, wonende op De Klop te Zuylen samen met zijn echtgenote Dirkie Janss. Koper was Hendrik Willhem Brieell, van beroep Advocaat aan het Hof van Utrecht. Op dezelfde dag ten overstaan van notaris Vonck verruilde Cor van Oostveen zijn bezit De Klop om het voortaan te huren van Hendrik Brieell. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U083b018 aktenummer 6 12-01-1695 en U083b018 aktenummer 7 12-01-1695. |
Bij een tweede bekende huurcedule bekend van dinsdag 22 februari 1707 opgemaakt bij de Utrechtse notaris Theodorus Vosch van Avezaat verhuurde Weyntje van Zyll weduwe van Jochem van Veen Huysinge ende herberge De Clop aan Jan Arissen in de Klop in het gerecht van Zuilen. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U118a002 aktenummer 415 22-02-1707. |
Een kleine twee jaar later verhuurde Weyntje van Zyll ten overstaan van Vosch van Avezaat op zaterdag 13 oktober 1708, huysinge en de hergerbe De Clop aan Jan Arissen van Barnevelt. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U118a002 aktenummer 514 13-10-1708 Op maandag 12 januari 1711 verhuurde Weyntje van Zyll ten overstaan van Vosch van Avezaat, huysinge en herberge c.a. met cleyn huysjen over den dyck; Vecht omtrent Rosendael, De Clop aan Arien Cornelissen van Schayck. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U118a003 aktenummer 101 12-01-1711 |
Op zaterdag 23 juni 1736 werd ten overstaan van het Hof van Utrecht en het gerecht van Utrecht herberg De Klop verkocht voor 2000 duizend en 50 carolusguldens en 20 stuivers, Verkoper was Gerrit Maassen die het goed verkocht aan Hendrik van Bijleveld brouwer wonende te Vleuten. Hendrik was zoals eerder beschreven brouwer maar ook schepen van het gerecht Vleuten. als Hendrik sterft komt herberg De Klop toe aan zijn enigste zoon Johan van Bijleveld werd geboren in ca. 1702 en overleed in 1769, net als zijn vader beoefende hij ook dezelfde beroepen. Bron: Het Utrechts Archief, T76 huisarchief Zuilen, Invt. 45. |
Ruim vijf jaar later werd ten overstaan van de Utrechtse Dirk Oskamp door Hendrik van Bijleveld, huysinge en herreberg De Klop, verhuurd aan Willem Goes op zaterdag 10 juni 1741. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U188a003 aktenummer 119 10-06-1741 Op zaterdag 25 mei 1782 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Willem Gerard van Nes de boedelscheiding plaats van de ouders van Willem Hendrik van Bijleveld (1733-1799), Paulus van Bijleveld (1741-1795) en Cornelia van Bijleveld (1746-1823). Vader Johannes Cornelis van Bijleveld, (1702-1769), huwde in 1751 Ida Eycken. Zij overleed in 1780. |
Cornelia werd vertegenwoordigd door haar echtgenoot Theodorus Gerardus Bosch. In de achttiende- en negentiende eeuw was het gewoonlijk dat nalatenschappen naar een vrouwelijk lid van een familie werden beheerd door de echtgenoot. Uit de boedelscheiding kreeg Cornelia van haar ouders herberg De Klop, heden gelegen aan de Klopdijk 2 te Utrecht Overvecht. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U211a005 aktenummer 28 25-05-1782. |
Van een huurcedule uit het tijdperk dat Cornelia van Bijleveld het goed van De Klop bezat. Verhuurde Theodorus Gerardus Bosch ten overstaan van de Utrechtse notaris Johan Kelffkens op vrijdag 2 november 1782, huysinge c.a., zynde een herberg met kolffbaan; de Vegt by het Sandpad, aan Daniel Vreaart, genaamd Daniel Vreyers, wonende te Achttienhoven tesamen met zijn echtgenote Aaltje van der Woert. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U225a015 aktenummer 11 02-22-1787. |
|
Na het overlijden van Cornelia van Bijleveld in 1823 komt de herberg toe aan haar zoon Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. |
Op dinsdag 28 oktober 1828 ruim zes jaar voor het overlijden van Paul geeft hij herberg De Klop als gift toe aan zijn oudste zoon jhr. Willem Bosch van Drakestein. Dit gebeurt ten overstaan van de Utrechtse notaris Pieter Adriaan Schermbeek. Waarna De Klop ruim 18 jaar in het bezit van Willem blijft en dus onder het onder het onroerend goed van Landgoed Nieuw-Amelisweerd in de gemeente Rhijnauwen ging behoren. Na zijn overlijden nog datzelfde jaar komt De Klop in het bezit van zijn zoon Willem René baron Tuyll van Serooskerken. Bij testament liet Willem René baron Tuyll en Serooskerken enkele jaren voor zijn overlijden optekenen dat Slot Zuylen en herberg De Klop na het overlijden van zijn echtgenote Van Weede moest overgaan naar zijn achterneef Frederik Leopold Samuel Frans baron Tuyll van Serooskerke. Frederik Leopold was de kleinzoon van de broer van de vader van Willem René, hij die ook Willem René heette en in 1839 overleed. |
Een van Willem René's nazaten Frederik Leopold Samuel Frans baron Tuyll van Serooskerke, Heer van Zuilen verkoopt huize De Klop bij veiling op zaterdag 21 april 1900 onder het toeziend oog van de Maarssense notaris Diederik Hendrik van Nieuwenhuizen. Koper van herberg De Klop was Cornelis Gijsbertus van der Lee, van beroep Zuivelfabrikant te Utrecht. Hij kocht De Klop van baron Tuyll van Serooskerken voor f. 21.872,56 gulden. Hij verkoopt De Klop in op zaterdag 6 juli 1912 per veiling ten overstaan van de Utrechtse notaris J.G. Brouwer Nijhoff aan Simon Anthonie Voorwinden uit Schiebroek van beroep veehouder en later wonende te Zuilen. Simon Voorwinden kocht De Klop aan met een lening van f. 28.000,- gulden van vrouwe Anna Elisabeth Ribbius Peletier, echtgenote van dr. Jacob Hartog. Hij voldeed de kooppenningen op vrijdag 1 november 1912 ten overstaan van notaris Brouwer Nijhoff te Utrecht. Simon was gehuwd met Baatje van Wijngaarden. Het echtpaar kreeg een zoon Leenert Simon Voorwinden (1898-1976) Leendert was gehuwd met Johanna van Os (1896-1974) In 1956 werd Leendert Voorwinden de halve eigenaar van boerderij De Klop. Voor de andere helft werd Jan Dirk van der Voort ook van beroep Veehouder en wonende te Lunteren de eigenaar van de boerderij. In 1967 onteigende de gemeente Utrecht huize De Klop van Leendert Voorwinden met als doel de uitbreiding van Utrecht Overvecht Noord te bewerkstelligen. Na het overlijden van Leendert Voorwinden in 1976 woonde (zoon) Simon Anthonie Voorwinden (1925-2005) in De Klop. |
Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, U321a052 1828 sep.-1828 dec. 29-10-1828 - 04-11-1828 Bron: Het Utrechts Archief, 76, 45. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, U324c047 1845 juni-1845 sep. 14-06-1845 - 23-06-1845 |
Op dinsdag 31 januari 1804 kocht Cornelia van Bijleveld voor f. 1.800, - gulden 4 morgen land aan van ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh van Hermanus Fransen Jansz, echtgenoot van Eva Wiggen, land gelegen in Westbroek. Land ging bij herberg De Klop behoren. |
Andere landerijen in de polder van Westbroek kwamen uit de boedels van familie van Cornelia van Bijleveld of waren aangekocht door Theodorus Gerardus Bosch aangekocht. |
Op zaterdag 23 september 1837 vroeg jhr. Willem Bosch van Drakestein aan het department van het ministerie van oorlog om schadeloosstelling omdat hij de stenen koestal vergroot had achter De Klop met daarop neergelegd dakpannen. Bron: Het Utrechts Archief, 76, 45. |
De straatnaam de 'Kloplaan' werden door gemeentesecretaris, burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht vastgesteld op maandag 8 oktober 1956. De Kloplaan is gelegen tussen de Pr. Irenelaan en de rivier de Vecht in het noordelijke deel van de wijk Zuilen. De straatnaam de 'Klopdijk' werden door gemeentesecretaris, burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht vastgesteld op dinsdag 16 april 1985. De Klopdijk is gelegen ten oosten van herberg De Klop in de Utrechtse wijk Overvecht. |
De oudste vermelding die de stichting bekend is van De Klop is de 'Cloop' op de stadregiokaart uit 1629 die zich in de Het Utrechts Archief te vinden is. Diverse historici, Hollandse Waterlinie websites en Regionaal Historische verenigingen schrijven allemaal prachtige artikelen over de historie van Fort aan De Klop. Met de hierin voor hun bekende vermelding dat het fort genoemd is naar herberg De Klophaemer. Met hierin, in 90% van de gevallen in het verhaal niet opgenomen dat het om het naast gelegen pand De Klop gaat. |
Gelegen naast het fort De Klop aan de Klopdijk 2. Evenmin hierin na het uitgebreid nagekeken te hebben op de website laat geen enkel persoon of verenging een goede duidelijke bronvermelding zien. Waarmee te herleiden is dat erover de herberg geschreven wordt als De Klophaemer. |
De herberg vormde in vroegere tijden een rust- en slaapplaats voor florense die over het naastgelegen zandpad naar Amsterdam of Utrecht trokken. De Klop was er ook voor de trekschuiten en andere scheepjes die veerdienst uitvoerde op de naast gelegen rivier de Vecht. Die meestal hun begin- of eindpunt hadden bij de herberg. Een tweede opvallende naar onze mening gedeeltelijke misvatting beschreven hierin is dat ze het hebben over dat Fort aan De Klop genoemd naar herberg De Klophaemer. |
Het klopt inderdaad dat in een opgesnorde bron uit een placaatboek uit 1729 herberg De Klop. De Klophaemer wordt genoemd. Wat in één van de summiere bronnen te bevinden is op internet. Waaronder op Google Books en Delpher.nl. Dat het De Klophamer was geldt verder niet voor de verdere voor- en achterliggende jaren waarin in vermoedelijk tientallen notariële akten wordt geschreven over De Clop of De Klop en niet als zijnde De Klophaemer. |
Dus leest uw op een website dat Fort aan de Klop is genoemd naar Herberg De Klophamer, dient dit met een korreltje zout te worden verstaan. In de vele honderden jaren vanaf de zeventiende eeuw was, en is het De Clop of De Klop. Mocht een ander van mening zijn en bewijs hebben dat er in meerdere akten wordt geschreven als zijnde De Klophamer. Dan verneemt de stichting dat graag en kunnen we dit bijstellen.
|
Op dinsdag 31 januari 1804 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh 4 mergen weyland getransporteerd van eigenaar. Gelegen in de ambachtsheerlijkheid Westbroek en Buytenweg achter de Klop. Verkoper was Hermanus Fransen Jansz, wonend te Zuilen Mariëndaal, echtgenote Eva Wigman. Koopsters was Cornelia van Bijleveld. Zij kocht de 4 morgen land aan om bij haar bezit van boerderij De Klop te trekken. De weilanden lagen enkele tientallen meters in noordwestelijke richting van De Klop af. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U272c030 aktenummer 13 31-01-1804. |
In het jaar 1819 werd westelijk tegen het terrein van boerderij De Klop het Fort aan de Klop aangelegd. Onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Cornelia heeft zoals te zien is op de kadasterkaart in dat jaar een aantal stukjes land behorend bij de boerderij aan de Staat der Nederlanden moeten verkopen voor de aanleg van de fortificatie. |
Fort aan de Klop is een verdedigingswerk aan de rivier de Vecht in Utrecht. Het fort werd aangelegd in 1819. De functie van het fort bestond onder andere uit de bescherming van de stad Utrecht. Het was tevens onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. |
De huidige kruising Klopdijk, Vechtdijk en Eerste Polderweg was vroeger een belangrijk kruispunt voor het verkeer dat met kleine schepen, via de Vecht en de Westbroekervaart (nu Klopvaart), de stad Utrecht moest kunnen bereiken. |
Op deze plaats floreerde de toenmalige herberg "de Clophaemer", waar reizigers onderdak werd geboden. De naam van het fort en van veel organisaties in de omgeving in Utrecht Overvecht zijn hiervan afgeleid. |
Op dit gedeelte van de Vecht was destijds nog geen brug, zoals nu het geval is. Men moest daarom gebruikmaken van de veerdienst van de herberg om de rivier over te steken. De Fortlaan in het wijkdeel Zuilen dankt zijn naam aan het gebruik van deze veerdienst. Bron: Wikipedia Fort aan de Klop. |
Beschrijving van huize De Klop aan de Klopdijk 2
volgens het Monumentenregister
Boerderijcomplex met 17e eeuws woonhuis en compleet erf met o.a. diverse schuren, aan de Vecht en de Klopdijk gelegen. |
|
Het hoofdgebouw, eenlaags met schilddak met de nok evenwijdig aan de Klopdijk, bestaat uit een woongedeelte en een aangebouwd stalgedeelte aan de linkerzijde. Het stamt uit de 17e eeuw en heeft een opkamer en een kelder. De gevels zijn witgeschilderd en hadden tot voor kort geen goten. De op het zuid-oosten gerichte voorgevel aan de Klopdijk heeft eenvoudige, forse muurankers. In deze gevel bevindt zich een deur met rechts daarvan drie vensters en links twee vensters behorend bij de opkamer, alle met de oude luiken. De rechter zijgevel heeft twee hoog geplaatste vensters, eveneens nog met luiken, met daaronder twee kelderlichten, het voorste met luikje, het achterste met diefijzers. |
Achter aan deze gevel bevindt zich een modern venster behorend bij de keuken, die ten dele uitgebouwd onder een aankapping, op maaiveld niveau achter de opkamer ligt en mogelijk tot de oudste bouwfase behoort. De achtergevel van deze aanbouw heeft een goot met ojief-profiel en bevat naast de deur met zijlicht twee kleine, gewijzigde vensters. Links achter ligt een veel diepere aanbouw onder aankapping, aansluitend op het stalgedeelte dat links hiervan ligt onder een zadeldak met wolfseind. |
De achtergevel van deze aanbouw en de stal heeft drie stalvensters onder segmentbogen. |
Achter het hoofdgebouw ligt een rij bijgebouwen. Geheel links, aan de Vecht, een groene houten schuur onder zadeldak met pannendekking, daterend uit de 19e eeuw (of eerder). De nok ligt evenwijdig aan de Klopdijk. De lage zuid-west gevel van rabatwerk heeft links een inrijpoort en rechts een deur. De blinde topgevels rechts en links zijn gepotdekseld. |
Rechts hiervan ligt een recent houten schuurtje van zeer bescheiden afmeting dat geen bescherming behoeft, hoewel kenmerkend voor de wijze waarop uit afvalhout op een levend erf steeds naar behoefte kleine bergingen ontstaan. |
Daarop volgt een witgeschilderd stenen gebouw onder steil zadeldak, met de nok evenwijdig aan de Klopdijk, vermoedelijk uit de eerste helft van de 19e eeuw. De noord-oost gevel, met vlechtingen, heeft een deur en een zolderluik. De zuid-west gevel, eveneens met vlechtingen, is blind. De noord-west gevel heeft een halfrond stalraam. |
Hierna volgt de nog compleet aanwezige vierkante hooimijt onder puntdak. |
Rechts sluit de rij langs de 1e Polderweg met een houten schuur van rabatwerk onder een met pannen gedekt zadeldak met de nok loodrecht op de Klopdijk, stammend uit de 19e eeuw (of eerder) De zuid-oostelijke puntgevel met inrijpoort, zolderluik en daarboven vier invliegopeningen voor duiven, heeft rijk-gesneden windveren en kozijnen. |
De groene rechtergevel langs de 1e Polderweg heeft twee kleine halfronde vensters. De linker zijgevel heeft een deur, een venster en enkele gewijzigde kleine vensters. De puntgevel aan de achterzijde heeft eenvoudige windveren en is zwart geschilderd. |
Tegenover de ingang van het erf, die tussen de laatst genoemde schuur en de keuken van het hoofdgebouw ligt, bevindt zich aan de overzijde van de 1e Polderweg nog een kleine schuur van rabatwerk uit de 19e eeuw (of eerder), onder een ongeveer noord-zuid gericht zadeldak. De voorgevel met inrijdeur, zolderluik en eenvoudige windveren is groen geschilderd. De groene rechter gevel, min of meer langs de Klopdijk gelegen, is op een klein venstertje na blind. |
