Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Familie Bosch van Drakestein (Van Nieuw-Amelisweerd)

 

Naambetekenis

Bos(ch) met bomen begroeid terrein; = woud.

Bron: VanDale.nl.

Bos(ch) een bundel, woud. In het Middelnederlands: busch, busk. In het Middeleeuws Latijns Bocus en de Romeinse vormen als Frans bois stammen uit het Germaans van een indogermaans basis  met de betekenis ‘zwellen’, waarvan ook het woord ‘boos’ komt. 

Bron: ETYMOLOGISCH WOORDENBOEK, Van Dale, 1993.

Drakensteyn (ook wel Drakestein, Drakenstein of Drakensteijn) is een kasteel en landgoed gelegen nabij Lage Vuursche, in de gemeente Baarn.

De oude geschiedenis van Drakensteyn is nauw Fverbonden met die van ridderhofstad Drakenburg bij Baarn, die in de negentiende eeuw is afgebroken. In 1360 is voor het eerst geschreven over een hofstede Drakesteyn, die in 1385 aan Frederik van Drakenburg werd beleend.

In 1634 werd Ernst van Reede de eigenaar van hofstede Drakensteyn. Zijn zoon Gerard liet in 1640 een nieuw, volledig symmetrisch achthoekig huis bouwen, mogelijk naar een ontwerp van Jacob van Campen. Het huis werd erkend als ridderhofstad en Gerard werd ridder. In die dagen werd ook het dorp Lage Vuursche gebouwd. Ridder Gerard liet een kerk bouwen met een pastorie, een school, een molen en een herberg.

Een draak is een groot mythisch wezen met een slangachtig of anderszins reptielachtig lichaam. De draak speelt wereldwijd een rol in mythologieën. Het geloof in deze wezens ontstond mogelijk door de geringe kennis, die oude culturen bezaten van de gigantische, prehistorische, 'draakachtige' reptielen. Het woord "draak" is afgeleid van het Griekse δράκων (drakōn), waarmee oorspronkelijk elk soort serpent werd aangeduid. Welke vorm de draak in de mythologie later ook aannam, hij bleef in essentie een slang.

Bron: Wikipedia.nl (Drakestein).

Draak (fabelachtig monster) Middelnederlands: drake. Latijns: draco wat de betekenis heeft slang of draak. Een slang wordt in het Nieuwe Testament beschreven als ‘van de duivel’, wat ook een veldteken is. Het woord slang is verwant met het Grieks: derkomai (aoristus edrakon) wat de betekenis heeft van ‘ik kijk, ik straal uit’.



Een ander woord uit het Grieks hopodra, wat de betekenis heeft ‘van onder de wenkbrauwen uitkijkend’. Daar lijkt een element van ‘biologeren’ in die twee betekenis te zitten. Van de woorden derkomai (aoristus edrakon en hopodra). Bron: ETYMOLOGISCH WOORDENBOEK, Van Dale, 1993.

Wist je dat

de naam 'De Vuursche' de oud Nederlandse toponymische betekenis is van 

Vestigingsplaats bij de pijnbomen/pijnbomenbos en

de naam Baarn de oud Nederlandse toponymische betekenis is van 

Vestigingsplaats bij de bron


 

Het Wapen van De Vuursche

Het wapen van De Vuursche is officieel nooit aan de Utrechtse gemeente De Vuursche toegekend. De gemeente maakte gebruik van het wapen van de ambachtsheerlijkheid De Vuursche, welke wel werd bevestigd door de Hoge Raad van Adel op donderdag 25 juli 1822. Het wapen bleef in gebruik tot De Vuursche op 8 september 1857 opging in de gemeente Baarn.





Blazoenering

De blazoenering van het wapen luidde als volgt:

"Van lazuur, beladen met een St. Jansbeeld met het lam, staande op een terras, alles van goud."
De heraldische kleuren zijn lazuur (blauw) en goud (goud of geel).

Het lam links naast Johannes de Doper is het Lams Gods. Jezus stelt de neef van Johannes voor. In de bijbel wordt Jezus van Nazareth ook wel als beeltenis voorgesteld als het Lam Gods, dat geofferd wordt aan zijn vader. Als voorstelling voor het sterven aan het kruis vlak voor Pasen voor de zonde en vergeving aan alle mensen op aarde.

Verklaring

Op de site Nederlandse Gemeentewapens wordt geen verklaring gegeven. Maar de heerlijkheid De Vuursche was sinds 1085 in het bezit van de Utrechtse kapittel van Sint Jan. 

Van 1085 tot het jaar 1580 (de tijd van de reformatie) was de heerlijkheid De Vuursche van het kapittel van St. Jan. De periode voor de reformatie was de heerlijkheid nog in het bezit gekomen van Sint Servaasabdij van Cistercienzerinnen Vrouwenklooster te Utrecht.

In 1780 wist Coert Simon Sander De Vuursche en Drakestein  in vrij eigendom te verkrijgen met toestemming van het Ridderschap van Utrecht van de St. Servaas abdij (Vrouwenklooster) te Utrecht.

Coert Simon Sander, waar geen portret van bekend is, kocht de heerlijkheid De Vuursche en kasteel Drakestein aan op vrijdag 19 november 1779 aan ten overstaan van de Utrechtse notaris Nico Buddingh. Die tevens schout in De Vuursche was.. Hierin was de erfpacht canon van het Vrouwenklooster meegenomen.

Een erfpacht canon was een weder helft bezit van Coert en het Sint Servaasabdij van Cistercienzerinnen Vrouwenklooster. Als men niet meer aan de erfpacht canon kon voldoen qua betaling, dan verviel het eigendom (vast- onroerend goed of ambachtsheerlijkheid) terug aan het Vrouwenklooster.



Coert Simon Sander (1753-1805) was gehuwd met Maria Sara Johanna van Wesel. Sander had samen met haar uit dit huwelijk twee kinderen gekregen zoon Hendrik Coenraad Leonard Sander (+/-1791-1858) en dochter Geradina Gualtera Sara Maria Sander (+/-1793-1863). Sander overlijd op 2 maart 1805 op zijn kasteel Drakestein in De Vuursche.



Hierop verkopen de erfgename de ambachtsheerlijkheid en het kasteel via schout van De Vuursche en notaris te Utrecht Nico Wilhelmus Buddingh die de heerlijkheid al ruim 30 jaar eerder verkocht aan Simon Sander. Bij openbare veiling in de zomer van 1805 verkoopt Nico het kasteel en de heerlijkheid aan buurman en goede vriend Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein.




Pas in 1806 wordt Paul echt de eigenaar van de De Vuursche en Kasteel Drakestein. Dit gebeurt als de memories van successie van de vorige eigenaar Coert Simon Sander en zijn erfgenamen voor het Hof van Utrecht zijn bekrachtigd.



In het jaar 1807 ruim twee jaar na Pauls aankoop van Kasteel Drakestein en De Vuursche legt hij bij buurman Nico Buddingh diverse tiende, pachten en huren vast met andere bewoners en grondbezitters in De Vuursche. Hierin gebruikt Paul Bosch nog altijd niet in zijn handtekening gebruik de naam Bosch van Drakestein. Buddingh gebruikt in zijn akten wel al de termen dat Paul Bosch Heer van Drakestein en Heer van De Vuursche is.



In de jaren 1807 tot 1810 had Paul Bosch een inhoudelijk conflict met een grondbezitter wonende in De Vuursche. Die bewoner genaamd Jacob Staal beweerde over zijn 2,5 morgen land geen tiende te willen betalen. Staal beweerde nog 'nooit gehoord' te hebben van dat hij over zijn 2,5 morgen land tiend moest betalen. Zoals Staal gewend was van vroegere eigenaar van De Vuursche Coert Simon Sander die op dat stuk land geen tiende hief.


 


Bij twee andere kleine land eigenaren gaat een medewerker van het Hof van Utrecht Jan Both Hendriksen te rade die wel beweren altijd tiende over hun land betaald hebben aan de vroegere ambachtsheerlijkeseigenaar. Eind van het jaar 1810 leggen Paul en Staal bij notariële akte vast af te zien van een inhoudelijke rechtszaak. In het nadeel van Jacob Staal. Staal zal van een rechtszaak hebben afgezien omdat hij kort aan het einde van het jaar al overleed.



Na vele tijd van onderzoek door stichting is ons wel duidelijk dat Paul Bosch de eerste jaren na zijn aankoop van Kasteel Drakestein en ambachtsheerlijkheid De Vuursche nog vele formele zaken afgerond wilde hebben voordat hij Van Drakestein achter zijn achternaam Bosch zou gaan zetten.



Na het tekenen van de papieren bij Jan Both Hendriksen is zijn handtekening nog steeds P.W. Bosch. Vanaf 1 januari 1811 werd in de Nederlanden in die tijd een provincie onderdeel van de Franse Staat onder Keizer Napoleon de Burgerlijke Stand ingevoerd. Voortaan zou de bevolkings boekhouding via de overheid worden bijgehouden en niet via kerkelijk wegen. Kerk en Staat werden vanaf die tijd ook gescheiden. Op zaterdag 22 februari 1812 kwam Paul Bosch weer bij Buddings voor het ondertekenen van de zoveelste huur en pachtovereenkomst voor een hofstede genaamd Paddenburg die hij bezat in Baambrugge in de gemeente De Ronde Venen. Gelegen in het noordwesten van de provincie Utrecht. Bij dat moment is tot zover bekend dat Paul Bosch voor het eerst zijn handtekening zet met P.W. Bosch van Drakestein.



Zoals eerder beschreven het formeel afronden van zakelijke belangen in De Vuursche, het juridische conflict met Jacob Staal uit De Vuursche, het burgemeesterschap (Maire) wat Paul pretendeerde in Utrecht en de invoering van de Burgerlijke Stand in het jaar 1811. Maakte dat Paul zich vanaf 1811 in zijn zakelijke ondertekeningen Paul Bosch van Drakestein ging noemen. Bij een burgemeesterschap van 1812 en 1813 moest een maire natuurlijke ook nog een goede achternaam hebben. Een met status uiteraard. En bij de het aangeven van je achternaam in 1811 voor de invoering van de Burgerlijke Stand was het natuurlijk ook mooi meegenomen dat je je achternaam ander kon laten inschrijven naar het bezit wat je toen had. Plus het feit dat je toekomstige familieleden altijd de achternaam beleven behouden vaneen vroeger stamvaderlijk bezit.

Bron: Het Utrechts Archief, 239-1, 252-449.

Heden 2020 alleen nog de Nieuw-Amelisweerd, De Vuursche en de Heeckeren (Goor, Prov. Gelderland) tak die nog hun achternaam Bosch van Drakestein hebben behouden.





Paulus Wilhelmus Bosch, die zich vanaf dat moment Bosch van Drakestein ging noemen was een vervend liefhebber van het opkopen van vroegere vast- en onroerende goederen van het kapittel van St. Jan. Hij woonde namelijk ook aan het Janskerkhof 17 in de binnenstad van Utrecht. Dit is de plek waar tot de zestiende eeuw de kanunniken van het kapittel zetelde in de Janskerk, die er thans nog staat.