De eveneens groene linker gevel heeft slechts een zeer laag deurtje. De zwarte achtergevel is blind. Het boerderij-erf is zeer markant gelegen langs de vecht en onttrekt ten dele het jonge fort De Klop aan het oog. |
Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort. |
Krantenadvertenties en akten over herberg 'De Klop'
Grond in Zuilen
In het HISGIS systeem van Ad van Ooststroom staat al te lezen dan Jan van Bijleveld in 1745 al een stuk land aan de (heden) 2e Daalsedijk in Utrecht Zuilen bezat. Na zijn overlijden in 1769 komt het land toe aan zijn dochter Cornelia van Bijleveld. Haar man Theodorus Gerardus Bosch voert het beheer erover. Na het overlijden van Cornelia in 1823 komt het land toe aan Paulus Bosch van Drakestein. Later in de negentiende eeuw komt het land aan de 2e Daalsedijk toe aan familie Bosch van Oud-Amelisweerd. Heden is op het stuk grond de Cartesiusweg, Station Utrecht Zuilen en de St. Josephlaan aangelegd en gebouwd. |
Hofstede met landerijen in Kamerik Teckop (gem. Woerden)
In het jaar 1747 staat in het hoefslaggeld vermeld (belasting) dat Hendrik Bosch de eigenaar is van de boerderij met landerijen in de gemeente Woerden, Kamerik Teckop, Teckop 15. Tot het jaar 1802 zullen met een redelijk zekerheid de boerderij en landerijen vererven op de broers van Hendrik Bosch, via Willem Bosch tot aan zijn broer Theodorus Gerardus Bosch. Na zijn overlijden in 1802 zal de boerderij met landerijen toe bekomen aan zijn weduwe Cornelia van Bijleveld. Na haar overlijden in 1823 komt het land aan de Teckop 15 toe aan haar dochter Cornelia Jacoba Bosch. Haar echtgenoot Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich beheerd het vast- en ontroerend goed. Wat Cornelia Jacoba van haar overleden moeder geërfd had. In de achttiende eeuw en tijden daarna was het gebruikelijk dat gehuwde vrouwen die na het overlijden van een directe familielid veel bezitting erfde. Dat deze toekwamen aan hun echtgenoot. Bron: HISGIS Utrecht, Ad van Ooststroom. |
Hofstede en landerijen in Kamerik Mijzijde
In het jaar 1750 staat in het hoefslaggeld vermeld dat Willem Bosch de eigenaar is van de boerderij met landerijen aan de Kamerik Mijzijde, Mijdzijde 148. In 1801 overlijd Willem Bosch en komt de boerderij met land in het bezit van zijn broer Theodorus Gerardus Bosch. Hij overlijd een jaar later in 1802. In het kadaster van 1832 staat dat de weduwe van Theo, Cornelia van Bijleveld de eigenaresse is van land en boerderij. Dit is wel opmerkelijk want zij overlijd in 1823, ruim 9 jaar eerder. Dus mag aangenomen dat Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein vanaf die tijd de eigenaar was. Bron: HISGIS Utrecht, Ad van Ooststroom. |
Hofstede Den Hoed in Vleuten-De Meern (gem. Utrecht)
Op donderdag 30 mei 1754 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Luyt van der Pauw boerderij De Hoed, gelegen te Vleuten verkocht. De gemachtigde in de verkoop was Hendrik van den Bosch. Verkoper was Isaacq de I' Espaul van beroep lid van de veertig raad van Delft. Koper van Den Hoed was Theodorus Gerardus Bosch van beroep koopman te Utrecht. Fragment van omschrijving van Den Hoed in de notariële akte: hofstad en huysinge met 26 mergen zoo boomgaert als bouwlandt ca, te Vleuten, genaamd Den Hoedt. |
Na het overlijden van Theodorus Gerardus Bosch in 1802 gaat boerderij Den Hoed over op zijn schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich. Hij is getrouwd in 1793 met Cornelia Jacoba Bosch. Zij is de zus van Paulus Wilhelmus Bosch. Uit het huwelijk van Cornelia Jacoba Bosch met Hendrik Joseph komen twee zonen. Johan Alexander Hubert Baron Michiels van Kessenich (1800-1863) en Frans Bernhard Hubert Jonkheer Michiels van Kessenich (1802-1881). Bron: Het Utrechts Archief Notarissen in de stad Utrecht 34-4 U205U009, aktn. 79, 30-05-1754. |
Eigenaren boerderij Den Hoet (Belcampostraat 4-6) Kadastrale gemeente Vleuten, Sectie A en F 1. Hendrik Joseph baron Michiels van Kessenich en echtgenote Cornelia Jacoba Bosch 1823-1839 (legger 83) 2. Jan Alexander Hubert baron Michiels van Kessenich en Con. 1839-1854/1860 (zoon) (legger 188) 3. Cornelia Maria Eugenia Petronella barones Micheils van Kessenich (dochter), echtgenote van jhr. Carel Jan Hendrik van Nispen tot Sevenaer en jhr. Paulus Josephus Aloysius Anealitus Maria van Nispen tot Sevenaer 1860-1915 (zoon) (legger 445) 4. jhr. Mr. Paulus Josephus Aloysius Anealitus van Nispen tot Sevenaer en jhr. Joannes Ludovicus Emmanuel Maria van Nispen tot Sevenaer, heer van Kessenich en Hunsel (zoon) 1915-1966 (legger 1065) 5. Maatschap Van Nispen tot Sevenaer, gevestigd te Huis ter Heide, maten: jhr. Joannes Ludovicus Emmanuel Maria van Nispen tot Sevenaer, wonende te Huis ter Heide (gemeente Zeist), jkvr. Theresia Maria Margaetha Cecilia van Nispen tot Sevenaer, wonende te Rosmalen, gehuwd met Frans Jozeph Maria Rouppe van der Voort 1966-1967 (legger 3116) (Utrechtseweg 111) 6. Agtha Sophia Spithoven, wed. Adrianus Johannes Spithoven (veehouder) 1967-1972 (koper) (legger 3194) 7. Adrianus Cornelis Vernooij, gehuwd met Josephina Maria Vernooij 1972-1987 (koper) (legger 3896) Bron: Kadasterarchiefviewer 1832-1987. |
Beschrijving van Den Hoet volgens Wikipedia Den Hoet Den Hoet was een versterkt huis uit de middeleeuwen aan de weg tussen Utrecht en Vleuten. Het lag in een lus van de inmiddels verdwenen rivier de Rijn. Het terrein waarop het zich bevond is bewaard gebleven. Het nog aanwezige toegangshek, dat dateert uit de 16e eeuw, is een rijksmonument. |
Op het terrein staat thans een boerderij met de naam Den Hoet, een gemeentelijk monument. Vroeger was de omgeving ervan landelijk gebied, thans stedelijk gebied: de buurt Het Zand in de Utrechtse wijk Leidsche Rijn. In de directe omgeving van de boerderij Den Hoet is een straat met dezelfde naam. |
Over het ontstaan van Den Hoet is weinig bekend. De eerste vermelding komt voor op een kaart uit 1556, waarop een omgracht huis met trapgevels staat afgebeeld. Het huis was een leen van kasteel Ruwiel, gelegen bij Oud-Aa, gemeente Stichtse Vecht. Het versterkte huis Den Hoet was destijds gelegen bij de aansluiting van de gegraven Vleutense Wetering op de oude Rijnloop direct aan de noordwestzijde van de Hoge Weide. Hierin is sprake van een complex met: visscherije, cingels, graften, boomgaerde, bouwhuys, brouwhuys, bergen, schuijren ende vordere appendirien, mitsgaders d'landen daer aen behoorende ende annex gelegen groot te saemen omtrent ses en twintigh morgen lands. In de achttiende eeuw is het huis waarschijnlijk vervallen geraakt en gesloopt. |
In 1741 is namelijk sprake van een hofstede en niet meer van een kasteel of buitenplaats. De huidige dwarshuisboerderij werd grotendeels in 1917 gebouwd. Overblijfselen van het oude Den Hoet zijn beschermd als archeologisch monument. De boerderij zelf is een gemeentelijk monument, terwijl een 16e-eeuws hekwerk van de boerderij de status van rijksmonument heeft. |
Overgenomen uit: Vleuten- De Meern; Geschiedenis en Historische Bebouwing; naar een tekst van Otto Wttewaall, 1994, Uitgeverij Kerckebosch BV, Zeist. |
De geschiedenis van deze boerderij gaat terug tot in de late middeleeuwen, toen er naastde boerderij op het tegenwoordig nog aanwezige omgrachte eiland een versterkt stenenhuis stond. Op een kaart uit 1556 staat op de plaats van de huidige boerderij een langhuisboerderij met drie hooibergen getekend. Dit complex behoorde bij het versterktehuis. Het stenen huis op het eilandje is ergens tussen 1671 en 1714 gesloopt. Den Hoet was een leen van het kasteel Ruwiel en uit het leenregister van dit kasteel weten we datin 1593 Dirk van Westrenen beleend werd met 'een hofstede genaempt den Hoet met achtmergen lants ende een duyfhuys gelegen aende weijde int proosten gericht van Oudmunster. In de achttiende eeuw werden leden van de families Lespaul en Bosch met Den Hoet beleend. Dit waren allemaal mensen die zelf niet op Den Hoet woonden, maarde boerderij met het omringende land verpachtten. De boerderij is tot in deze eeuw eenpachtboerderij gebleven. Door de eeuwen heen zal het pand diverse malen zijn verbouwd.De huidige dwarshuisboerderij dateert grotendeels uit 1917. Het achterhuis had tot voorkort zijmuren van een groot formaat stenen die met leem waren gemetseld en mogelijknog uit de zeventiende eeuw dateerden of zelfs nog ouder waren. Bij de laatste verbouwing in 1989 werd het achterhuis echter ingekort en de zijmuren opnieuw opgetrokken.Het voorhuis werd in opdracht van P. van Nispen tot Sevenaer in 1917 nieuw gebouwd.Architect J.C. Wentink schreef in de bouwaanvraag aan de gemeente: |
"Het tegenwoordige voorhuis van de hofstede den Hoed kadastraal Gem. Utrecht sectie A nr. 1170 zal geslooptworden, de stenen schoongemaakt om in de fundering en binnenmuren deze voorzover Het bakstenen voorhuis ligt onder een rieten samengesteld wolfsdak. De voorgevel is sym- Deze topgevel heeft, evenals de zijgevels van het voorhuis, vlechtingen. De oorspronkelijke toegangsdeur is in de rechterzijgevel gesitueerd. Bij de laatste verbouwing in 1989 werd echter in de linkerzijgevel een nieuwe deur in een inpandig portiek aangebracht. Rechts naast de boerderij staat een grote schuur onder een deels met riet en deels met Hollandse pannen gedekt zadeldak. De inrit van het complex wordt aan de Utrechtseweg gemarkeerd door een monumentaal achttiende-eeuws twee vleugelig smeedijzeren hek. LinkS aCnter op net ert staat tenslotte nog een houten schuur onder een rieten wolfsdak. Deze scluur was wdarsen)jnijk een Schaapskooi en dateert uit de achttiende eeuw. |
Belcampo (Naarden, 21 juli 1902 – Groningen, 2 januari 1990) was het pseudoniem van de Nederlandse schrijver Herman Pieter Schönfeld Wichers. "Belcampo" is de Italiaanse vertaling van zijn achternaam Schönfeld (= mooi veld). |
Hij groeide op in Rijssen, studeerde rechtsgeleerdheid en notarieel recht in Leiden en Amsterdam en werkte korte tijd op een advocatenkantoor. Overgenomen van Wikipedia Belcampo. |
De straatnaam Belcampostraat werd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht vastgesteld op woensdag 5 november 2003. |
De straatnaam Dirck Hoetweg werd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht vastgesteld op dinsdag 17 juli 2012. |
Land aan de Breudijk te Harmelen (gem. Woerden)
Op donderdag 27 juli 1758 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Luyt van der Pauw het onroerend goed van de overleden heer Gerrit Dykmans verkocht. De executeur testamentair zijn Gerard van Wieringen en Dirk Oskamp. Uit zijn nalatenschap behoorde bij de verkoop een huis aan de rivier de Vecht bij de Bemuurde Weerd, de windkorenmolen 't Fortuyn, staande op de stadswal van Utrecht bij de Catharijnepoort en een huis met 2,5 morgen boomgaard alsook weiland gelegen aan Breudijk 53-51 te Harmelen. |
Koper van al het goed is Willem Bosch. Willem overlijd in 1801 en uit zijn nalatenschap komt het land toe aan zijn broer Theodorus Gerardus Bosch. Theo overlijd in 1802. Na zijn overlijden komt het land naar alle waarschijnlijkheid toe aan zijn vrouw Cornelia van Bijleveld of zoon Paulus Wilhelmus Bosch. Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 staat in ieder geval te lezen dat het land in bezit is van Paulus. |
Land en huizen in het Lauwerecht (gem. Utrecht)
Op zaterdag 26 mei 1764 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Zeeger Coenraad van Leenen een: zekere huysinge, erve, hoff, stallinge en koetshuys verkocht, gelegen aan de Weerdsgragte. Het tweede erbij verkochte object betrof een huyzinge en erve ook gelegen aan de Weerdsgragt in het gerecht van de Bemuurde Weerd, westzyde van de Kleyne Sluys. De verkopende partij was Johannes Nicolaas Oosterhuyze. Kopers waren Willem Bosch en zijn jongere broer Theodorus Gerardus Bosch. |
Het hierboven omschreven objecten stonden als je het vandaag de dag bekijkt aan Bemuurde Weerd Westzijde, Kaatstraat, Oudenoord en Raamstraat, in het vroegere gerecht Lauwerecht. De Raamstraat behoorde ook bij het eigendom van de broers Bosch. In de boedelscheiding van Willem Bosch uit 1801 zien we dat huizen met erve, hof en stallingen niet erbij inbegrepen zitten. Bij de aankoop uit 1764 was Theo ook de eigenaar van het hele spul. Na het overlijden van Theo in 1802 zal het onroerend goed aan Bemuurde Weerd aan de rivier de Vecht over zijn gegaan naar zijn vrouw, weduwe Cornelia van Bijleveld. Na haar overlijden. Is dit vast- en onroerend goed overgaan naar haar kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch. Dat is ook terug te zien bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 dar Jan Willem Hendrik de eigenaar is. Waarna hierna aangenomen mag worden dat het onroerend goed nog een korte tijd in de familie Bosch van Oud-Amelisweerd is gebleven. Jan Willem Hendriks zoon is de stamvader van de nieuwe familietak Bosch van Oud-Amelisweerd. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U207a008 aktenummer 75 26-05-1764. Op de eerste kaart in de viewer (hieronder) is nog een klein ander stukje land geel gearceerd. Meer vanaf het noorden gezien vanaf de stad ten westen van rivier de Vecht. Dit perceel is van een zekere Bernardus Bosch. Hij is zeker geen lid van de familie Bosch van Drakestein In de tweede helft van de negentiende eeuw werd aan de Oudenoord en de Kaatstraat de Brood- en meelfabriek De Korenschoof opgericht en gebouwd. Wikipedia De Korenschoof (Utrecht) schrijft hier het volgende over: De Korenschoof was een brood- en meelfabriek in de Nederlandse stad Utrecht. De brood en meel fabriek werd gebouwd op de gronden die eerder van de familie Bosch van Oud-Amelisweerd waren geweest. |
Hofstede en landerijen in Ruwiel aan de Bosdijk 8
Op zaterdag 22 september 1770 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris D. Oskamp de verkoop van de boerderij met landerijen in Abos en Ruwiel met 23 morgen, wei-, hooi-, als henniplanderijen aan de Boschdijk. Verkoper van de boerderij was Adriaan Ockhuysen Matthiasz. koper was Theodorus Gerardus Bosch. Hij betaald ruim f. 1.500-, gulden voor het goed. De boerderij en land lagen in de vroegere ambachtsheerlijkheid Ruwiel, buurtschap de Oude Aa. Heden gelegen in de gemeente Stichtse Vecht. In 1803 staat beschreven dat Paulus Wilhelmus Bosch de eigenaar is. Hij is de zoon van Theo. Paulus zal kort erna de boerderij aan zijn moeder Cornelia van Bijleveld hebben gegeven. Zodat zij voor haar oude dag voorziening kon zorgen uit de opbrengsten van de pachten. Na haar overlijden in 1823 gaat de boerderij, heden gelegen aan de Bosdijk 8 te Kockengen over naar haar schoonzoon. Dat is te zien bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832. Schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich, hij is gehuwd met Cornelia Jacoba Bosch. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 1432, aktenummer: 48-1. |
Hofstede en landerijen in Oostveen (Maartsendijk) en Blauwkapel (gem. Utrecht)
*