Paul zal zeker door zijn vriend Nico Buddingh zijn aangespoord om De Vuursche en Drakestein te kopen. Nico was overigens schout en gadermeester (belastinginner) van De Vuursche.

Nico en Paul zullen hierin een prettige samenwerking hebben gehad in het beheer van De Vuursche en kasteel Drakestein.


 

De Vuursche

(heerlijkheid en gemeente) 

De Vuursche is een Nederlandse plaats in de gemeente Baarn in de provincie Utrecht. De Vuursche ligt in de Laagte van Pijnenburg, een laag deel van de Utrechtse Heuvelrug, dat het Utrechtse deel van de heuvelrug scheidt van Het Gooi.

Tot 1857 was De Vuursche een zelfstandige gemeente, die bestond uit het dorp Lage Vuursche en de buurtschap Hooge Vuursche en grensde aan Hilversum, Baarn en Soest.

 


De heerlijkheid De Vuursche 

Volgens Blijdenstijn is 'De Vuursche' een negende-eeuws toponiem, dat verwijst naar de gaspeldoorn (Ulex europaeus). Deze naam en tal van andere op en bij de Utrechtse Heuvelrug, bewijzen dat het gebied in die tijd nog geheel bebost moet zijn geweest.




De Vuursche was aanvankelijk een ambachtsheerlijkheid. Sinds 1085 behoorden de heerlijke rechten van De Vuursche aan het Utrechtse kapittel van Sint Jan. Later was de heerlijkheid De Vuursche in het bezit van de familie Bosch, tevens eigenaresse van kasteel Drakensteyn, die weer nauw verbonden is met die van ridderhofstad Drakenburg. De familie Bosch van Drakestein verkocht heerlijkheid en kasteel aan prinses Beatrix der Nederlanden.

Het belang van De Vuursche school in de venen, waar turf gestoken werd.

 

Gemeente De Vuursche




De gemeente De Vuursche ontstond in 1798, nadat in de Bataafse revolutie naar Frans voorbeeld in Nederlandse gemeenten werden ingesteld.


In de napoleontische tijd werd de gemeente De Vuursche korte tijd ingelijfd bij de gemeente Baarn. Die periode eindigde weer in 1813.

Op 25 juli 1822 werd aan de ambachtsheerlijkheid een wapen verleend. Dit werd tevens het gemeentewapen tot 1857.

In 1840 telde De Vuursche 19 huizen en 243 inwoners, waarvan 190 in Lage Vuursche en 53 in Hooge Vuursche. De oppervlakte bedroeg 880 ha..




 

De Vuursche deel van de gemeente Baarn


Het geringe aantal inwoners, met heel weinig kiesgerechtigden, was de doorslaggevende reden voor de samenvoeging met Baarn in het begin van de tweede helft van de negentiende eeuw. De Gemeentewet van Thorbecke van 1851 was de aanleiding. Het minimum aantal kiesgerechtigden om als gemeente zelfstandig te blijven was 25. De Vuursche had er maar 10. De gemeente Baarn zag op tegen de kosten van onderhoud van de kerk, de toren en de begraafplaats, maar nadat Gedeputeerde Staten hadden besloten, dat De Vuursche zijn eigen toren en kerkhof zou blijven onderhouden, was dit bezwaar van Baarnse zijde van de baan.



De samenvoeging van de gemeenten De Vuursche en Baarn vond plaats in 1857. Een wetsvoorstel van die strekking was door de Tweede Kamer met een grote meerderheid, en door de Eerste Kamer met algemene stemmen, aangenomen. De beslissing werd gepubliceerd in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden van 13 juni 1857. Daarin is opgenomen de tekst van de wet die door Koning Willem III was uitgevaardigd. In artikel 1 werd bepaald: “De gemeenten Baarn en De Vuursche worden vereenigd” en in artikel 2 werd aangekondigd: “De vereenigde gemeente draagt den naam van Baarn”. In artikel 8 staat: “De wet is verbindend met den dag harer afkondiging”.

 

Boswachterij De Vuursche


De bossen en natuurterreinen in de omgeving van Lage Vuursche zijn een onderdeel van het natuurgebied Utrechtse Heuvelrug – Noord. Ze zijn voor een deel particuliere landgoederen, voor een deel eigendom van Het Utrechts Landschap en voor een deel eigendom van Staatsbosbeheer. De laatste behoren tot de boswachterij De Vuursche. In deze boswachterij bevindt zich een heuvel in het landschap, 't Hooge Erf, die net als de Soester Eng en een heuvel ten oosten van Baarn, restanten zijn uit de ijstijd. 't Hooge Erf is het hoogste punt van het noordelijk deel van de Utrechtse Heuvelrug. In het gebied wisselen loofbossen en naaldbossen elkaar af. Er zijn veel koningsvarens te vinden.

Bron: Wikipedia: De Vuursche.


Eigenaren Kasteel Drakestein

In de Gouden Eeuw werd in de Laagte van Pijnenburg een groot aantal kastelen en landhuizen verbouwd en gebouwd, zoals Soestdijk, Kasteel de Hooge Vuursche, De Eult, Pijnenburg en Ewijckshoeve. Nadat Gerard van Reede in financiële moeilijkheden was gekomen, verkocht hij Drakensteyn op 20 december 1671 voor 27.300 gulden aan de Amsterdammer Joan Reynst, die het als zomerverblijf ging gebruiken.