Op zaterdag 30 december 1775 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Adrianus Hoevnaar Sr. een huysinge, erve en grond met 4 caameren en 3 stallingen en een bergh verkocht. De naam van het object was de Zwarte Hengst of later Het Bonte Paard. De belendingen waren de wegh na de Maartensdyk en Blauwe Capelsesteeg. Mede behorend bij de verkoop op die dag waren een halve viertel groot 3 mergen wey- en hooyland aan de Gageldijk, de Kaay in de gerechten van Oostveen (Maartensdijk) en aan de Blauwcapel in de Twaald Hoeven. De verkopende partij was Otto van Wulven. Van beroep Hospes (kamerverhuurder in zijn eigen huis) aan de Blauwkapel. De kopende partij was Theodorus Gerardus Bosch. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U229a010 aktenummer 175 30-12-1776. Na het overlijden van Theo in 1802 verhuurt zijn echtgenote Cornelia van Bijleveld op vrijdag 24 november 1809 het onroerend goed als zijnde huisinge en herberge met stallinge, 2 schuuren en annexe woningen mitgaders 3 morgen weiland. Gelegen in de gerechten van Oostveen (Maartensdijk) en aan de Blauwkapel. Huurder van het hele goed is Hendrik van den Bergh. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U272C040 aktenummer 84 24-11-1809. |
* |
Na het overlijden van Cornelia van Bijleveld in 1823 komen de landerijen van Het Bonte Paard toe aan haar schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich hij is gehuwd met Cornelia haar dochter Cornelia Jacoba Bosch. Omstreeks het jaar 1860 werd op het onroerend goed van familie Michiels van Kessenich de Centraalspoorweg aangelegd. Een destijds nieuwe spoorlijn van Utrecht, via Amerfoort naar Zwolle en Kampen. Rond het jaar 1872 kwam daar nog de Oosterspoorweg bij. Een nieuw aan te leggen spoorweg van Utrecht Lunnten, Abstede/Oudwijk naar het Noord-Hollandse Hilversum. In de jaren zestig van de twintigste eeuw werd op het vroegere stuk grond van familie Michiels van Kessenich de nieuwe straten van Utrecht Overvecht aangelegd. Hierbij te denken aan de Polluxdreef, Vulcanusdreef, Plutodreef, Palles-Athenedreef en de Wolgadreef. De drie morgen land lag gelegen ten westen van het Nieuwe Hollandse Waterlinie Fort, Fort Blauwkapel en ten noorden van het Utrechtse Zwarte Water een vroeger gegraven kanaal. |
Uiterwaarden bij rivier de Lek (gem. Wijk bij Duurstede)
In de notariële archieven te vinden in Wijk bij Duurstede ten overstaande van notairs Mariënhoff wordt in de notariële akte nog geschreven over de 'Hoogerwaarde' in plaats de Bosscherwaarden. Jhr. Paul Bosch van Drakestein en zijn moeder Cornelia van Bijleveld die hij vaak meenam naar Wijk bij Duurstede om bij notaris Mariënhoff zaken te regelen. |
Regelde veelal de verkoop van het grasgewas en de na-weide van de uiterwaarden. Maar ook het brandhout of hakhout afkomstig van het sinds in zijn bezit augustsus 1811 zijnde landgoederen Nieuw-Amelisweerd en Oud-Amelisweerd. Paul liet deze zaken aan over Mariënhoff voor het veilen en verkopen. Dit gebeurde meestal bij familie 'Van de Vegt' in het café van het gehucht Vechten in boerderij annex café Wiltenburg aan de Provincialeweg 116 in Bunnik en Vechten. |
Op zaterdag 13 juli 1776 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Jan Tielman Blekman een uytterweerde, groot 52 mergen en 78 roeden lands verkocht. De verkopende partij was Cornelis Gerardus de Wijkerslooth van Grevenmachern. Henricus de Wijkerslooth was de gemachtigde om de verkoop namens zijn broer uit te voeren. Koper van de 52 morgen uiterwaarden langs de rivier de Lek was Theodorus Gerardus Bosch. De uiterwaarden waren leenroerig aan de Staten van Utrecht met uitzondering van 8 hond land, genaamd het Utrechtse Kind, dat in erfpacht was van het Gasthuis te Wijk bij Duurstede. Na het overlijden van Theo in 1802, en zijn echtgenote in 1823 via haar zoon Paulus komt de uiterwaarden na april 1834 in het bezit van zijn zoon Jhr. Karel Bosch van Drakestein, Heer van Sterrenberg en Reijerscop - Kreuningen. In 1902 richt familie Steenberghe / Bosch van Drakestein een vennootschap op ten overstaan van notaris H.J. van Heijst voor de exploitatie van de Bosscherwaarden met een startkapitaal van f. 14.000 gulden. In het jaar 1921 verkoopt familie Steenberghe de Bosscherwaarden aan de nieuw opgerichte Steenfabriek De Bosscherwaarden van familie Arntz. Een enkel perceel in de Bosscherwaarden bleef van een persoon in de familie Steenberghe tot 1975. Waarna ook dat laatste perceel aan de lokale agrariër werd verkocht. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U227a009 aktenummer 131-1 13-07-1776. Heden heet deze uiterwaarden bij Wijk bij Duurstede de Bosscherwaarden naar familie Bosch van Drakestein die het heel lang in bezit heeft gehad. |
Landerijen in Utrecht Overvecht
In het HISGIS systeem van Ad van Ooststroom staat al te lezen dan Jan van Bijleveld in 1776 al een stuk land heeft. Gelegen tussen de Kwakeldijk en de St. Anthoniusdijk. Heden is hier het groot winkelcentrum Utrecht Overvecht op gebouwd samen met de flats en laag bouwwoningen aan de Theemsdreef, Neckardreef en Moldaudreef. Na het overlijden van Jan van Bijleveld in 1769, gaat het land over naar zijn dochter Cornelia van Bijleveld. Nar haar overlijden in 1823. Komt het land tussen de St. Anthoniusdijk en Kwakeldijk toe aan haar dochter Cornelia Jacoba Bosch en haar echtgenoot Hendrik Josepf Baron Michiels van Kessenich. |
Hofstede De Biezebosch en landerijen
op de Emminkhuizerberg (gem. Renswoude)
Op woensdag 3 mei 1780 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris 't Hoofd een hofstede met huisinge, bergen, schuur, schaaphok en verder getimmerte, met omtrent een hondert mergen, vijf hondert en vijftig roeden Bouw, Weij en Veenland, staande ende gelegend onder den gerechte van Emminkhuijsen, in de Hoge en Vrije Heerlijkheid van Renswoude, uitmakende het vijfde part van de goederen van den Emminkhuijser Berg getransporteerd. |
Koper was Theodorus Gerardus Bosch zijn comparant (zaakwaarnemer) was Adrianus Hoevenaar, de verkoper was Jan Jacob van der Muelen. Zijn comparant was Hendrik van Heteren. Getuigen van het transport van goederen, gelegen op de Emminkhuizerberg in Renswoude waren Jan van Doornik en Antonije Hermannus Hagen. Op vrijdag 7 januari 1791 compareerde (zaakwaarnemend) notaris Herman Brouwer notaris van de heren van de Hove van Utrecht (rechtbank), residerende (plek van aanwezigheid) bij de Burgemeesteren en Vroedschap derselver Stad. Onder bedienend oog van de nagenoemde getuigen de heer Theodorus Gerardus Bosch, woonende buijten deezer stads Waardpoort en verklaarde den comparant in de beste en bestendigste vorm van rechteren bij deezen te constiueeren (bepalen) en matig te maken, De Heer Jan Smith notaris te Veenendaal speciaal omme te compareeren (op gedaagd) voor den Heer Leen Griffier van den Huijze van Renswoude. En aldaar in den naam van hem comparant verheffing te verzoeken van 't Leen, off van de Leen van de Hofstede om annexis met ruijm Een Honderd Mergen land geleegen onder den Gerechte van Renswoude, op de Emminkhuijzerberg off den gedeelte van dezelfde Hofstede, subject en Leenroerig zijnde aan den voorsz. Huijze van Renswoude ... enz. enz. enz. |
Versoekende hier van acte die is deeze Alouis Gedaan en Gepasseerd binnen binnen Utrecht ter presentie (aanwezigheid) van Johannes van Ingen en Henricus Meijberg als Getuigen, die de geprothocolleerde (in het openbaar) Aacte deeser neevens den Heer comparant en mij Notaris meede Onderteekend hebben. H. Brouwer Nots. Bron: Het Utrechts Archief, archief Taets van Amerongen (bezitters van de Heerlijkheid Renswoude), 1855, 1232. |
Zoals in het kort beschreven Theodorus Gerardus Bosch koopt op woensdag 3 mei 1780 ten overstaan van de Utrechtse notaris 't Hoofd een hofstede met huijsinge en ruim 100 morgen land, gelegen op de Emminkhuizerberg van de vorige eigenaar Jan Jacob van der Muelen. Een kleine 11 jaar later in 1791 wil Theodorus Gerardus Bosch zijn 100 morgen land met hofstede in leen reven aan het huis van Renswoude. De betekenis om de landerijen in leen te geven aan het huis Renswoude was een manier om de belastingen en opbrengsten van het vast- en onroerend goed van Theo Bosch over te brengen naar het huis van Renswoude. De landerijen, huizen en boerderijen bleven wel zijn bezit. Als Theo overlijd in 1802 zal het vast- en onroerend goed vast in handen van zijn vrouw Cornelia van Bijleveld of zoon Paulus Wilhelmus Bosch gekomen zijn. Met de start van het kadaster vanaf 1 oktober 1832 is Theo's kleizoon en neef van Paulus Jan Willem Hendrik Bosch van de ruim 100 morgen gronden in Renswoude eigenaar. Op negentiende eeuwse kaarten wordt het gebied met hofstede en woningen wat van familie Bosch (Van Oud Amelisweerd) op de Emminkhuizerberg is geweest. De Biezebosch genoemd. Iets wat in achttiende eeuwe notariële document door de stichting niet gevonden is. |
Landerijen in Achttienhoven (gem. De Bilt/Utrecht/Westbroek)
Op maandag 26 november 1781 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Adrianus Hoevenaar Sr. een kamp wey-, hooy en bouwland, groot 10 mergen aan de Gageldijk verkocht. Belendingen achter: Karnmelksdyk, ene zyde : NN Van Duynkerken andere zyde Roelof van Nimwegen. De 10 morgen land waren leenroerig aan het huis Pylsweerd. Gelegen in het Utrechtse gerecht Achttienhove. De verkopende partij was Goyert Peterse van Schaik, wonende te Westbroek. Zijn echtgenote was Jannigje Jacobse Spelt. De koper was Theodorus Gerardus Bosch. Na het overlijden van Theo in het jaar 1802 komt de 10 morgen land, gelegen in polder De Gagel toe aan zijn echtgenote Cornelia van Bijleveld. Na haar overlijden in het jaar 1823 is haar zoon Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein de nieuwe eigenaar van het stuk land. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U229a012 aktenummer 100 26-11-1781. |
Landerijen in de polder Rozendaal (gem. Utrecht)
Op zaterdag 13 juli 1782 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris verkocht ontrent 4 mergen wey- en hooyland, bij het bruggetje van Dirk Jan Huygens. De belendingen zijn de Gageldijk, Bartholomeusgasthuis; erfgenamen van Arnoldus van Beyleveld. Allemaal gelegen in de gerechten Achttienhoven en in den Buytenwegh. De 4 morgen wei- en hooiland waren eerder het eigendom Jacob van Dorssen, Zijn aangewezen erfgename Elizabeth Leudsen verkocht de boedel na het overlijden van Jacob van Dorssen. Mede verkopende partij was de Utrechtse notaris en procureur Luyt van der Pauw. ZIjn functie bij de boedelverkoop was executeur testamentair. Koper van de 4 morgen land was Theodorus Gerardus Bosch. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U276a002 aktenummer 4 13-07-1782. Na het overlijden Theo in 1802, en zijn echtgenoten Cornelia van Bijleveld in 1823 komen de 4 morgen land toe aan zijn schoonzoon Hendrik Joseph Baron Michiels van Kessenich, hij is gehuwd met Cornelia Jacoba Bosch. In jaren vijftig van de twintigste eeuw werd op het vroegere stuk land van familie Bosch en Michiels van Kessenich de huidige Einsteindreef aangelegd. In de toen nieuw te bouwen woonwijk Utrecht Overvecht. |
Landerijen in Bergambacht en Schoonhoven
(Prov. Zuid-Holland)
Op 6 juli 1796 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Jan Kelffkens een openbare verkoping van een losrente-brief (schuldbekentenis) van f. 12,- gulden jaarlijks gevestigd op diverse percelen land in de ambachtsheerlijkheid Bergambacht. Voor dit transport waren de gemachtigde Willem van Nes, advocaat aan het Hof van Utrecht en Paulus Willem Bosch van beroep secretaris van in de Raad van de Rechtspleging. Voor borg stond Otto Braat. De losrente-brief was tot 1796 in het bezit va Paulus van Bijleveld, broer Willem Hendrik van Bijleveld en Cornelia van Bijleveld zij was echtgenote van Theodorus Gerardus Bosch. Willem Hendrik van Bijleveld en Theodorus Gerardus Bosch waren de verkopende partij van de losrente-brief van hun broer en zwager Paulus van Bijleveld. Hij was van beroep priester in de Rooms Katholieke kerk van Vleuten. De aankopende partij was Jan Blanke. Op 1 oktober 1832 is er bij het kadaster in de gemeente Bergambacht bekend dat Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein nog drie percelen bouwland en één perceel wetering in eigendom heeft. Percelen Bergambacht C434, 435 en 436 en wetering perceel C2542. Later kwamen deze stuken grond binnen de gemeente Schoonhoven te liggen, per 1 mei 1939. Paulus had vermoedelijk deze stukken grond aan de Opweg in Schoonhoven vererft gekregen via zijn oom, de broer van zijn moeder Cornelia van Bijleveld. In de Memories van Successie van Paulus die in 1834 is opgemaakt na zijn overlijden staat geschreven over deze stukken grond in Bergambacht. Na kort kadasteronderzoek is bekend dat na zijn overlijden deze percelen en het perceel wetering aan personen zijn verkocht die in die buurt woonde. |
Hofstede en landerijen in Kamerik Mijzijde (gem. Woerden)
In het jaar 1797 koopt Willem Bosch een boerderij met bijbehorend land aan, gelegen in Kamerik Mijzijde. Totdat jaar was de boerderij met land het eigendom geweest van het Convent (klooster) van Oudwijk te Utrecht. Na het overlijden van Willem in 1801 vererft het goed op zijn broer Theodorus Gerardus Bosch die na een jaar in 1802 overlijd waarna het goed in het bezit komt van zijn zoon Paulus Wilhelmus Bosch. Heden zijn de landerijen en twee huizen in Kamerik Mijzijde te vinden op de Overstek 10 en 12. |
Landgoed Bruxvoort in Bennekom (gem. Ede, prov. Gelderland)
Op dinsdag 27 januari 1798 om 16:00 uur in de middag van huize van kastelein B. Mikking te Bennekom (Gelderland) kocht Paulus Wilhelmus Bosch boerderij Bruxvoort te Bennekom aan. Paul Bosch kocht Bruxvoort aan (toen nog een buitenplaats) voor een koopsom van ƒ. 12.500,- gulden van douairière van G. Umbgrove, Clara Bouricius. Bruxvoort betekend doorwaadbare plaats door het moeras. |
Al voor 1 oktober 1832 had Paulus boerderij Bruxvoort al overgedaan naar zijn zoon Johannes Gerardus Bosch van Drakestein. |
Landerijen in Blauwkapel (gem. Utrecht)
Tussen donderdag 27 juli 1797 en woensdag 19 september 1798 werden de vroegere vast- en onroerende goederen verkocht van het vroegere Utrechtse klooster Mariëndaal. Dit klooster heeft ooit gestaan heden in de wijk Noordwest Utrecht Zuilen. Onder grond liggen nog de restante van dit Middeleeuws klooster, onder het Queeckhovenplein. Gelegen tussen de Burgemeester Norbruislaan in het zuidwesten, de J.M. de Muinck Keizerlaan in het zuidoosten en in het noorden gelegen rivier de Vecht. Bij de verkoop van de vroegere onroerende goederen van het klooster in de periode 1797-1798. Is niet helemaal duidelijk wie van de familie Bosch het stuk grond, gelegen de Gageldijk en Kwakeldijk heeft gekocht. Vermoedelijk zal dit Theodorus Gerardus Bosch dit zijn geweest. Dat na zijn overlijden de grond in het huidige Utrecht Overvecht is overgegaan naar zijn echtgenote Cornelia van Bijleveld. Dat na haar overlijden de grond na 1823 is vererft aan kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch. Zo staat dit ook te lezen bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832. Dat Jan Willem Hendrik Bosch is. De verkoop werd eind achttiende eeuw geleid door de Staten van Utrecht. Die ruim 250 jaar eerder de gronden van diverse katholieke kerken confisqueerde na de Beeldenstorm en Reformatie van omstreeks 1580. In de loop van de twintigste eeuw verkocht familie Bosch van Oud-Amelisweerd het land tussen de Kwakeldijk en Gageldijk. Mogelijk is ook als het land van Mariëndaal al in 1797 als één van de eerste landerijen verkocht zou worden, dat Paulus Wilhelmus Bosch rond zijn 26e jarige leeftijd een van zijn eerste grote onroerend goed aankopen deed. En dat neef Jan Willem Hendrik Bosch bij zijn 18e verjaardag in 1817 het vroegere land van Mariëndaal kreeg van ome Paul. Wikipedia schrijft over het vroegere klooster Mariëndaal (Utrecht) het volgende: Mariëndaal is een verdwenen vrouwenklooster in de Nederlandse stad Utrecht in de nabijheid van het huidige Queeckhovenplein. Het kloostercomplex kende daarnaast nog andere gebouwen. Het klooster kreeg in zijn bestaan te maken met beschadiging door blikseminslag en oorlogsgeweld. In de 16e eeuw ontstonden door onder meer de Reformatie grote veranderingen. Afbraak van het klooster geschiedde in 1586 en aansluitend werd het goederenbeheer overgenomen door de ridderschap en rentmeesters. Aan het eind van de 18e eeuw is Mariëndaal definitief opgeheven. Van de gebouwen zijn niet veel meer dan ondergrondse restanten overgebleven. Een klein aantal opgegraven bouwfragmenten Vanaf de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw werd de wijk Utrecht Overvecht op de vroegere Bosch van Oud-Amelisweerd grond gebouwd. De vroegere Bosch van Oud-Amelisweerd grond ligt heden gelegen globaal gezien in het Utrechtse Overvecht tussen de Brailledreef, Einsteindreef en Albert Zweitserdreef. |
Huis aan de Voorstraat (nr. 85 - splitsing in 1890 (H.513a) en Voorstraat nr. 87 - voor 1890 één huis met nr. 85 (H.513) (binnenstad, gem. Utrecht)
Op zondag 10 februari 1799 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Pieter Jongeneel Huijbertz het huis aan de Voorstraat 87 aankocht door Paulus Wilhelmus Bosch, van de wel edel gestrenge heer Joachim van Vliet. In 1812 verhuisd familie Bosch van Drakestein naar het Janskerkhof 17, 17a. Paulus hield het huis aan de Voorstraat aan voor verhuur. Zoon Johannes Gerardus Bosch van Drakestein werd hier in juli 1811 geboren (BS Utrecht G 1811, aktenr. 4). In februari 1890 diende Johan Christiaan Ebeling een bouwplan bij de gemeente in tot verbouwing van het huis op het perceel Voorstraat wijk H no. 513. Bij deze verbouwing werd het huis weer gesplitst; het pand heeft volgens de bouwtekening twee voordeuren. |
In februari 1890 werd er een bouwplan bij de gemeente ingediend tot verbouwing van het huis op het perceel Voorstraat wijk H no. 513. Bij deze verbouwing werd het huis weer gesplitst; het pand heeft volgens de bouwtekening twee voordeuren. Bronnen: Het Utrechts Archief, Notarissen in de stad Utrecht, 34-4, U302C003, aktenummer: 11, blz. 25. Huizenaanhetjanskerkhof.nl. |
Oliemolen De Fortuin (gem. Utrecht)
Op maandag 6 oktober 1800 werd ten overstaan van notaris Cornelis de Wijs te Utrecht wordt door donateur Theodorus Gerardus Bosch de helft geschonken aan de donataris zijn zoon Paulus Wilhelmus Bosch van de oliemolen genaamd Het Fortuin, staand bij de stadswallen bij de Catharijnepoort te Utrecht. De andere helft van de oliemolen koopt Paulus Wilhelmus Bosch aan van Johannes Gerardus Dadelbeek en Henricus van der Burgh die de executeur testamentairs zijn van zijn overleden oom Herbert Jan Bosch. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U256c038 119 en 120. |
Op dinsdag 3 november 1868 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Cornelis Govert de Balbian van Doorn. In tegenwoordigheid van 'HoogwelEdelgeboren Heer Meester Nicolaas Pieter Jacob Kien, Ridder Commandeur der Orde van de Nederlandschen Leeuw Lid vaan de Tweede Kamer der Staten Generaal, Lid van de Staten der Provincie en burgemeester der gemeente Utrecht met den Hoogwelgeboren Heer Jonkheer Meester Willem Hendrik de Matteville, secretaris der gemeente Utrecht'. |
'Tezamen in hunne vermelde hoedanigheid van Burgemeester en Secretaris der gemeente Utrecht hierbij handelende namens de GEMEENTE UTRECHT ter eene'. 'en de Edel Groot Achtbare Heer Willem Henricus de Heus, Ridder der Orde van den Nederlanschen Leeuw, Lid van de Staten der Provincie en van den raad der gemeente Utrecht, wonende te Utrecht, ter andere zijde der welke hebben te kennen gegeven dat de laatste genoemde heer De Heus in bezit en gebruik houdt onderscheidende gedeelten van den grond bekend als het Vreeburg liggende aan de noordwestzijde der stad aan de buitengracht tussen de Catharijnekade en de Rhijnkade in den perceelsgewijze kadaster leggers der gemeente Utrecht voorkomende Sectie C, nummers 1650, 3010, 3011, 3012, 3055, 1672, 4051, 3845, 3846 ter namen Willem Hendricus de Heus'. |
.... 'acte van koop verleden voor den notaris Stevens en getuigen te Utrecht den derde mei achttienhonderd een veertig welke werd overgeschreven ten kantore van der hypotheken te Utrecht den vijfen twintigste mei achttienhonderd een en veertig deel 26, nummer 13 waarbij door den Heer Van Stockum is verkocht een windoliemolen met een pakhuis mitsgaders onder de kluis waarop de molen naar drie oliebakken staande en gelegen op en aan der Wal bijzijde de Catharijnepoort wijk D nummer 569, kadaster sectie C nummer 1671 en 1672 belend ten oosten stadswal ten westen de singel en den berm van de stad en ten noorden de berm van de stad alsmede het regt van gebruik van het terrein aan en nabij den molen behorende aan de stad kadaster Sectie C nummer 1671 alsmede van het bolwerk nabij Catharijnepoort met daarin zijnde vertrekken belans drie guldens jaars ten behoeve der stads kleine vermelden'. |
Voor de verkoop van de oliemolen kreeg de heer de Heus een schadeloosstelling van f. 82.000 gulden-, en werd 't Fortuin verkocht aan de gemeente Utrecht voor f. 60.000-, gulden. Waarop de heer De Heus f. 142.000 gulden op de verkoop verdienden. Bron: Het Utrechts Archief, 1294, 5284 (284), 1868 nov. 4-1868 dec. 15 284 11. |
Landerijen in Westveen (prov. Zuid-Holland)
Op woensdag 21 september 1803 verkochte de kinderen wijlen Jan Carel Reykse, van beroep drossaard van Montfoort en Margaretha Maria van Baerle ten overstaan van de Utrechtse notaris Hermanus Brouwer de hofstde met landerijen aan de Geerkade 45 te Oudhuizen (gem. Wilnis) aan Paulus Wilhelmus Bosch van beroep lid van de departementale rekenkamer van Utrecht. Waarvan nog diverse percelen gelegen waren in de gemeente Westveen. Voor 1988 nog gelegen in de gemeente Wilnis na 1988 gelegen in de gemeente Nieuwkoop in de provincie Zuid-Holland. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 2455, aktenummer: 86. |
Aankoop boerderij aan de Geerkade 38 in Wilnis (gem. De Ronde Venen)
Aankoop boerderij te Zevenhoven
(gem. Nieuwkoop, prov. Zuid-Holland)
Verkoop weiland en water te Wilnis
Herberg De Twee Geruste Harten
(toenmalig) aan de Boterstraat 12 (gem. Utrecht)
Op vrijdag 4 juli 1800 bereikte Albert Heijl ten overstaan van de Utrechtse notaris M.J. van Buuren aan Jan Hendrik Kenkel. Albert Heijl was aanvankelijk eigenaar van genoemd huis en herberg en kolfbaan, maar verkocht het onder hypotheekstelling aan Margaretha Hoeflaken, gesepareerde huisvrouw van Jacobus Staal, eerder weduwe van Gijsbert Meijer. Het betreft de financiële afwikkeling van de decretale verkoping -volgens decreetbrief van dinsdag 24 januari 1797 van een huis met herberg en kolfbaan "De Twee Geruste Harten" zuidzijde van de Boterstraat te Utrecht. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 2318, aktenummer: 93 04-07-1800. Op woensdag 15 juli 1801 verkocht kastelein Albert Heijl, herberg 'De Twee Geruste Harten' aan de Boterstraat 12 ten overstaan van de Utrechtse notaris ... (Utrecht wijk E huisnummer: 337 - kadastraal Utrecht sectie C, perceelnummer: 1817) aan Paulus Willem Bosch (Hypotheekgever) . Een 'huisinge met herberg en kolfbaan' voor een bedrag f. 3.000-, gulden als pandbrief of hypotheekakte, afgelost f. 1.000-, gulden. Hypotheekafnemer zal herbergier Jan Jurgen Kenkel geweest zijn. Verkoop geschiede naar aanleiding van Margaretha Hoeflaken eerste weduwe van Gijsbert Meijer, nu gescheiden van Jacobus Staal. Bron: Het Utrechts Archief, transsportboekjes, studiezaal, Alexander Numankade 199-201. |
Op maandag 24 november 1823 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Pieter Adriaan van Schermbeek de verkoop plaats van herberg De Twee Geruste Harten van Anna Maria Alaide Bischoff overleden 10 oktober 1822, weduwe van Jan Hendrik Jurgen Kenkel, ook genaamd Hendrik Jurtgen Kenkel) (wonende aan de Lijnmarkt). Johannes de Greef in de rol als erfgenaam van Van Bisschoff verkocht haar boedel waaronder de herberg aan Johannes Gasseling, herbergier en echtgenote Geertruida van Berk voor een bedrag van f. 4.800-, gulden. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 3352, aktenummer: 6893. Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 is herberg 'De Twee Geruste Harten' aan de Boterstraat 12 (wijk E, 337) in het bezit van Johannes Gasseling. Bron: HISGIS Utrecht. Op vrijdag 20 november 1840 verkocht mejuffrouw Geertruida van Berk, weduwe Johannes Gasseling ten overstaan van de Utrechtse notaris Jacob Hendrik van Schermbeek voor een bedrag van f. 5.500-, gulden aan Hendrik van Berk Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 3410, aktenummer: 4020. |
Het gebouw en diverse andere panden aan de Boterstraat in Utrecht zijn rond 1890 aangekocht en afgebroken. Voor de ontwikkeling van een nieuwe melkfabriek die op zijn beurt ruim 90 jaar later in het begin van de jaren 80 van de twintigste eeuw ook werd afgebroken. Waarop op dezelfde plek een appartementengebouw werd gerealiseerd. |
Uiterwaarden aan de Biltse Grift
in Wittevrouwen (gem. Utrecht)
'1802 februari 12 Register van transport van het gerecht van Wittevrouwen G. de Rooij transporteerd aan M. P.W. Bosch. Zekere twee morgen weyland genaamd "de Dell, doch zoo groot en klijn dezelve gelegen is onder dezen gerechte, daar westwaards de Steenstraat gaande naar de Blauwcapelse weg, noordwaards de Broekhuysen wetering of Bildse vaart (De Grift of Bildsche Grift), zuidwaarts het plantsoen der landerijen specteerende tot den Capittule van St. Jan en oostwaards de heer Jean de Pelleci naast gelegen zijn.'. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 2642, notaris CORNELIS JOHANNES HEIJLIDIJ, aktenummer: 14. |
'Deel 141 nr. 24. 1837 Augustus 26 (notaris G.H. Stevens). De erfgenamen van Jhr. P.W. Bosch van Drakestein verkoopen aan H. Bouman: "Een perceel weiland groot 1 bunder 57 roeden en 20 ellen genaamd 'den Dell', gelegen te Utrecht buiten de Wittevrouwenpoort nabij Koningslust, kadaster sectie A. nummers 32 en 33, belend ten oosten door eigendom van 's Rijks Veeartsenijschool, ten westen den Steenstraat gaande naar de Blauwkapelsche weg, te zuiden s' Rijksdomeinen en ten noorden de Broekhuizer wetering of Bildsche vaart zoodanig en in dien staat dezelve landen strekken, belenden en bevinden, zonder daarvaan uit te zonderen. Bron: Het Utrechts Archief 4001 978. Zoals je leest kocht Paulus Willem Bosch op vrijdag 12 februari 1802 een stuk land 'uiterwaarde' gelegen te zuiden van de Grift op de hoek met de Kapelbrug, gelegen in de Blauwkapelseweg. Tegenwoordig staat op dit stuk grond het huis Blauwkapelseweg 37 en 37Bis en zijn de huizen aan de Bollenhofsestraat hierop gebouwd. Het land behoorde al vele eeuwen bij het onroerend goed van het kapittel van St. Jan. Paulus Bosch was een vervend liefhebber van het opkopen van vast- en onroerende goederen die op de markt werden gebracht na het opheffen van het kapittel vanaf 1811 tot 1821. Hij woonde op nog geen twee kilometer afstand van het stuk land. Nazaten van Paulus verkopen de uiterwaarde weer door op 26 augustus 1837 aan een zekere H. Bouman. Het land wordt in de transportakten genoemd als 'de Dell' wat in het oud Nederlands niets anders betekend dan 'grond, perceel of een deel van een stuk grond'. De uiterwaarden langs de Grift in Buiten Wittevrouwen en later gemeente Abstede behoorden bij het onroerend goed van het kapittel van St. Jan maar was niet zowaar het eigendom. Het was onderdeel van de erfpacht canon die het kapittel er al vele eeuwen op na hield. Het kon dan wel het eigendom van een eigenaar zijn, maar hij betaalde wel de erfpacht aan het kapittel. Als de eigenaar dat niet meer deed verviel het eigendom weer terug aan het kapittel. En werd er een nieuwe eigenaar gezocht. |
Huis aan de Geerkade 45 te Oudhuizen (gem. De Ronde Venen)
Op woensdag 21 september 1803 verkochte de kinderen wijlen Jan Carel Reykse, van beroep drossaard van Montfoort en Margaretha Maria van Baerle ten overstaan van de Utrechtse notaris Hermanus Brouwer de hofstde met landerijen aan de Geerkade 45 te Oudhuizen (gem. Wilnis) aan Paulus Wilhelmus Bosch van beroep lid van de departementale rekenkamer van Utrecht. |
Op donderdag 1 december 1803 ten overstaan van Willem Voorsteegh, van beroep griffier van de lenen van de ridderhofstad Zuylen en schout en schepenen van Wilnis. Hij was gemachtigd door Theodorus Petrus Matthieu, waarop hij gemachtigd was door Paulus Willem Bosch, gecommiteerde van de Departementale rekenkamer van Utrecht. Waarop Willem Voorsteegh van de kinderen van Jan Carel Reykse en Margaretha Maria van Baarle 5 1/2 morgen en 150 roeden land onder Oudhuizen trasporteerde aan Paul Bosch. Waarvan de retroakte al bekend waren voor dit stuk land vanaf 1728. Bron: Het Utrechts Archief, 635. |
Op donderdag 1 december 1803 ten overstaan van Willem Voorsteegh, van beroep griffier van de lenen van de ridderhofstad Zuylen en schout en schepenen van Wilnis. Hij was gemachtigd door Theodorus Petrus Matthieu, waarop hij gemachtigd was door Paulus Willem Bosch, gecommiteerde van de Departementale rekenkamer van Utrecht. Waarop Willem Voorsteegh van de kinderen van Jan Carel Reykse en Margaretha Maria van Baarle 1 1/2 'part akker' onder Oudhuizen transporteerde aan Paul Bosch. Bron: Het Utrechts Archief, 635. |
Bron: Het Utrechts Archief, 635 (familiearchief Bosch van Drakestein, Lage Vuursche). |
Land de Baexen te De Bilt/Zeist - Den Dolder
Op zaterdag 6 oktober 1804 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris J. de Wijs, 2 morgen bouwland genaamd de 'Baexen' onder De Bilt geveild door Everard Kol kanunnik van de Dom te Utrecht en executeur-testamentair van de nalatenschap van wijlen heer Gerard Godard baron Taets van Amerongen, heer van Oud-Amelisweerd. Koper voor f. 600- , gulden was Paulus Willem Bosch (van Drakestein). |
Op maandag 8 oktober 1725 ten overstaan van de Utrechtse notaris W. Verwey maakt Joost Taets van Amerongen, van beroep comparende ter Staten van Utrecht, woonachtig te Utrecht Wittevrouwen. Joost testateert aan zijn tweede zoon Frederik Batavadurus Taets van Amerongen, van beroep Kollonel en commandant van Maastricht, het land genaamd 'Baexenland, gelegen in het gerecht van De Bilt en Ridderdorp Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, U141a002 170 08-10-1725 |