In de zeventiende en achttiende eeuw wisselde het kasteel enkele malen van eigenaar. Het huis was tot 1779 in het bezit van leden van de familie Godin. In 1780 vond een verbouwing plaats, waardoor het aanzicht van het huis veranderde. Hierbij werden de Ionische zuilen verwijderd. In 1805 werd Drakensteyn eigendom van mr. Paulus Wilhelmus Bosch, burgemeester van Utrecht. Het huis bleef 150 jaar in de familie, tot het in 1959 door Frederik Lodewijk Bosch van Drakestein aan prinses Beatrix werd verkocht. Zij liet het kasteel restaureren en trok er in 1963 in. Een in slechte staat verkerend ensemble van beschilderde linnen wandbespanningen, door Jurriaen Andriessen vervaardigd in 1780, werd toen verwijderd uit het interieur. Deze doeken, die lange tijd op de zolder van 

paleis Soestdijk werden bewaard, werden na enige tijd gerestaureerd en hangen tegenwoordig in Museum Van Loon in Amsterdam.

Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht Kasteel Drakestein (Slotlaan 8, 3749 AA Lage Vuursche) en de ambachtsheerlijkheid De Vuursche voor f. 75.000 gulden. Diverse hooi en weilanden in Eembrugge en Baarn (voor f. 2775 en f. 8400 gulden) werden op een veiling ten overstaan van de Utrechtse notaris Nicolaas Wilhelmus Buddingh op woensdag 7 augustus 1805 gekocht. Totaal ging het om een bedrag van f. 88.875 gulden.


Prinses Beatrix der Nederlanden op 

Kasteel Drakestein in 1959 tot 1963




Op maandag 15 juni 1959 werd ten overstaan van de Baarnse notaris Bernard Engelbert Koenderik Kasteel Groot Drakestein verkocht. Verkoper was Jhr. Fredrik Lodewijk Maria Bosch van Drakestein, wonende te Lage Vuursche te gemeente Baarn. Als aankopende partij was aanwezig Jhr. Cornelis Dedel in functie als handelde lasthebber Beatrix Wilhelmina Armgard, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld, wonende te Baarn op Paleis Soestdijk.



Kasteel Drakestein met gebouwen, tuin, en bos, gelegen te Sectie F. nr. 714, groot 20 hectaren, 84 aren en 85 centiaren werd door verkoper Jhr. Frederik Lodewijk Maria Bosch van Drakestein in eigendom verkregen bij akte van scheiding op dinsdag 11 december 1956. Verleden voor notaris P.A.A.H. Graafland te Amsterdam, overgeschreven ten Hypotheekkantoren te Amersfoort op dinsdag 11 december 1956. Frederik Lodewijk erfde kasteel Drakestein van zijn vader Jhr. Paulus Jan Bosch van Drakestein, nadat hij overleden was te Baarn op maandag 7 november 1955 aan een beroerte. Het onroerend goed werd verdeeld tussen Frederik en zijn zus Jkvr. Maria Theresia Carmen Diana Catharina Bosch van Drakestein (1932-2017).





Prinses Beatrix kocht kasteel Drakestein voor maar liefst f. 300.000 gulden naar eigen vermogen.

 Beatrix zou er ruim drie jaar later in trekken.





Bron: Het Utrechts Archief: 1294, 9632 (1232), 1959 juni 9-1959 juni 20, 1231, deel: 94.




  










 

 

 

 

 

Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein




De portretten, die omstreeks 1830 zijn vervaardigd, hingen tot het voorjaar van 1840 in het huis van de familie Bosch aan het Janskerkhof 17. Vervolgens kwamen zij in het bezit van oudste zoon Willem Bosch. De portretten hingen vele jaren in zijn huis aan de Minrebroerderstraat 11 aan de muur. In de jaren zestig van de negentiende eeuw zullen de portretten zijn overbracht naar het landgoed Nieuw-Amelisweerd, waar de zoon van Willem Hendrik op zijn vroegere buitenverblijf voorgoed ging wonen tot aan zijn overlijden in 1914.





Tussen 1914 en 1929 waren de portretten in het bezit gekomen van Hendriks zoon Johan Bosch van Drakestein. Na zijn overlijden in 1929 kwam het roerend goed aan zijn echtgenote Lucie Serraris. Zij kocht in 1931 het huis Welgelegen aan de Ruysdaellaan 7 te Huis ter Heide in Zeist. Vanaf 1931 tot aan haar overlijden in 1951 zullen naar verloop van tijd de portretten in Huis ter Heide aan de wand zijn komen te hangen. Na 1951 bleef Huize Welgelegen een familie huis van de acht kinderen van Johan en Lucie.

In de jaren zestig of zeventig van de twintigste eeuw kwam het huis in eigendom van Louis Bosch van Drakestein. Hij was tot 1971 directeur van de VVV te Zeist. Tot aan zijn overlijden in 1982 hebben de portretten van Paul en Henriëtte bij de Ruysdaellan daar aan de muur gehangen.

Na die tijd tot op heden zijn portretten in het bezit van een erfgenaam van Louis en hangen ze nu al ruim 40 jaar bij een particulier aan de wand in Bussum.


Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein, heer van Drakestein en De Vuursche.  Hij werd geboren op 13 november 1771 te Utrecht en overleed aldaar op 17 april 1834. Paulus was advocaat, politicus en grootgrondbezitter.

Bosch was lid van de familie Bosch en een zoon van de koopman Theodorus Gerardus Bosch (1726-1802) en Cornelia van Bijleveld (1746-1823). Paul Bosch van Drakestein heeft tot twee maal toe een request bij koning Willem I ingediend om in de (lage) adelstand te mogen worden verheven en wel in september 1816 en in september 1822.