Op zaterdag 4 februari 1736 verhuurd Frederik Batavodurus Taets van Amerongen ten overstaan van de Utrechtse notaris H. Dons '2 mergen land met de heyvelden, genaamd Baexenland, in De Bilt aan Jan Goossense van Schaik, woonachtig te Zeist. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, U160a013 7 04-02-1736 Na het overlijden van Frederik Batavodurus Taets van Amerongen kwam het Baexenland toe aan de kleinzoon van Joost, Gerard Goderd Taets van Amerongen (1729-1804), woonachtig op Oud-Amelisweerd. Na zijn overlijden werd het Baexenland verkocht in 1804 aan Paulus Willem Bosch voor f. 600- , gulden. |
Het buiten Paddenburg te Baambrugge
Van 1777 tot 1805 was het huis Paddenburg te Baambrugge het eigendom van Jan Carel Rijcksz. Erven van Jan Carel verkopen het huis Paddenburg in 1805 aan Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Hij heeft het huis aan de Vecht ruim 11 jaar in zijn eigendom. In 1816 verkoopt Paulus het huis door Joan August Classen. Paulus gebruikt Paddenburg in de zomer maanden als buitenverblijf. Dit om het drukke stadsleven van Utrecht in de zomermaanden te ontvluchten. |
Op 22 februari 1811 verhuurt Paulus nog een boerderij behorend bij het huis maar dan gelegen in Abcoude en Nigtevecht. Beschrijving van de huurcedule boerenhofstede bastaande in eene boerenwoning c.a. en ongeveer 32 morgen weiland. |
Bronnen: Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht U272C042 N.W. Buddingh aktenummer: 104, 22-02-1811. Ir D.L.H. Slebos, Meer Baambrugse buitenplaatsen, in: Jaarboekje 2003 van het Oudheidkundig Genootschap van Niftarlake, blz. 66 - 98. |
Landgoed de Sterrenberg (gem. Soest)
Op zaterdag 8 juni 1805 kocht Paulus Wilhelmus Bosch op het Logement 'Groot Paushuizen' binnen Utrecht om 16:00 uur in de middag ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh het Landgoed Sterrenberg aan voor f. 15.000-, gulden van de familie Van Tuyll van Serooskerken. De buitenplaats de Sterrenberg is gelegen in Soest en Zeist. Paulus Wilhelmus Bosch was vanaf toen Heer van Sterrenberg. |
Paul Bosch van Drakestein kocht de Sterrenberg aan van de erfgename van Frederik Christiaan Hendrik Baron Tuyll van Serooskerken (1742-1805). Twee jaar eerder van vond er een procuratie plaats, ten overstaan van notaris Hermanus Brouwer te Utrecht, door Frederik Christiaan Hendrik van Tuyll van Serooskerken, als gepensioneerd kolonel der cavalerie, voor Willem van Dam, secretaris van Zeist, tot het passeren voor de gerechten van Zeist en Soest van een schuldbekentenis groot 4000 gulden 5,5,% rente per jaar ten behoeve van Paulus Willem Bosch gevestigd op het landgoed Sterrenberg aan de Amersfoortseweg onder de gerechten Zeist en Soest. |
In 1812 verhuurde mr Paulus Willem Bosch van Drakestein (1771-1834), op dat moment ‘Adjoint Maire de la Ville d’Utrecht’, Sterrenberg voor twee jaar aan Victor Jacob Koningsberger. Die was toen ‘commis près la Direction des Domaines de L’Etat’. In 1815 bood hij de buitenplaats opnieuw te huur aan. Sterrenberg bleef tot circa 1900 in het bezit van de familie Bosch van Drakestein. In 1837 stond deze het huis tijdelijk af als noodkerk. |
In 1906 werd Sterrenberg door mevrouw Steenberghe bewoond. De laatste bewoner was de familie Mijnhardt (van de gelijknamige farmaceutische fabriek in Zeist). Gedurende de Tweede Wereldoorlog vorderde de Duitse bezettingsmacht het huis en gebruikte dit. |
Daardoor raakte het sterk onderkomen. In 1948 benutte de Soesterbergse vrijwillige brandweer ‘Groot Sterrenberg’ voor het geven van een brandweerdemonstratie. Kort daarop werd het huis afgebroken. |
Op het terrein van de Sterrenberg werd de Rooms Katholieke begraafplaats 'Carolus Borromeus' aan de Kerklaan te Soesterberg in 1838 aangelegd (Christiaan Huygenslaan 4, Soesterberg). Het stuk van Sterrenberg werd door de zoon van Paulus, Jhr. Carolus (Karel) Theodorus Johannes Bosch van Drakestein, Heer van Sterrenberg aangeboden in augustus 1837 aan de parochie Heilige Carolus Borromeus. |
Familie Bosch had op de begraafplaats al een stuk grond gereserveerd, waar in de loop der jaren de overleden familieleden begraven zijn. |
Sinds 2012 is er ook een ecoduct over de rijksweg A28 tussen Soesterberg en Den Dolder met de naam 'Sterrenberg'. |
Eerste deel van de naam van de begraafplaats 'Carolus Borromeus' te Soesterberg verwijst naar Jhr. Carolus (Karel) Theodorus Johannes Bosch van Drakestein, Heer van Sterrenberg. |
Rademakerstraat
|
|
RADEMAKERSTRAAT 75, bij 75/KERKLAAN ongenummerd Rooms-katholieke kerk 'H. Carolus Borromeus' met pastorie en begraafplaats.
In 1837 stichtte pastoor Louis Rademaker in Soesterberg de rooms-katholieke parochie Het gebouw kwam evenwijdig aan In 1923 liet het kerkbestuur links van de kerk een nieuwe pastorie bouwen |
|
Rooms-katholieke kerk 'H. Carolus Borromeus aan de Rademakerstraat 75
Geschiedenis |
Exterieur Het schip wordt aan de koorzijde afgesloten door een rechthoekige apsis en aan de ach Aan de voorzijde van de toren bevindt zich een drietal spitsboogvormige openingen, die van elkaar gescheiden worden door natuurstenen zuilen. Boven de middelste boog staat een beeld van de H. Carolus Borromeus. Ter hoogte van de klokkenstoel zijn spitsboogvormige galmgaten aangebracht. De achter de toren gelegen narthex heeft, evenals de eerste travee van het kerkschip en de koorpartij, vensters in de vorm van venstertripletten. Het voorportaal wordt geflankeerd door De vensters zijn identiek aan die van de kapellen aan weerszijden van de narthex. De kapellen en de sacristie zijn voorzien van een lessenaarsdak. Alle daken zijn gedekt met Romaanse pannen. Interieur In het interieur wordt de brede middenbeuk van de zijbeuken gescheiden door spits- De inventarisstukken dateren hoofdzakelijk uit de negentiende en twintigste eeuw. De preekstoel en de communiebank werden in 1953 gemaakt van geel koper smeedwerk naar ontwerp van Ad van Roosmalen. De preekstoel is voorzien van een metalen plastiek met de symbolen van de Van Roosmalen maakte omstreeks dezelfde tijd ook een geel koperen kruisbeeld en drie geel koperen kandelaars. De kruiswegstaties van geglazuurde terracotta werden in 1953 gemaakt naar ontwerp van P. Schoenmakers uit Beegden. Het houten beeld van Maria, staande op een bol met slang, werd een eeuw eerder in 1856 gemaakt door J. Veneman. Hij maakte omstreeks 1850 waarschijnlijk ook het houten beeld van Christus met een lam op zijn schouders. Het houten beeld van de H. Carolus Borromeus als kardinaal dateert uit omstreeks 1860. Dolf Wong Leng Hung maakte in 1953 een houten kruisbeeld en drie houten beelden van de H. Jozef, het H. Hart van Christus en de Interieur In het interieur wordt de brede middenbeuk van de zijbeuken gescheiden door spitsboogvormige scheibogen met zandstenen zuilen. Het spitstongewelf is witgepleisterd en wordt gesteund door in schoon metselwerk uitgevoerde gordelbogen. De inventarisstukken dateren hoofdzakelijk uit de negentiende en twintigste eeuw. De preekstoel en de communiebank werden in 1953 gemaakt van geel koper smeedwerk naar ontwerp van Ad van Roosmalen. De preekstoel is voorzien van een metalen plastiek met de symbolen van de vier evangelisten. De communiebank heeft een metalen plastiek met afbeeldingen van een korf, brood met vis, een XP-monogram, het Lam Gods, een hert aan de bron, de letters IHS en een pelikaan met jongen. Van Roosmalen maakte omstreeks dezelfde tijd ook een geel koperen kruisbeeld en drie geel koperen kandelaars. De kruiswegstaties van geglazuurde Het houten beeld van Maria, staande op een bol met slang, werd een eeuw eerder in 1856 gemaakt door J. Veneman. Hij maakte omstreeks 1850 waarschijnlijk ook het houten beeld Verder hangen er in de kerk een kruisbeeld van geloogd lindenhout uit de Het olieverfschilderij met Christus aan het kruis dateert uit de tweede helft van de zeventiende C. Oosterman maakte omstreeks 1837-1850 een litho met een afbeelding van de 'oude' kerk Het andere zeshoekige wierrookvat dateert uit omstreeks 1875-1900. De vier geel koperen De vier gegoten kandelaars met de draken en de vier gegoten, neoromaanse kandelaars met druiventrossen dateren eveneens uit het eind van de negentiende eeuw. De twee zilveren kandelaars werden omstreeks 1910 in Oostenrijk-Hongarije vervaardigd. De neogotische, zilveren altaarschel werd in 1876 gemaakt door G.B. Brom uit Utrecht. De schel bevat inscripties met de teksten 'IN OMNEM TERRAM EXIVIT SONUS EORUM', 'CORNELIA VAN DAM - VAN VEENHUIZEN', 'C.V.D.V.' en AH. De blauw fluwelen vaan met een voorstelling van de H. Carolus Borromeus werd omstreeks 1950-1960 gemaakt door H. Sträter. |
|
RADEMAKERSTRAAT bij 75/KERKLAAN ongenummerd Rooms-katholieke begraafplaats 'Onze Lieve Vrouwekerkhof
De begraafplaats werd in opdracht van pastoor Louis Rademaker aangelegd, kort na de De familie Bosch van Drakestein reserveerde op de begraafplaats een tweetal grafvelden waar in de loop der jaren veel familieleden werden begraven. Het rechthoekige terrein, dat gedeeltelijk wordt omgeven door een bakstenen muur, is onderverdeeld door elkaar haaks snijdende paden. De entree, die zich aan de Kerklaan bevindt, komt uit op een hoofdas, die eindigt op een houten hoofdkruis met een bakstenen basement en een zinken Christusfiguur. Voor het kruis bevindt zich het graf van pastoor Rademaker (overleden 19 december 1872). Langs de hoofdas staan twee treurwilgen. Bij de entree en achter het hoofdkruis staan coniferen. In de linkerhoek staat een lijkenhuisje, waarnaast in 1993 een urnmuur is geplaatst. Rechts van de hoofdas bevinden zich de belangrijkste grafmonumenten, waaronder een tiental negentiende-eeuwse graven van de familie Bosch van Drakestein. In een hoek, rechts van de ingang is ook nog een herinnering aan de Eerste Wereldoorlog te vinden. Het betreft een massagraf van Franse burgerviuchtelingen, afkomstig uit de door de Duitsers bezette gebieden. Het sober bewerkte monument is gemaakt door A. Le Jeune, steenhouwer te Maastricht. Het hardsteen monument bestaat uit een hoge opstand in het midden, waarin een kruis is verwerkt. Ter weerszijden strekken zich lagere, rechthoekige tekstplaten uit die aan het eind door penanten worden afgesloten. In de dwarsarm van het kruis zijn de woorden 'IN MEMORIAM te lezen, terwijl aan het voet van de kruis de volgende tekst is opgenomen: 'AUX REFUGIES FRANÇAIS MORTS AUX PAYS-BAS 1914-1918'. De twee tekstplaten bevatten de namen van 98 Fransen. |
Bron: Soest; Geschiedenis en Architectuur, Hans Lägers en Michiel Kruidenier, 2006, Uitgeverij Kerckebosch B.V. |
RADEMAKERSTRAAT bij 75/KERKLAAN ongenummerd Grafmonumenten 'Onze Lieve Vrouwekerkhof'
Rechts van de hoofdas van de rooms-katholieke begraafplaats ligt een tiental graven van De negentiende-eeuwse graven zijn voorzien van neoclassicistische en neogotische stijl- De graven zijn gemaakt van grijs natuursteen en voorzien van ijzeren hekwerken met rond- of spitsboogmotieven. Sommige graven worden begrensd door ijzeren palen met omgekeerde fakkelmotieven, die worden verbonden door kettingen met opengewerkte bollen met stekels. Op de begraafplaats liggen onder andere het neoclassicistische graf van Jkvr. C.F.P. Bosch van Drakestein (overleden 2 september 1863), het neogotische graf van Jhr. F.L.Th.J. Bosch van Drakestein, ambachtsheer van de Vuursche, lid Eerste Kamer der Staten Generaal en lid Geregtshof in Noord-Holland (overleden 8 juli 1866). Het graf van Jhr. Maximiliaan Elizecharies Bosch van Drakestein van Reijerscop Creuningen (overleden 13 november 1870), het graf van Jkvr. Caroline Wilhelmine M. van Het neogotische graf van mr. Jan Willem Hendrik Frederik Bosch, lid Eerste Kamer der Staten Generaal (overleden 5 juli 1851) bestaat uit, elkaar volgens een Latijns kruis snijdende, zadeldaken, waarop een pinakel met kruisbloemen, gevleugelde engelen en een wit marmeren kruis is geplaatst. Het ijzeren hekwerk werd gemaakt door de firma P.N. Hormann te Utrecht. Het neoclassi-cistische graf met de portretbuste van Jhr.mr. Paulus Jan Bosch van Drakestein, Com Het grafmonument bestaat uit rood marmeren zuilen, een wit marmeren voetplaat en een kapiteel. Het neoclassicistische graf met het aediculavormige achterstuk met omgekeerde toortsen van Jhr. Frederik L.H.J. Bosch van Drakestein, ambachtsheer van de Vuursche (overleden 25 mei 1911), werd gemaakt door Dobbe van Pelt uit Utrecht. |
Bron: Soest; Geschiedenis en Architectuur, Hans Lägers en Michiel Kruidenier, 2006, Uitgeverij Kerckebosch B.V. |
Kasteel Drakestein en ambachtsheerlijkheid De (Lage- en Hoge) Vuursche (gem. Baarn)
Op woensdag 7 augustus 1805 om 10:00 uur in de ochtend in de Vuursche kocht Paulus Wilhelmus Bosch bij veiling ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh de ambachtsheerlijkheid De Vuursche en kasteel Drakestein. |
Zes jaar later bij de invoering van de Burgerlijke Stand in februari 1811 ging Paul bij zijn nieuwe zakelijke ondertekeningen zich Bosch van Drakestein noemen. In maart 1806 bij de formele afhandeling van de aankoop van de ambachtsheerlijkheid en het kasteel was Paul Bosch, Heer van De Vuursche en Drakestein. |
Huis aan de Nieuwegracht nr. 5 (gem. Utrecht)
Op woensdag 15 januari 1806 kocht Cornelia van Bijleveld (1746-1823) het huis aan de Nieuwegracht nr. 5 aan voor f. 5810-, gulden. De Nieuwegracht heette voor het jaar 1890 Runnebaan. Cornelia haar man Theodorus Gerardus Bosch was enkele jaren eerder overleden. Zij wilde een nieuwe start maken in een nieuw huis vlak bij haar familie. Cornelia zou aan de Nieuwegracht blijven wonen tot aan haar overlijden in 1823. |
Bij de Utrechtse bevolkingstelling in het jaar 1823 net na haar overlijden van Cornelia is het pand in eigendom van haar oudste zoon Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Kort na haar testamentaire verdeling binnen de familie zou Pauls dochter Henriette Josephine Jacqueline Bosch van Drakestein (1801-1878) en echtgenoot Charles Antoine Baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky (1796-1880) waar ze mee trouwde in 1820 en kinderen er komen te wonen. Vele jaren later zouden zij het huis verlaten voor een andere woonbestemming. |
Cornelia kocht het huis in 1806, gelegen naast de Hofpoort van eigenaar Jacobus Schroot en Anna Catharina Bettink. Jacobus was ver beroep Opziener over de gemene's landsmiddelen Resoort te Amersfoort. Enige jaren voordat Schroot het pand Nieuwegracht nr. 5 aan Van Bijleveld verkocht verhuurde Schroot het pand aan meubelmaker Van Wakum die na de verkoop in maart 1806 op een nadere plek in de binnenstad ging wonen. |
Jacobus Schroot kocht het pand aan de Nieuwegracht nr. 5 eerder aan ten overstaan van de Utrechtse notaris Hendrik van Dam op woensdag 17 november 1802 van verkoper Hendrik Verploeg van Hellouw en zijn echtgenote Antonia Magdalena van Eys. Bron: Het Utrechts Archief Notarissen in de stad Utrecht 34-4 U269c009, aktn. 193, 17-11-1802. Bron: Het Utrechts Archief Notarissen in de stad Utrecht 34-4 U287a023 aktn. 3, fol 13, 15-01-1806. |
Aankoop land en landbouwerswoning te Willeskop
Een paar panden verder van de Nieuwegracht nr. 5 aan de Trans 19 staat het negentiende eeuwse pand Sic Semper een prinsgezinde sociëteit waar Paul Bosch van Drakestein lid van was.
Sic Semper is een rijksmonumentaal gebouw in de Nederlandse stad Utrecht. Het is vernoemd naar een gelijknamige vereniging die hier zetelde. Bron: Wikipedia Sic Semper (Utrecht). |
Steengoed, Utrechts Monumenten Fonds, nr. 52, april 2011, de geschiedenis van een Utrechtse sociëteit, tekst en onderzoek Ben van Spanje
Oranje sociëteit De sociëteit Sic Semper werd de Oranje-Sociëteit genoemd, omdat zij na de sluiting van de in 1786 opgerichte OranjeSociëteit de enige sociëteit was waarin de aanhangers van het toenmalige stadhouderlijk bewind, tegenstanders van de patriotten, werden opgenomen. De patriotten klaagden |
Het bestuur De sociëteit had een bestuur bestaande uit zes commissarissen, waarvan elk jaar de helft |
Alleen leden die ouder waren dan 65 jaar en officieren konden zich verschonen. Er werden normaliter twee ledenvergaderingen per jaar gehouden. In de voorjaarsvergadering werd de rekening en verantwoording van het financieel beheer gepresenteerd. Een commissie van 4 gewone leden, die toezicht hield op de financiën deed dan verslag aan de leden. In de najaarsvergadering werden de commissarissen gekozen. Zij bepaalden onderling de functies van voorzitter, secretaris en thesaurier, hier thesaurier genoemd. Bij grote reparaties, verbouw of nieuwbouw en bij belangrijke voorstellen, bijvoorbeeld voor de aankoop van een huis, werd een commissie van 4 leden benoemd die advies uitbracht aan het bestuur. Het bestuur had een aantal vaste commissies: voor het biljart, voor het meubilair, voor |
De leden Oorspronkelijk moesten de leden minstens 22 jaar oud zijn en afgestudeerd. Later konden jongelui aspirant lid worden als zij 20 jaar oud waren en hun kandidaatsexamen hadden Nieuw voorgedragen leden werden meestal probleemloos, wel na een ballotage, toegelaten. Maar een opmerkelijk feit doet zich begin 1812 voor bij de ballotage van P.W. Bosch van Drakestein, president van de raad van arrondissementen en ‘adjoint maire’ van de stad Utrecht. Bij de ballotage stemmen 21 leden tegen en 19 voor, zodat hij niet wordt toegelaten. Bosch neemt hiermee geen genoegen en schrijft op 4 maart van het volgend jaar in het Frans een brief aan de heren commissarissen met het verzoek opnieuw te worden voorgedragen. |
Het reglement laat echter niet toe dat iemand binnen een jaar opnieuw wordt voorgedragen. En zo wordt besloten dat de commissarissen Belaerts van Blokland en Rendorp naar Bosch van Drakestein gaan om hem ‘op vriendelijke en bescheiden wijze’ mee te delen dat de uitslag van de ballotage de commissarissen ‘niet aangenaam’ is geweest en hem te vragen van zijn verzoek af te zien. De twee heren rapporteren terug dat het gesprek een ‘lange conferentie’ is geweest en dat Bosch van Drakestein spoedig een schriftelijk antwoord wil hebben ‘tot voldoening of afslag van zijn verzoek’, temeer daar hij daartoe ‘bevel van elders’ heeft. Onduidelijk is wat hij met dat laatste bedoelde, wellicht als een dreigement. De commissarissen besluiten om de leden te verzoeken om in dit geval van het bewuste artikel in het reglement af te wijken. De leden gaan akkoord en zo gaan beide heren nogmaals op bezoek bij Bosch van Drakestein om hem mee te delen, dat hij als lid is geaccepteerd. Deze kwestie was kennelijk aanleiding tot nogal wat discussie in de sociëteit want een groot aantal van de leden stelden voor om: ‘een einde te maken aan de onaangenaamheden die voortvloeien uit het niet toelaten van Bosch van Drakestein en dat voorkomen moet worden dat voorgedragen leden niet om het persoonlijke maar om hun functie niet worden toegelaten’. Zij stelden voor om de onderprefect van het arrondissement, de maire en de adjoint-maire van de stad en de commissaris van politie zonder ballotage toe te laten. Dit voorstel werd door de commissarissen aan de leden voorgelegd en aangenomen. Hiermee was Bosch van Drakestein automatisch toegelaten. Het bezwaar tegen hem was waarschijnlijk juist niet zijn functie maar zijn persoon! Dat Bosch van Drakestein niet bijna automatisch werd toegelaten had hij te danken aan het feit dat hij katholiek was en zeer Frans gezind. |
Hij ‘collaboreerde’ met de Fransen en kreeg daardoor diverse openbare functies. Bosch was de zoon van een succesvolle, rijke brandewijnstoker en wist de zakelijke activiteiten van zijn familie en zijn openbare functie niet altijd te scheiden. Naast zijn openbare functies had hij een advocatenkantoor en was hij actief in de bedrijven van zijn familie. Wellicht het belangrijkste bezwaar wat men tegen hem had, was dat men hem een parvenu vond die boven zijn stand leefde. Bosch kocht een pand op het Janskerkhof dat hij fraai inrichtte. Maar hij kocht ook kastelen en ambtsheerlijkheden van verarmde patriciërs en edelen. |
Zo kocht hij in de Lage Vuursche het kasteeltje Drakestein waarvan hij de naam aan de zijne toevoegde. Na de terugtocht van de Fransen werd hij gevangen genomen, maar door Willem I gerehabiliteerd en benoemd tot lid van de Provinciale Staten van Utrecht. Twee maal heeft hij een request bij de koning ingediend om in de adelstand te mogen worden verheven en wel in september 1916 en in september 1822. Hij werd op 10 december 1829 in de (lage) adelstand verheven. Hij stierf in 1834 en liet 1,5 miljoen gulden en 9 kinderen na. |
Bos hakhout aan de Waterweg en Looydijk
te De Bilt-Oostbroek
Pand aan de Waterstraat 1, hoek Oudegracht 29 (gem. Utrecht)
Op zaterdag 5 september 1807 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Herman Brouwer het transport plaats van het pand Waterstraat 1 (wijk C, huisnummer 41) en Oudegracht 29 (wijk C, huisnummer 42). Eigenaar Jan Jacob van Westrenen, Heere van Sterkenburg verkocht het pand aan mr. Paulus Willem Bosch voor een bedrag van f. 9.000-, gulden. Een 'huis met stalling, twee koetshuizen en nog een huis'. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 2459, aktenummer: 136. Bron: Het Utrechts Archief, transsportboekjes, studiezaal, Alexander Numankade 199-201. |
Op vrijdag 1 januari 1808 vond de ondertrouw plaats tussen Anna Maria de Bruin en Barend (Bernard) (van) Wensing te Utrecht. Waar het echtpaar na hun huwelijk zich vestigde in Utrecht stad is niet bekend. Wel dat zij voor juni 1812 het pand aan de Waterstraat 1, hoek Oudegracht 29 bewoonde/bezaten. Bron: Het Utrechts Archief, 711, 78, pagina 340. |
Op zaterdag 23 november 1816 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Pieter Jongeneel een opmaak van conditieplaats. Dit ter voorbereiding van een aanstaande veiling. |
Personen Van Duyvenvoorden, mevrouw Wensing-De Bruyn verkocht een gedeelde vastgoed bij veiling Bij testament van Barend Wensing van 10 juni 1812 werd bepaald hoe er met de jongste zoon het echtpaar De Bruyn en Wensing als voogdij omgegaan zou worden als één van het echtpaar zou komen te overlijden. Bij de veiling van de heer Cornelis Verloop gemachtigde voor de aankoop van de twee panden (Waterstraat 1, hoek Oudegracht 29) voor de heer Herman Dirk de Geer. De koop betrof een totaalprijs van f. 4.050-, gulden. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 2687, aktenummer: 774. |
Op donderdag 29 oktober 1829 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Hendrik van Ommeren de verkoop plaats van het pand Waterstraat 1, Oudegracht 29. Eigenaar heer Herman Dirk de Geer, grondeigenaar, wonende aan het Oud Kerkhof verkocht de panden aan Dirk van Zijtveld, van beroep Korenkoper en wonende te Jufvrouwstraat bij de Wittevrouwen in Utrecht voor een bedrag voor f. 8.000-, gulden. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 3268, aktenummer: 5993. |
Nog vele jaren blijven de panden in het bezit van de familie Van Zijtveld waarop de familie rond 1891 de panden verkopen aan de heer Jan Krap, van beroep aannemer, timmerman en opzichter der Genie en wonende te Naarden en gehuwd met Wilhelmina Koeman. Bron: kadasterarchiefviewer 1832-1987 |
|
Land in Maarssenbroek (gem. Maarssen)
Op zaterdag 28 mei 1808 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh een stuk land verpacht aan Gerrit van der Linden. Voor de pacht staat Gerrit van Zijl borg. De verpachter is Cornelia van Bijleveld, sinds 1802 de weduwe van Theodorus Gerardus Bosch. Het betreft: omtrent 10 morgen hooij- als weiland. Locatie: strekkende van den Maarssenbroekschen dijk tot de Ouwenaarskade. In het gerecht van Maarssenbroek. Na uitgebreid onderzoek in de online archiefbanken en op Delpher.nl weten we helaas niet waar deze 10 morgen land in Maarssenbroek precies gelegen hebben. In de beschrijving van de akte staat dat het land uit de boedel van haar man Theo komt. Alleen is niet bekend waar de echte oorsprong van het eigendom vandaan komt. Vermoedelijk is de 10 morgen afkomstig uit de de boedel van een van de familieleden van Cornelia. Aannemelijk is ook dat de 10 morgen land naar haar overlijden in 1823 zijn verkocht. Want bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 zijn er geen familieleden Bosch van Drakestein, Michiels van Kessenich of Bijleveld bekend die een perceel bezaten in de polder van het Maarssenbroek. Het Utrechts Archief 34-4 U272c038 83 28-05-1808. |
Ambachtsheerlijkheid Reijercop-Creuningen
Op zaterdag 6 augustus 1808 werd ten huize Sr. George Klank achter Den Dom te Utrecht publiekelijk geveild de Ambachtsheerlijkheid Reijerscop-Creuningen. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht ten overstaan van de Utrechtse notaris Popp de ambachtsheerlijkheid aan voor f. 1995-, gulden. Vanaf toen was hij ook Heer van Reijerscop-Creuningen. |
Reijerscop is een buurtschap en van oorsprong middeleeuwse ontginning, liggend in de Nederlandse gemeenten Woerden en Utrecht, in de provincie Utrecht. De boerderijen en andere gebouwen in deze buurtschap liggen aan een ruim 5 km lange weg met de naam Reijerscop, die even ten zuiden van de A12 ligt en daarmee ongeveer evenwijdig loopt. Ongeveer 3 km van deze weg ligt in Harmelen, gemeente Woerden, en het resterende oostelijke deel ervan ligt in De Meern, gemeente Utrecht. |
De naam is een verbastering van Reigerskop. Het begrip kopin de naam slaat niet op de kop van een reiger, maar op het feit dat de Polder Reijerscop een zogenaamde cope-ontginning is. |
De ontginning Reijerscop was verdeeld over meerdere gerechten. Er waren geen lineaire grenzen, de verschillende percelen behoorden wisselend tot een van de gerechten. Naast het gebied Reijerscop-Lichtenberg (dat een deel was van het gerecht Veldhuizen, Bijleveld, Rosweide en Reijerscop-Lichtenberg) waren er de gerechten Reijerscop-Creuningen, Reijerscop-Indijk en Reijerscop-Mierlo. |
Het laatste gerecht behoorde tot de proosdij van Sint Pieter te Utrecht en werd daarom ook wel aangeduid als Reijerscop-Sint Pieter. Het oostelijk deel van de ontginning kwam in 1812 bij de gemeente Veldhuizen en het westelijk gedeelte bij de gemeente Harmelen. De gemeente Veldhuizen werd in 1954 deel van de nieuw gevormde gemeente Vleuten-De Meern. In 2001 werd Vleuten-De Meern bij de gemeente Utrecht gevoegd, en de gemeente Harmelen bij Woerden. Het wapen van de heerlijkheid was een (sprekende) reiger. Bron: Wikipedia Reijerscop. |
Hofstede 'de Heezer Eng', later
hofstede De Kleine Paltz te Soest
Op zaterdag 11 augustus 1809 kocht Paulus Willem Bosch ten overstaan van de Amersfoortse notaris Gerard van Kleef het heidegebied de Heezer Eng aan te Soest aan van Pieter Rademaker. |
De Paltz is een buitenplaats met landgoed en natuurgebied van 77 hectare op de 'Soester berg' tussen Soesterberg en Soestduinen in de gemeente Soest in de provincie Utrecht. Het gebied wordt begrensd door de Van Weerden Poelmanweg, Soester Hoogt, de Verlengde Paltzerweg, De Paltzerweg en het Heezerspoor w.z. Het gebied bestaat uit een parkgedeelte en het gebied van de oude zandafgraving. In het parkgedeelte zijn lanen, een koetshuis, een waterval en een gastenverblijf. De berceaus uit de 19e eeuw zijn bewaard gebleven. De oude productiebossen zijn vervangen door diverse bomen en struiken. De vroegere zandafgraving is weer volledig begroeid. |
De naam komt van Duitse dagloners uit de Palts in Duitsland die hier kwamen wonen nadat ze waren gedeserteerd uit het leger van Frederik de Grote. Hun huizen stonden op de plek van het huidige landhuis. Het gebied heette toen nog Hoog Hees (Laag Hees lag bij de Wieksloterweg in Soest). Op 18 december 1823 kocht Andries de Wilde voor f. 24.800-, het landgoed Pijnenburg, waartoe ook enkele delen van het gebied De Paltz in Soesterberg behoorden. Van de Zeister burgemeester F.N. van Bern kocht De Wilde op 11 november 1836 nog een aantal stukken grond in het gebied. Hij liet op 15 juni 1860 zijn landgoed by opbod verkopen. Zelf ging hij wonen op het zuidelijke deel van Pijnenburg. Het gedeelte ten noorden van de Biltseweg werd gekocht door mr.Herman Albrecht Insinger en de goederen van De Paltz werden gekocht voor f. 8.950 door de burgemeester van Breukelen, Jacob Philip Albert Leonard Ram. Deze liet in 1867 een herenhuis, tuinmanswoning, stal en koetshuis bouwen. De bestaande boerderij werd na een brand in 1861 herbouwd. Daarna volgde in 1863 de bouw van drie arbeiderswoningen aan het Heezerspoor. In 1867 werden het herenhuis en het koetshuis voltooid en werd begonnen met de aanleg van het park naar een ontwerp van tuinarchitect en boomkweker Hendrik Copijn. Nadat jhr. Ram onder curatele was gesteld, werd het landgoed op 5 juli 1872 bij opbod verkocht. Het werd voor ƒ 25.000 eigendom van Louis Rutgers van Rozenburg, assuradeur te Amsterdam. Hij gebruikte het eerst als buitenhuis. In 1860 werd het zijn vaste verblijfplaats. Hij liet het landgoed in 1876 opnieuw aanleggen door tuinarchitect Leonard Springer. Na de dood van Louis Rutgers van Rozenburg in 1908 vestigde diens oudste zoon David Louis zich op het landgoed. Na zijn verhuizing in 1922 naar Utrecht werd het landgoed verkocht aan de gebroeders Van der Krol. Deze houthandelaren, die het landgoed nooit hebben bewoond, kapten grote stukken bos en vervingen het door productiebos voor de mijnbouw in Zuid-Limburg. In de 20ste eeuw werden delen van het landgoed gebruikt voor zandafgraving. Ook werd er 70 hectare verkocht aan de Nederlandse Staat voor defensiedoeleinden. In 1984 werd het landgoed gekocht door E.S. Raatjes, waarna hij het koetshuis liet restaureren. Onder het koetshuis werd een extra kelder gegraven, vanwaaruit alle elektriciteit op het landgoed kon worden bediend. Na de voltooiing vestigde Raatjes zich in 1989 in het koetshuis. De omgeving werd aangeplant met bomen vanuit de hele wereld. In 1998 liet Raatjes het herdershuis bouwen. Onder de zeven meter hoge waterval bevindt zich een vleermuisgrot. Ook kwam er een faunahuis, een dassenburcht en werden vele nestkasten opgehangen. |