Bij Koninklijk Besluit 's-Gravenhage op 10 december 1829 nr. 8 wordt Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein in de adelstand verheven tot jonkheer. Zijn kinderen en de daarop volgende generaties mogen vanaf dan de titel jonkheer of jonkvrouw gebruiken. 

Bij Koninklijk Besluit van 21 februari 1836 Nr. 103 werd besloten dat de negen kinderen van Paulus en Henriëtte zich voortaan Bosch van Drakestein mochten gaan noemen.

Bij aanpassing in het bevolkingsregister van de stad Utrecht op maandag 19 juni 1837 liet Jhr. Willem Bosch van Drakestein, tezamen met zijn broers, zussen, (achter) neven en nichtjes en daarop volgende generaties van de familie de naamsverandering vastleggen van familie Bosch naar familie Bosch van Drakestein.






Jhr. Willem Bosch van Drakestein was tussen april 1834, na het overlijden van vader en voor het overlijden van moeder Hofmann, in december 1839 familie oudste van het huis aan het Janskerkhof 17. Diverse malen trad hij op als oudste familie vertegenwoordiger in notariële zaken en andere zakelijke familie aangelegenheden. Willem bleef ook tot aan het overlijden van moeder Hofmann samen met haar op het Janskerkhof 17 wonen.

Bron: Het Utrechts Archief, 481-703-01 Utrercht 1837, akten.: 9.



Paulus Willem Bosch huwde in 1797 met Henriëtte Hofmann (1775-1839). Paulus Willem Bosch was in 1797 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met haar. In 1805 maakte het echtpaar Bosch-Hofmann een testament.

 

Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren.

In het begin van hun huwelijk woonde het echtpaar Bosch op de Voorstraat 85-87 te Utrecht, wat Paulus op 10 februari 1799 aankocht ten overstaan van notaris Pieter Jongeneel. In dit huis werd hun zoon Johannes Gerardus Bosch van Drakestein geboren in juli 1811 (BS Utrecht G- aktenr.4).

 



Tijdens het bezoek van keizer Napoleon Bonaparte aan Utrecht, in oktober 1811, logeerde een rekestmeester uit zijn gevolg, belast met de Bruggen, Wegen en Polders, bij Bosch op de Voorstraat H 514 (Voorstraat 83). Bron: Huizenaanhetjanskerkhof.nl.



Het deel van de binnenstad, waar Bosch en zijn echtgenote Hofmann woonde, was tot aan het eind van de zestiende eeuw in het bezit van het Rooms Katholieke kapittel en de kerk van St. Jan. 

Na de reformatie van 1580 kwamen de goederen in het bezit van de Staten van Utrecht. Benoemde kannuniken werden vanaf het begin van de zeventiende eeuw aangesteld om deze onroerende goederen van landerijen, huizen (claustrale huizen) en boerderijen te beheren. 

Voor het huis Janskerkhof 17 werd de claustraliteit in de loop van de zeventiende eeuw afgekocht.

Van 1791 tot 1811 was het huis het eigendom van Willem Arnout Leyssius (1769-1796). Hij huwde in 1790 met Frederica Geertruida van Westreenen van Themaat (1773-1845). Zij was een kleindochter van Jan Jacob van Westrenen en Johanna Catharina Mamuchet van Houdringe

Het echtpaar Leyssius kreeg twee kinderen, Maria Françoise Leyssius (1791-1864) en Pierre Frédéric Leyssius (1793-1846). Vanaf 1793 leefde het echtpaar gescheiden van tafel en bed.



Na het overlijden van Willem Arnout Leyssius in 1796, na een duel bij Oudwijk, zou het 15 jaar gaan duren voordat zijn erfgename na vele rechtszaken tot een eindafsluiting van zijn nalatenschap zou gaan komen.

In het begin van de negentiende (?1796-1811) eeuw woonde Petrus Leonardus van Heilmann van Stoutenburg (1755-1816) hier. Petrus huurde het huis van de erfgenamen van familie Leyssius. Hij was in 1789 gehuwd met Lucia Theresia van Lielaar (1752-1819), weduwe van Martinus Carolus van Beurden. In 1793 was Lucia Theresia van Lielaer, echtgenote van Petrus Leonardus Heilmann van Stoutenburg, die na de dood van haar vader Johannes Franciscus van Lielaar, beleend met de heerlijkheid Stoutenburg.

In oktober 1811 logeerde Prins van Neufchatel (Louis Alexandre Berthier) bij Heilmann. Louis maakte onderdeel uit van het gevolg van het bezoek van keizer Napoleon, die in die dagen Utrecht bezocht. Al het koninklijke personeel werd ondergebracht in diverse huizen in de stad.



Na de verdeling van de Leyssius / Van Westrenen goederen, waaronder ook het huis Janskerkhof 17 in december 1811, is het huis in bezit gebleven van een van de erfgenamen. 

Bij de geboorte van Johannes Gerardus Bosch van Drakestein in november 1813, woont het gezin Bosch volgens archivalia al aan het Janskerkhof.

Bron: Het Utrechts Archief, 34-4, U328a002, 1811, notaris Christiaan Sanderson.



Bron en overgenomen van: Huizenaanhetjanskerkhof.nl Janskerkhof 17 en 17a.

Door nader archiefonderzoek, uitgevoerd door de stichting, is duidelijk geworden dat Paul Bosch van Drakestein zijn huis van de erfgename Leyssius /Van Westrenen heeft aangekocht in 1812.