In de Middeleeuwen heette dit grondgebied "de Eng fan Hees" en werd ook "Grote Eng" en "Hoog Hees" genoemd. Het witgepleisterde gebouw heeft een veranda, een symmetrische voorgevel en is gebouwd in Frans-eclectische stijl. De voorgevel en de portiek hebben pilaren. Het huis heeft vier verdiepingen: een kelder, een begane grond, een verdieping en een zolder met schilddak. De aanleg van de tuin gaat deels terug op de 15e-eeuwse ontginning tot bouwland. Na 1872 werden enkele stukken grond toegevoegd aan het landgoed en werd het bestaande beukendoolhof opnieuw beplant door tuinarchitect Leonard Springer. In het midden van het doolhof stond een folly in de vorm van een kluizenaarsgrot. Rutgers van Rozenburg liet dit aanleggen voor gasten en zijn vier dochters. De villa wordt sinds eind 2013 gebruikt als kantoor en galerie. |
Op dinsdag 10 juli 1883 kocht Louis Rutgers van Rozenburg ten overstaan van de Amersfoortse notaris Hermanus Pen de hofstede 'De Kleine Paltz'. Van Fredericus Fransciscus Steenberghe, Leopoldina Antoinetta, douairière van Charles Theodoor Johannes Bosch van Drakestein - de gemeente Soest, aan voor een bedrag van. f. 18.000 gulden. Hofstede De Kleine Paltz werd hierbij het landgoed De Paltz gevoegd. Familie Bosch van Drakestein heeft aan het begin van de negentiende eeuw de hofstede die eerder 'de Heezer Eng' heette de naam gewijzigd in hofstede 'De Kleine Paltz'. Bron: Het Utrechts Archief, 1294, 6750, 250 31. |
Hofsteden, landgoederen en landerijen in Utrecht Zuidoost, Houten en Bunnik
Op zaterdag 24 augustus 1811 kocht Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein de landgoederen Nieuw- en Oud-Amelisweerd ten overstaan van notaris Van Ommeren te Utrecht. Waarna Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein zich ook heer van Nieuw-Amelisweerd en Oud-Amelisweerd mocht noemen. |
Huis aan het Janskerkhof 17 en 17A (1812-1840) (gem. Utrecht)
In het najaar van 1811 kwam het gezin Bosch in het huis Janskerkhof 17 en 17a te wonen. (<1890 H. 593) Het huis was eerder van Willem Arnoud Leyssius (1769-1796), hij huwde in 1790 met Frederica Geertruida van Westrenen van Themaat (1773-1845). Willem kwam in 1796 om het leven na een duel in Oudwijk. De erfgename zijn daarna 15 jaar verwikkeld in diverse rechtszaken. |
In oktober 1811 logeerde Prins van Neufchatel (Louis Alexandre Berthier) op het Janskerkhof 17. Louis maakte onderdeel uit van het gevolg van het bezoek van keizer Napoleon die in die dagen Utrecht bezocht. Al het koninklijke personeel werd ondergebracht in diverse huizen in de stad. Tussen 1796 en 1812 woonde Petrus Leonardus van Heilmann van Stoutenburg in het huis. Hij huurde het huis ruim 15 lang van familie Leyssius - Van Westrenen. Bron: Huizenaanhetjanskerkhof.nl Janskerkhof 17 en 17a. Uit nader archiefonderzoek en met medewerking en ontdekking van Thomas Sukking uit Soesterberg. Hebben we weten vast te stellen dat Paul Bosch van Drakestein in het najaar van 1811 het huis aan het Janskerkhof 17 heeft betrokken met zijn gezin. Hij zou het huis nog 9 jaar huren van de familie Leijsius. Waarop dinsdag 15 februari van het jaar 1820 ten overstaande van de Utrechtse notaris Hendrik van Ommeren, het huis aan het Janskerkhof nr. 17, genummers wijk H, nr. 593 werd verkocht door Pieter Hendrik Leijsius, rentenier, wonende te Utrecht op de Nieuwegracht aab de Runnebaan en waarbij de heer Cornelis Adriaan Mollerus, van beroep griffier van het Hoog Miliatire Gerechtshof, wonende binnen binnen deze stad. Met de in laatst genoemde naam als gesubstitueerde gemachtigde van de heer Nicloaas Willem Molleus, rentenier, woonachtig in Marseille, genoemd als verkoper en de aankopende partij Mr. Paulus Willem Bosch van Drakestein 'Een huizinge, erve en grond met zijn kelders enkluizen, tuin, stallinge en koetshuis, staande en gelegen binnen Utrecht aan de noordzijde Wijk H. No. 593,- Mhet eene kleine Huizinge gelegen naast de stallinge van eerst gemelde a Huizinge aan de Voorstraat wijk H. No. 522,- voor de somme van ƒ. 25.000,-'. Bron: HUA, 34-4, 3248, aktenummer: 3030. De heer Paul Bosch zou tot aan zijn overlijden in april 1834 hier wonen. Na het overlijden van Paul bleef zijn oudste zoon Willem met Henriëtte er nog enige jaren wonen, totdat ook Henriëtte overleed eind 1839. Hierna kwam het huis Janskerkhof 17 en 17a toe aan zijn dochter Elizabeth. Zij was met haar neef Jan Willem Hendrik Bosch gehuwd. |
Huis aan de Voorstraat 63 en 65 (gem. Utrecht)
Onderzoek en tekst Huizenaanhetjanskerkhof.nl. |
Tot 1884 behoorde dit perceel bij Janskerkhof 17-17a. In de middeleeuwen stonden op het erf grenzend aan de Voorstraat het koetshuis en de stalling van claustraal II. Daarnaast stond een klein huis, ook eigendom van de eigenaar van Janskerkhof 17. Dit huis werd verhuurd. De meeste claustrale erven van het kapittel van Sint Jan werden al in het begin van de zeventiende eeuw verkaveld en bebouwd met nieuwe huizen. Claustraal erf II bleef echter intact. Pas in 1884 werd de eigendom van de percelen gesplitst. Het koetshuis en de stal werden vervolgens afgebroken ten behoeve van de bouw van een woonhuis. In de OAT 1832 staat Paulus Willem Bosch van Drakestein als eigenaar van perceel A572 (huis en erf) vermeld. Splitsing claustraal erf II Het koetshuis aan de Voorstraat was eigendom van de eigenaar van het voormalige huis Janskerkhof 17. Bij verkoop van het huis Janskerkhof 17 werd het koetshuis steeds mee verkocht. Het perceel Janskerkhof 17-17a is daardoor het enige claustrale erf rond het Janskerkhof dat in de negentiende eeuw nog in handen van één eigenaar was. Pas in 1884 werd de eigendom van het perceel definitief gesplitst. Henrietta Paulina Wilhelmina Bosch Op 7 december 1883 overleed Elisabeth Cornelia Petronella Bosch van Drakestein, de toenmalige eigenaresse en bewoonster van Janskerkhof 17. Na haar overlijden werd het perceel gesplitst. Het perceel aan de Voorstraat kwam in handen van haar dochter Henrietta Paulina Wilhelmina Bosch (1828-1899). (Het perceel Janskerkhof 17 werd door de erfgenamen aan de gemeente Utrecht verkocht. De gemeente Utrecht liet het huis afbreken ten behoeve van de bouw van een school.) Nieuw woonhuis Henrietta Paulina Wilhelmina Bosch diende in 1884 een bouwplan in voor een woonhuis op het perceel Voorstraat wijk H no. 522 (HUA, bouwdossier 4270-39-233). Dit woonhuis kwam “ter plaatse van een te amoveeren stal en koetshuis”. Volgens het bevolkingsregister woonde Henrietta Paulina Wilhelmina Bosch vanaf juli 1885 op Voorstraat 522a. Bij de omnummering van 1890 werden de adressen Voorstraat wijk H no. 522 en 522a gewijzigd in Voorstraat 65 en Voorstraat 63 Utrecht. Henrietta Paulina Wilhelmina Bosch overleed op 4 augustus 1899, wonende Voorstraat 63 (BS Utrecht 1899 O, aktenr. 1075). |
Willem Eugène Bosch van Oud Amelisweerd In december 1899 werd een bouwplan ingediend voor de verbouwing van Voorstraat 65 (HUA, bouwdossier 4270-72-419). De indiener was Willem Eugène Bosch van Oud Amelisweerd (1864-1935). Hij was een neef van Henrietta Paulina Wilhelmina Bosch. Willem Eugène Bosch van Oud Amelisweerd woonde toentertijd op Drift 12. Volgens een aantekening op de bouwtekening was Voorstraat 65 een oud adres van Voorstraat 63. Gelet op de tekening, een smal huis met een raam en een deur, gaat het mogelijk om het kleine huis links van Voorstraat 63 (zie voor volledige foto: HUA, catalogusnr. 52570). |
In het bevolkingsregister 1900-1910 (Wijk 1, deel 17-18) werd Willem Eugène Bosch van Oud Amelisweerd met zijn gezin op 13 april 1900 ingeschreven op Voorstraat 63 Utrecht. Het blad van Voorstraat 65 is leeg. Willem Eugène Bosch van Oud Amelisweerd was notaris. Bosch van Oud Amelisweerd gebruikte Voorstraat 65 als kantoor. In 1901 was C.F.J. Brands, rapporteur van de VIIe sectie van het Internationale Landbouwcongres, op Voorstraat 65 gevestigd (Het nieuws van den dag: kleine courant, 10-07-1901, p. 10, Delpher). Brands gebruikte Voorstraat 65 vermoedelijk als kantooradres. In het bevolkingsregister komt Brands niet voor op dit adres. |
Coöperatieve Centrale Raiffeisen bank In 1898 werd in Utrecht de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Bank opgericht. De Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Bank diende als overkoepelende organisatie voor de boerenleenbanken die in de negentiende eeuw werden opgericht. Willem Eugène Bosch van Oud Amelisweerd was bestuurslid van de Coöperatieve Centrale Raiffeisen bank. Hij stelde zijn kantoor ter beschikking van de bank. Nadat Bosch van Oud Amelisweerd was benoemd tot lid van Gedeputeerde Staten, besloot het bestuur van de Raiffeisen-bank om Boothstraat 14 te kopen (De Tijd, 12-01-1907, Delpher; Nieuwsblad van het Noorden, 15-01-1907, Delpher). |
Landerijen in Zuilen (gem. Utrecht)
Op dinsdag 3 april 1804 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Jacob Christiaan de Graaf een stuk bouwgrond van 6 morgen en 450 roeden verkocht. Het bouwland lag gelegen tussen de 1e Daalsedijk en de Amsterdamsestraatweg te Utrecht Zuilen op het grondgebied van de Zweesereng. Ten zuiden van rivier de Vecht en ten zuidoosten van het Utrechtse gehucht Vijfhuizen De verkopende partij was Arend Roelofs. De koper van het stuk grond was Huibert Nicolaas van Schalkwijk a Velden. |
Huibert Nicolaas van Schalkwijk a Velden werd in het doopregister ingeschreven op 9 januari 1763. Hij huwd met Maria Breur zij is geboren op 5 februari 1742 en sterft op 31 december 1796. Huibert sterft op 12 juni 1812, op 77 jarige leeftijd. Hij was ruim 16,5 weduwnaar. Vermoedelijk in het najaar van 1812 als de boedelverkoop van Huibert plaats vind koopt Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein het ca. 6 morgen groot stuk land aan de 1e Daalsedijk aan. Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 is te zien dat het twee percelen betrof en de rechter helft van de 1e Daalsedijk. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 U286a012 87 03-04-1804. In de jaren twintig van de twintigste eeuw als de stad Utrecht verder richting het noordwesten gaat bouwen en de wijk Zuilen zijn huidige vorm krijgt. Koopt het Grondbedrijf van de gemeente Utrecht het stuk grond aan van familie Bosch van Oud-Amelisweerd. Zij bezaten meer gronden in Zuilen, het Lauwerecht en Achttienhoven. |
Zaken behartiging in Parijs (Frankrijk)
Hofstede en landerijen Schoneveld
(gem. Houten en Schonauwen)
In een groot deel van de 18e eeuw behoord boerderij Schoneveld bij de onroerende goederen van kasteel Schonauwen. De onroerende goederen zijn eigendom van Gerlach Theodorus Baron van der Capellen, heer van Houten en 't Goy, Schonauwen en Mijdrecht. De baron overlijd in 1805 en laat alles na aan zijn weduwe Frederika Johanna van Hangest d’Yvoy. Zij overlijd in 1812. Doordat het echtpaar geen kinderen heeft en bovendien nog een grote schuld heeft openstaan bij een zekere jonkheer Nepveu van 18.000 gulden zien de nazaten van Frederika familie Van Hangest d'Yvoy zich genoodzaakt alles te laten veilen om de nog opstaande schuld te vereffenen. De veiling geschied op woensdag 26 oktober 1812 voor notaris Gerardus Hendrikus Stevens te Utrecht. Achter de St. Pieter, Wijk F, n. 363 (heden Achter de Sint Pieter). |
Bij de veiling werd boerderij Schoneveld gekocht door Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein die deze gelijk aan zijn moeder Cornelia van Bijleveld schenkt. Om van de opbrengsten van de pacht in haar oude dag te voorzien. Na haar overlijden in 1823 erft haar kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch (Van Drakestein) de boerderij, hij is de neef van Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Via verschillende verervingen door de familie Bosch werd Schoneveld uiteindelijk verkocht bij een veiling in 1931 aan de toenmalige pachter P.J. van Wijk. Nazaten van deze P.J. van Wijk wonen tot op de dag van vandaag nog op de boerderij. |
Rond 1900 is de boerderij ook een periode in eigendom geweest van Jhr. Paulus Jan Bosch van Drakestein. De vroegere Commissaris van de Koning(in) van Noord-Brabant. |
Bron: Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht U324c004 1812 Aktenummer: 1696. |
Firma Ketwich & Voombergh Negotiatie ten lasten de Plantage van Waterland, Adrichem, Palmeneribo en Surnimombo in de Kolonie van Suriname
Wo. 08-06-1814 |
De firma Ketwich & Voombergh is voortgekomen uit de bundeling van de activiteiten van de zelfstandig optredende Abraham van Ketwich en Dirk Jan Voombergh. Zij stonden beiden ingeschreven als makelaars in beleningen, obligaties, vaste goederen, inboedels enzovoort, respectievelijk van 1762 en 1789 tot 1795. Van Ketwich was rond 1790 gevestigd aan de Herengracht bij de Bergstraat en Voombergh aan de Keizersgracht bij de Herenstraat. Reeds vanaf het jaar waarin zij beiden als makelaar optraden, werden zij gezamenlijk genoemd. Daarnaast blijven zij beiden als zelfstandig tussenpersoon optreden. Een formele overeenkomst tussen de beide heren, onderhands of notarieel, werd in het archief niet aangetroffen zodat het onduidelijk blijft welk aandeel beiden in de firma hadden, in de werkzaamheden en in de opbrengsten. Mogelijk bestond er in het geheel geen formele schriftelijke overeenkomst omdat zij in de voorkomende gevallen steeds afzonderlijke akten opmaakten voor de uitvoering van specifieke opdrachten en handelingen. De term firma moet in de eerste periode voor 1802 dan ook met omzichtigheid gebruikt worden. Dit gebeurde tevens met andere tussenpersonen waarmee zij incidenteel samen optraden, bijvoorbeeld Abraham Voombergh en Cornelis van Ketwich. |
In de periode vanaf de oprichting van het eerste administratiekantoor (1802) trad Dirk Jan Voombergh steeds als enige op namens de firma Ketwich & Voombergh. Kennelijk heeft hij de leiding van de zaak alleen op zich genomen en maakte hij dankbaar gebruik van de goede naam die Abraham van Ketwich aan het eind van de achttiende eeuw had verworven. Zijn goede naam vormde voor het publiek een basis van vertrouwen voor de werkzaamheden van de firma. In de bewaard gebleven archivalia van de administratiekantoren is niet meer te achterhalen of Abraham van Ketwich ook werkelijk heeft bijgedragen aan de werkzaamheden van de firma. Dit is niet zo verwonderlijk gezien zijn vergevorderde leeftijd, tegen de zestig. Er is dan ook geen aanleiding om hem als initiator te beschouwen. Wel bleef Van Ketwich tot zijn overlijden in 1809 buiten de administratiekantoren incidenteel activiteiten ontplooien, zoals diverse commissariaten en het beheer van boedels. Abraham van Ketwich (1743-1809) en Dirk Jan Voombergh (1768-1824) zijn beiden te Amsterdam geboren als zonen van kooplieden. Hun vaders vestigden zich reeds voor hun huwelijken te Amsterdam vanuit Wijhe en Raalte in Overijssel en werden poorters van de stad. Hun voorouders waren niet alleen uit dezelfde streek afkomstig maar stonden zelfs in familiebetrekking tot elkaar. De overgrootvader van Dirk Jan Voombergh, Jacob, was een broer van de grootmoeder van Abraham van Ketwich. Een indicatie voor de hoogte van hun inkomen of vermogen geeft het bedrag dat zij moesten betalen vanwege het Middel op het Trouwen. Reeds bij hun eerste huwelijken, respectievelijk in 1768 en 1791, vielen zij beiden in de categorie met het hoogste tarief. Voor de verdere ontwikkeling van de vermogenspositie Van Ketwich zijn weinig directe bronnen voorhanden, behalve dan het bezit van huizen aan de Herengracht en zijn buitenverblijf Rusthof te Baambrugge. |