Diverse pogingen zijn er al door de stichting ondernomen om erachter te komen waar de akte van aankoop zich bevindt. In de oudste kadastrale registraties van de stad Utrecht T22 Hypotheek Bewaarders (HUA), is in de boeken uit 1811 en 1838 niet op te maken dat Paul Bosch zijn huis kadastraal heeft laten registreren. Vermoedelijk heeft Paul Bosch het huis onderhands aangekocht begin 1812 van een van de erfgename Leyssius / Van Westrenen. Dit is gebeurt na de boedelscheiding in december 1811. Vrijwel zeker is dat Paul Bosch met zijn gezin in het jaar 1812 is verhuist van de Voorstraat naar het Janskerkhof 17.

Paul Bosch zou tot aan zijn overlijden in april 1834 hier wonen. Na het overlijden van Paul bleef zijn oudste zoon Willem met Henriëtte er nog enige jaren wonen, totdat ook Henriëtte overleed eind 1839. Hierna kwam het huis Janskerkhof 17 en 17a toe aan zijn dochter Elizabeth. Zij was met haar neef Jan Willem Hendrik Bosch gehuwd.



Paulus Wilhelmus Bosch was een telg uit een katholieke familie, die door een uiterst voortvarende manier van zakendoen en een succesvolle huwelijkspolitiek zeer rijk waren geworden.



Paulus ging Romeins en hedendaags recht studeren. Hij vestigde zich als advocaat en deed in 1795 met de Franse revolutie mee. Hij werd lid van de Provisionele Municipaliteit (gemeenteraad in de Franse Tijd) en was vervolgens tot 1803 tweede secretaris van de Raad van Rechtspleging.

Daarna was hij enkele jaren lid van de departementale rekenkamer. Naast zijn openbare functies nam hij deel aan het familiebedrijf en genoot hij inkomsten uit een uitgebreid bezit aan landbouwgrond en vastgoed.

Bosch was voortdurend bezig met het opkopen van landerijen, die patriciërs vanwege de ongunstige tijdsomstandigheden van de hand moesten doen. Sinds 1805 noemde hij zich, naar één van de aangeschafte ambachtsheerlijkheden, Bosch van Drakestein. Onder deze naam werd hij in 1808 lid van de vroedschap (stadscollege). Drie jaar later, in 1811, werd hij adjunct-maire onder mr. A. J. W. van Dielen.



Hij overleed in februari 1812 en na maanden touwtrekken werd Bosch van Drakestein als nieuwe
maire van Utrecht aangesteld van 1812 tot 1813. Bosch was in hoge mate gepousseerd (bevorderd)  door de prefect van het departement van de Zuiderzee, graaf De Celles. Deze prees in een brief aan Lebrun de ijver en de Fransgezindheid van zijn kandidaat en adviseerde geen acht te slaan (geen gehoor te geven) op de bezwaren, die tegen hem in Utrecht bestonden.

Hoe impopulair Bosch in zijn vaderstad was, bleek begin 1812 zeer duidelijk toen
hij gedeballoteerd (bij stemming afwijzen als lid) werd in de eliteclub Sic Semper. De weerzin van het Utrechtse patriciaat tegen Bosch van Drakestein had twee kanten.

1. Ten eerste was er de afkeer van deze parvenu (iemand met veel geld die zich beweegt in kringen waar hij door zijn komaf niet thuis hoort), die bovendien katholiek was.



2. Ten tweede, de ongeremde Fransgezindheid van de man. Anders dan zijn voorganger, die steeds had geprobeerd de Franse maatregelen zo veel mogelijk te verzachten, had Bosch van Drakestein
slechts tot doel zijn superieuren (hoger geplaatste personen) naar zijn beste vermogens te dienen. Soms ging hij daarin zelfs verder dan vereist was (zijn vermogen te laten zien aan hogere personen, dan eigenlijk voor die tijd noodzakelijk was).

Na de terugtocht van de Fransen werd hij gevangen genomen, maar door Koning Willem I gerehabiliteerd (goede naam teruggegeven) en werd hij benoemd als lid van de Provinciale Staten van Utrecht van 1814 tot 1830. Ruim 4 jaar later, in april 1834, overleed Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein op 62-jarige leeftijd.



Bronnen: Stilte na de storm- Utrecht in de eerste helft van de negentiende eeuw, Prof. Dr. R.E. de Bruin en Wikipedia.nl

Paulus was een groot liefhebber van het opkopen van het oude vast- en onroerend goed van het kapittel van St. Jan. Deze kwamen na het tekenen van het keizerlijke decreet door Napoleon, op 21 februari 1811, toe aan de Nederlandse Staat der Domeinen. Tussen 1819 en 1821 werden deze vroegere kapittel goederen verkocht per afslag. Bosch kocht onder andere De Proosdij en Landgoed de Hennekamp in Ede aan op 1 december 1819. Deze waren tot 1811 het eigendom geweest van het kapittel van St. Jan. Ook landerijen, die onderdeel uit maakten van de Erfpachtcanon van het kapittel, kocht hij graag op in de omgeving van Utrecht. De bedoeling was hierop te verdienen. Hij had dat na verloop van tijd zo groots opgebouwd, dat Bosch in de laatste jaren van zijn leven ervan kon rentenieren.

Misschien las Paulus in het eerst kwart van de negentiende eeuw wel de Gazette Utrecht. Een Utrechtse krant met een Franse naam. Gazette is Frans voor krant.



Hierin stonden vrijwel alle aangeboden landgoederen en landerijen, die door de economisch ongunstige tijd op de vastgoedmarkt werden aangeboden. Een groot deel van deze goederen kocht Bosch aan in de loop van de tijd. Zo was hij actief in het familie vastgoedbedrijf en een van de grootste grootgrondbezitters uit zijn tijd in Utrecht.