Dirk Jan Voombergh behoorde in 1813 tot de honderd hoogstaangeslagenen van Amsterdam. Met zijn inkomen van f 50.000 zit hij net onder de top van f 60.000 van bijvoorbeeld Willem Borski, Jan Willink en Adriaan Hope. Hij was eigenaar van het Huis aan de Drie Grachten, een kapitaal pand aan de Nieuwe Doelenstraat 6 en de buitenplaats Slotzicht onder Vreeland. Van 1814-1824 was hij commissaris van de Associatie Cassa en van 1814-1824 had hij zitting in de Raad. Na het overlijden van Dirk Jan Voombergh bleef de leiding van de firma in handen van zijn nazaten, eerst zijn enige zoon Albert tot 1851, dan een verdere verwant Frederik van Taack Trakranen tot 1881 en nadien verschillende Laboucheres, te beginnen met Ernest, een kleinzoon van Albert Voombergh. Bron: Stadsarchief, inleidende beschrijving toegang: 600, Inventaris van het Archief van de Firma Ketwich; Voomberg en Wed. W. Borski. |
NEGOTIATIE DOOR G. DE VRIES ABRAHAMSZ EN G. DE VRIES OP MEI 1770 OPGERICHT N.B. Ten behoeve van planters in de kolonie Suriname. In 1776 ging de directie over op S. van Nooten Jansz. In deze negotiatie werden onder andere de plantages Waterwijk, Mazard, Monplaisir en Bergen op Zoom ondergebracht. Gegevens over de overige plantages ontbreken. Vanaf 26 februari 1819 was D.J. Voombergh commissaris van deze negotiatie. Dezelfde rol vervulde Albert Voombergh vanaf 25 april 1827. 712 Akte van benoeming van D.J. Voombergh, D.W. van Vloten Abrahamsz, A. Voombergh, en P.W. Bosch van Drakenstein tot commissarissen., 1819 - 1827 |
Hofstede en landerijen in de Voorveldse Polder (gem. Utrecht)
Op zaterdag 13 augustus 1814 werd in de middag op 16:00 uur op het Kantoor der Publieke Verkoopingen, achter St. Pieter, Wijk F., No. 363 binnen de stad van Utrecht, publiek geveild en verkocht. Onder het toeziend oog van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh. |
No. 2. Acht en een half Morgen WEILAND, Verongeldende voor 8 Morgen en 430 Roeden, onder Oostveen (Maartsendijk) voornoemd, aan den Kerkdijk (Ezelsdijk/Kardinaal de Jongweg) - Welke beide Percelen, eerst ieder afzonderlijk, en daarna te samen bij elkander zullen geveild en verkogt worden. Verkoper van het achterhuis Voorveld was Adrianus van Niekerken. Koper van de 8 en halve morgen weiland is Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. |
Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 wordt als eigenaar Jan Willem Hendrik Bosch genoemd va de 8 en halve morgen grond in Blauwkapel te Maartensdijk. Bij dit stuk grond in Maartensdijk zijn er twee optie mogelijk die waarop de grond toe kwam aan Paulus zijn neef Jan Willem Hendrik Bosch. Na de aankoop kon de 8 en halve morgen grote grond zijn overgaan naar Paulus zijn moeder Cornelia van Bijleveld. |
Die dan tussen 1814 en 1823 het jaar tot aan haar overlijden de eigenaresse ervan was. Zij voorzag zich dan in de pachtopbrengsten in haar oude dag. Na haar overlijden zou dan de grond zijn overgegaan op kleinzoon Jan Willem Hendrik Bosch. Of dat Jan Willem Hendrik Bosch op zijn 18de verjaardag op dinsdag 22 juli 1817, van ome Paul het stuk grond in Maartensdijk kreeg. Later zal de grond na het overlijden van Jan Willem Hendrik Bosch toe bekomen zijn aan zoon Wilhelmus Johannes Marie Bosch van Oud-Amelisweerd. Hij is de stamvader van de Bosch van Oud-Amelisweerd tak. |
Het land lag in het noorden tegen de Blaauwkapelsche weg aan, waarvan de zuidelijke kant van de weg deze naam had. En de noordelijke kant van de weg de naam Voordorpsche dijk droeg. Het achterhuis genaamd Voorveld wat bij de grond behoorde stond heden op de plek van een huis wat nu geadresseerd is op het adres van de Voordorpsedijk 1 te Utrecht. Gelegen ten oosten van het Nieuwe Hollandse Waterlinie Fort Blauwkapel, deze werd gebouwd in de periode 1818 tot 1821. |
Ten zuiden van het 8 en halve morgen grote stuk land van wat ooit van familie Bosch was sloot deze aan op de Ezelsdijk. Deze Ezelsdijk wordt in diverse begin negentiende eeuwse beschrijving nog genoemd als de Kerkdijk. De naam van de Ezelsdijk raakte later in die eeuw in zwang als benaming. Midden twintigste eeuw zou op het tracé van de Ezelsdijk de huidige Kardinaal de Jongweg worden aangelegd. |
Ook in het midden van de negentiende eeuw werden er nog diverse andere stukjes grond van het eigendom van familie Bosch afgesnoept. Met de aanleg van twee nieuwe spoorlijnen. De eerste die rond 1860 werd aangelegd de Centraalspoorweg, die werd aangelegd tussen Utrecht en de stad Zwolle. En de Oosterspoorbaan van Utrecht Lunetten naar Hilversum die omstreeks 1872 werd aangelegd. De spoorlijn kruizen vandaag de dag elkaar nog ten oosten van het Fort Blauwkapel. Met de aanleg van de Kardinaal de Jongweg midden twintigste eeuw werd de wijk Tuindorp ten noorden van deze weg gebouwd. Vooral in de jaren zestig werd er volop gebouwd. De grond waarop de huizen en flats in het Utrechtse Tuindorp werden gebouwd waren voor 1 januari 1954 van de gemeente Maartensdijk. |
In de periode 1948-1954 werd er grote voorbereiding getroffen om diverse Utrechtse gemeenten op te heffen of te annexeren met de stad. Zo moest de Nieuwegeinse plaats Jutphaas een groot noordelijk deel afstaan aan de stad. Werd de gemeente Zuilen opgeheven en gevoed bij de stad. Gemeente Houten moest zijn noordelijk deel van het Maarschalkerweerd/Oud-Wulven afstaan. |
Hofstede en landerijen in Houten en Odijk
(gem. Houten en Bunnik)
Boerderij De Grote Geer ooit gelegen aan de Binnenweg kwam in 1985 te liggen aan de Snoeksloot 62 en 64 nadat om de boerderij in die periode de wijk De Sloten werd gebouwd. Anno 2020 is de boerderij gelegen aan de Snoeksloot 54, 56 en 58. |
Tot 1798 was de boerderij eigendom van Jan van Vianen. In dat jaar overlijd hij en laat een vrouw en dochtertje achter. Zijn vrouw Engeltje Smit krijgt enkele jaren later een relatie met Jan Nagel. Hij trouwt met haar waardoor hij De Grote Geer in eigendom verkrijgt. In de verpondingslijst uit 1806 (belasting) staat geschreven dat Jan Nagel in dat jaar een compagnon heeft een zekere J. de Munnik. De heer Nagel en De Munnik verkopen boerderij De Grote Geer op zaterdag 2 september 1815 ten overstaan van notaris Theodorus Koppen te Utrecht. |
Koper is Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein samen met zijn moeder Cornelia van Bijleveld die De Grote Geer voor f. 16.000-, gulden. De voltooiing van de koop vind plaats ten overstaan van Utrechtse notaris Theodorus Koppen op maandag 18 september 1815. Paul Bosch geeft De Grote Geer met het bijbehorende land gelijk door aan zijn moeder Cornelia van Bijleveld. Zodat zij uit de pachtopbrengsten die zij later sluit met de landbouwer Abraham van Rossum in haar oude dag kan voorzien. De man van Cornelia is Theodorus Gerardus Bosch die in 1802 al overlijd had voor die tijd al wat gronden in eigendom in het Houtense 't Goy. Na het overlijden van Cornelia in 1823 erft haar zoon Paulus de boerderij weer terug. |
Na zijn overlijden op 17 april 1834 komt de boerderij in handen van zijn zoon Jhr. Gerard Willem Bosch van Drakestein. Tot 1927 zou de boerderij in het bezit blijven van familie Bosch van Drakestein. Via de nazaten van Van Nispen tot Pannerden en Helmich verkoopt deze laatste familie de boerderij in 1973 aan de familie Van Wijk die er al reeds tiental jaren erop pachten. In hetzelfde jaar laat de familie Van Wijk de boerderij bij openbare veiling veilen en koopt de gemeente Houten boerderij De Grote Geer met de bijbehorende landerijen. Bron: Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht U270a035 1814-1815 Blz. 401 Aktenummer: 794. |
Landerijen ten oosten van de Kerkweg bij Fectio - Vechten
Hofstede De Stulp behoorde eerder tot het landgoed De Hoge Vuursche waarvan Pieter van der Vliet de eigenaar was. Hij verkocht de hofstede tezamen met hofstede de Zeven Linden aan Louis Rutgers (Van Rozenburg) ten overstaande van Utrechtse notaris Nioclaas Wilhelmus Buddingh op dinsdag 3 maart 1801. Pieter van der Vliet was persoonlijk failliet gegaan en hij moest noodgedwongen veel van zijn bezittingen behorend bij het landgoed De Hoge Vuursche eind 18e eeuw verkopen. Om de lening aan Baron Van Nagell te kunnen voldoen. |
Op donderdag 30 januari 1817 verkocht Louis Rutgers van Rozenburg hofstede De Stulp ten overstaan van de Utrechtse notairs Hendrik van Ommeren aan Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Paul voegde de hofstede toe aan zijn landgoed en kasteel Drakestein toe. Tot de jaren 60 van de twintigste eeuw zou De Stulp in het bezit van de familie Bosch van Dtakestein blijven. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, U272c024, 30, 1, 03-03-1801. |
Hofstede De Zeven Linden behoorde eerder tot het landgoed De Hoge Vuursche waarvan Pieter van der Vliet de eigenaar was. Hij verkocht de hofstede tezamen met hofstede De Stulp aan Louis Rutgers (Van Rozenburg) ten overstaande van Utrechtse notaris Nioclaas Wilhelmus Buddingh op dinsdag 3 maart 1801. |
Op zaterdag 19 augustus 1815 werd ten overstaande van de Baarnse notaris Frans Pen hofstede De Zeven Linden verkocht, met percelen liggende in De Vuursche en Soestdijk. Tezamen met 4 morgen, 305 roeden weiland gelegen onder Zantvoort aan Paul Bosch van Drakestein. Hofstede De Zeven Linden maakte tot 1815 onderdeel uit van kasteel de Hoge Vuursche in bezit geweest van Louis Rutgers van Rozenburg die vermoedelijk in financiële nood zat. En genoodzaakt was om zijn hofsteden en onroerende goederen per veiling moest verkopen. Paul Bosch kocht De Zeven Linden aan van Louis Rutgers van Rozenburg op de veiling voor f. 2.780-,gulden. Bron: Het Utrechts Archief, 1855, 1083. Later werd in de bossen van de Hoge Vuursche in het gebied van De Zeven Linden. Camping De Zeven Linden opgericht. Eerdere tijdens was de camping/bungalowpark De Zeven Linden in het bezit geweest van jkvr. Diana Bosch van Drakestein (1932-2017). |
Pieter van der Vliet was persoonlijk failliet gegaan en hij moest noodgedwongen veel van zijn bezittingen behorend bij het landgoed De Hoge Vuursche eind 18e eeuw verkopen. Om de leningen aan baron Van Nagell te kunnen voldoen. |
In 1815 zou Louis Rutgers van Rozenburg hofstede De Zeven Linden bij veiling verkopen aan Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Paul zou zijn nieuwe bezit bij het landgoed en kasteel Drakestein voegen. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, U272c024, 30, 1, 03-03-1801. |
Aankoop van de percelen van de vroegere buitenplaats de Colenberg te De Bilt
Op zaterdag 14 november 1818 kocht Paulus Willem Bosch van Drakestein ten overstaan van notaris Hendrik van Ommeren 5 percelen van de buitenplaats Colenberg aan in De Bilt. In bezit geweest van Maximiliaan Louis baron van Utenhove tot Bottesteijn. Na het overlijden van Paulus Willem Bosch van Drakestein verkochte zijn zonen op 23 mei 1840 de percelen op een veiling ten overstaan van de Utrechtse notaris G.H Stevens. Hierbij werden de vijf percelen verkocht aan zoon Carel Bosch van Drakestein. Later machtigde hij zijn broer Willem Bosch van Drakestein om de vijf percelen aan een lokale bewoner in De Bilt te verkopen. Zie voor bijbehorende informatie over het land van de Colenberg verderop op deze pagina de veiling van 23 mei 1840 of de Nieuw-Amelisweerd pagina. |
Landerijen in Weltevreden (gem. Utrecht)
Op maandag 14 mei 1804 vond ten overstaan van de Utrechtse notaris Hermanus Brouwer de verkoop plaats van 6,73 morgen in drie percelen land. Voor een bedrag van f. 6.300-, gulden kocht Paulus Willem Bosch de percelen aan van de vorige eigenaren: Jacobus Verhoeff, Anthonia Vos, Jacobus Adrianus Verhoeff, Adrianus Johannes Westeneng, Anthonij Rynier Verhoeff, Adriana Wilhelmina Verhoeff, Benjamin Johannes Verhoeff, Mattheus Johannes Banens, Maria Elizabeth Verhoeff en Benjamin Vo. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 2456, aktenummer: 39. |
Op vrijdag 28 oktober 1808 wordt ten overstaan van de Utrechtse notaris Henricus van Dusseldorp Jr. de boedel verdeeld van de overleden weduwnaar Jacobus Verhoef. Hij overleed op maandag 19 november 1804. Zijn echtgenote overleed een jaar eerder, Antonia Vos was haar naam. Zij werd begraven op maandag 21 november 1803. Het echtpaar had vijf kinderen. Dochter Adriana Wilhelmina Verhoeff erft van haar overleden vader ruim 6,73 morgen weiland op de Hoge- en Lage Weide in de Utrechtse gemeente Catharijne. Heden ligt op dit stuk grond de Bilitonkade in de Utrechtse wijk Lombok, de Keulsekade met het Merwedekanaal en de Merwedesluizen. Het Merwedekanaal is hier omstreeks 1890 aangelegd voor de verbinding van de Nederlandse hoofdstad Amsterdam, via de Nieuwegeinse plaats Vreeswijk en de rivier de Lek, naar de Zuid-Hollandse stad Gorinchem, gelegen aan Boven Merwede rivier. |
Adriana Wilhelmina Verhoeff huwde op woensdag 29 april 1812 te Utrecht stad met Simon Roghair, een 27 jaar jonge man uit de Bunnik (Prov. Utrecht). Hij is de zoon Joannes Roghair en Anna Maria Frank. Simon werd geboren op 1 januari 1786 en overleed op woensdag 1 mei 1839 te Nieuwer-Amstel (Amsterdam, Prov. Noord-Holland). Hij werd 53 jaar oud. Van beroep was hij apotheker. Joannes Roghair was predikant Nederlands Hervormd predikant in het dorp Bunnik. |
Later werd de grond heden gelegen onder de Bilitonkade, Keulsekade en de Merwedesluizen het eigendom van familie Bosch van Oud-Amelisweerd. |
Hofstede en landerijen in Kockengen, Spengen
(gem. Stichtse Vecht)
Op woensdag 21 september 1803 verkochte de kinderen wijlen Jan Carel Reykse, van beroep drossaard van Montfoort en Margaretha Maria van Baerle ten overstaan van de Utrechtse notaris Hermanus Brouwer de hofstde met landerijen aan de Spengen Kockengen aan de Spengen 32a. Met eem grote van ruim 22 morgen. Koper was Paulus Wilhelmus Bosch van beroep lid van de departementale rekenkamer van Utrecht. Paul betaalde voor de boerderij met landerijen f. 5.350-, gulden. Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, 2455, aktenummer: 86. |
Voor deel 2 (het vervolg) van Familie Bosch van Drakestein - Vast- en Onroerend Goed (klik hier) |