Ook zou het goed mogelijk zijn geweest, dat Bosch regelmatig het een en het ander van zijn buurman hoorde over vast- en onroerend goed, wat op de markt zou komen. Zijn buurman was Nicolaas Wilhelmus Budding, een zeer vooraanstaand notaris, die begin negentiende eeuw met zijn kantoor in de binnenstad gevestigd was. Bosch was regelmatig te vinden bij Nicolaas op kantoor om een transactie te bekrachtigen of om een familie aangelegenheid vast te laten leggen.



In de Utrechtsche Courant van 22 juli 1833 staat in advertentie 1410 het volgende te lezen:

"De Ondergeteekende betuigt bij deze den hartelijken dank aan allen, van welke hij de onderscheldene blijken van deelneming en belangstelling heeft mogen ontvangen gedurende zijne zeer ernstige ongesteldheid en aanvankelijke herstelling". P.W. Bosch van Drakestein

Utrecht 20. Julij 1833."

Hieruit kunnen we opmaken dat Paul in de zomer van 1833, ruim een jaar eerder, niet meer gezond was.


 


Na zijn overlijden in april 1834 liet Paul 1,5 miljoen gulden na aan zijn echtgenote en 9 kinderen.

In de Opregte Haarlemsche Courant van 26 juli 1834 staat het volgende te lezen:

"Commissarissen en directeuren der Negotiatie ten lasten de Plantagien Waterland, Adrichem en Palkmeneribe en Surnimombo, gelegen in de Kolonie van Suriname, roepen bij deze op alle de Geinteresseerdens in de  gemelde Negotiatie om met hunne Aandeelen voorzien te compareren in den Doelen op de Garnalenmarkt op Donderdag den 31ste Julij eerstkomende, ten half twee uur, ten einden volgens art. A der op 20 december 1826 gearresteerde Conventie over te gaan tot de benoeming van eene nieuwe Commissaris, in plaats van de overleden Heer P.W. Bosch van Drakestein".

Uit deze krantenadvertentie kunnen we opmaken dat Paul Bosch ook commissaris was van een Negotiatie fonds. Zo'n beleggingsfonds was in de achttiende- en negentiende eeuw bedoeld om de koffieplantages in Zuid Amerika te ondersteunen. Mensen met veel geld staken dan 1000 gulden in het fonds als obligatie, waardoor de lokale koffieboeren in Suriname hun eigen koffieplantage konden runnen. De koffieboeren hadden bij zulke leningen hun plantage als onderpand, mochten ze aan hun betalingsverplichting niet meer kunnen voldoen.



Er is in de tijd dat de stichting SHH Jhr. Paul Bosch van Drakestein en zijn echtgenote Henriette Hofmann en familieleden onderzoekt, iets opmerkelijks opgevallen.

Op zondag 29 december van het jaar 1805 laat het echtpaar ten overstaan van de Utrechtse notaris  Johan Fredrik Gobius Jr. een eerste testament opmaken. Hierin laat Paul Bosch opnemen, dat zijn oudste zoon (geboren op dat moment Willem Bosch van Drakestein 1853-1853) bij Pauls overlijden de ambachtsheerlijkheid De Vuursche en kasteel Drakestein zal vererven.

Ruim 29 jaar later, bij Pauls overlijden in april 1834, krijgt de een-na-oudste zoon Jhr. Frederik Lodewijk Herbert Jan Bosch van Drakestein (1799-1866) het kasteel en de ambachtsheerlijkheid. Oudste zoon Willem krijgt het huis en het landgoed Nieuw-Amelisweerd in plaats van kasteel Drakestein en de ambachtsheerlijkheid De Vuursche.

Over Pauls nalatenschap zal binnen het gezin Bosch wel wat overleg zijn geweest. Hierbij was het oorspronkelijk de bedoeling, dat Pauls bijzonderste bezit De Vuursche en Drakestein naar zijn oudste zoon Jhr. Willem Bosch van Drakestein zou zijn overgegaan. Ruim 29 jaar later zou dit toch anders uitkomen.

Volgens hetzelfde testament uit 1805 zou de tweede zoon het landgoed en huize de Sterrenberg in Soest en Zeist vererven. Hij zou 29 jaar later na het overlijden van Paul Jhr. Frederik Bosch van Drakestein het landgoed en huize de Sterrenberg hebben vererft. Maar dit werd bestemd voor zijn jongere broer Jhr. Karel Bosch van Drakestein.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U260a014, 29-12-1805, aktn.: 100.

Derde zoon Jhr. Hendrik Willem Bosch van Drakestein (1805-1883) kreeg het huis en en landgoed Oud-Amelisweerd in Rhijnauwen, na Pauls overlijden, toebedeeld in april 1834.

Vierde zoon Jhr. Karel Bosch van Drakestein (1807-1860) kreeg het huis en landgoed de Sterrenberg in Zeist en Soest en de ambachtsheerlijkheid Reijerscop - Creuningen in Vleuten - De Meern.

Vijfde zoon Jhr. Johan Bosch van Drakestein (1811-1883) kreeg het huis en landgoed Bruxvoort in Bennekom en Ede in de provincie Gelderland.

Zesde zoon Jhr. Gerard Bosch van Drakestein (1813-1862) kreeg enkele boerderijen en andere landerijen in de regio Utrecht. Rond 1841 kocht hij het landgoed en huis Heeckeren in de gemeente Goor aan, waarna hij diverse van zijn goederen uit de regio Utrecht voegde bij zijn bezittingen bij het landgoed Heeckeren. Zoals boerderij De Koppel in Utrecht Lunetten zijn oudste broer Willem verkocht De Koppel aan Gerard het in jaar 1846. Boerderij De Grote Geer in Houten was al voor het jaar 1832 in het bezit van Gerard Willem.


Bevolkingsregisters Utrecht stad in 1813

Bij de eerste bevolkingsregistratie volgens de Franse wet in 1813, was het toenmalige huis van familie Bosch van Drakestein aan het Janskerkhof 17 en 17a geadresseerd aan de St. Jan nr. 8. Volgens het register staan de volgende personen op dit adres geregistreerd:

1. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein (Maire = burgemeester) (41 jaar)

2. Henriëtte Hofmann (36 jaar)

3. Willem Bosch van Drakestein (14 jaar)

4. Frederik Lodewijk Hebert Jan Bosch van Drakestein (13 jaar)

5. Henriette Josephine Jacqueline Bosch van Drakestein (11 jaar)

6. Paulina Elisabeth Bosch van Drakestein (9 jaar)

7. Hendrik Willem Bosch van Drakestein (8 jaar)

8. Carolus Theodorus Johannes Bosch van Drakestein (6 jaar)

9. Elisabeth Petronella Bosch van Drakestein (4 jaar)

10. Johannes Gerardus Bosch van Drakestein (2 jaar)

11. M.E. van Bester (34 jaar) (Servante)

12. A. van Schaik (48 jaar) (Servante)

13. Cornelia van Heumen (35 jaar) (Servante)

14. Arnold Frippeluur (29 jaar) (Servante)


 

Bevolkingsregisters Utrecht stad in 1823

 Bij de tweede bevolkingsregistratie volgens de Nederlandse wet in 1823. Was het toenmalige huis van familie Bosch van Drakestein aan het Janskerkhof 17 en 17a geadresseerd aan in wijk H onder huisnummer 593. Volgens het register staan de volgende personen op dit adres geregistreerd:

1. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein (Lid van de Provinciale Staten van Utrecht) (52 jaar)
2. Henriette Hofmann (46 jaar)
3. Willem Bosch van Drakestein (26 jaar) (advocaat)
4. Elisabeth Petronella Bosch van Drakestein (15 jaar)
5.  Johannes Gerardus Bosch van Drakestein (14 jaar)
6. Gerard Willem Bosch van Drakestein (11 jaar) 

Bevolkingsregisters Utrecht stad in 1829

Bij de derde bevolkingsregistratie volgens de Nederlandse wet in 1829. Was het toenmalige huis van familie Bosch van Drakestein aan het Janskerkhof 17 en 17a geadresseerd aan in wijk H onder huisnummer 593. Volgens het register staan de volgende personen op dit adres geregistreerd: 

1. Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein (58 jaar) 

2. Henriette Hofmann (50 jaar) 

3. Jhr. Willem Bosch van Drakestein (advocaat) (30 jaar) 

4. Jhr. Gerard Willem Bosch van Drakestein (student) (18 jaar) 

5. Frans van Gorcum (professioneel huisbediende) (23 jaar) 

6. Johanna Grootharden (keukenmeid) (50 jaar) 

7. Jansje La Ros (kamenier) (40 jaar) 

8. Wilhelmina Achthoven (werkmeid) (21 jaar) 

9. Peter van de Vloed (knecht) (36 jaar)


Bevolkingsregisters Utrecht stad in 1840

Bij de vierde bevolkingsregistratie volgens de Nederlandse wet in 1840. Was het toenmalige huis van familie Bosch van Drakestein aan het Janskerkhof 17 en 17a geadresseerd aan in wijk H onder huisnummer 593. Volgens het register staan de volgende personen op dit adres geregistreerd:

1. Aletto Krafie (kamernier) (29 jaar)

2. Wilhelmina Achthoven (wekmeid) (31 jaar)

3. Hendriea Merkenhoff (keukenmeid) (32 jaar)

4. Frans Arts Jr. (huisknecht) (22 jaar)

Henriette Hofmann was de laatste van het gezin die het huis aan het Janskekrhof verliet toen ze eind december 1839 overleed. Alleen het huispersoneel bleef bij de nieuwe bevolkingstelling van het jaar 1840.


 

Aankoop landgoederen Nieuw-Amelisweerd en 

Oud-Amelisweerd

Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein kocht op zaterdag 24 augustus 1811 ten overstaan van de Utrechtse notaris Van Ommeren de landgoederen Nieuw- en Oud-Amelisweerd van mr. Jan Pieter van Wickevoort Crommelin.

Dit voor een totaal bedrag van f. 145.000 gulden.

Hierbij behoorden vele landerijen en hofsteden in Bunnik en Vechten, Rhijnauwen, Oud-Wulven en Maarschalkerweerd.

Jan Pieter had Nieuw- en Oud-Amelisweerd daarvoor in 1810 van Koning Lodewijk Napoleon gekocht. Dit was waarschijnlijk bedoeld om hem van dienst te zijn en destijds snel van zijn onroerend goed vermogens in de Nederlanden af te komen. Jan Pieter heeft in de periode dat hij Nieuw- en Oud-Amelisweerd in eigendom had nog geprobeerd de landhuizen te verhuren. Dit is naar alle waarschijnlijkheid niet gelukt, zo te zien is aan zijn korte eigendomsstaat.

Jan Pieter van Wickevoort Crommelin was President der Nationale Conventie, kanselier van het Koninkrijk Holland en lid van de eerste Kamer der Staatsraad.

Hij was gehuwd met Catharina van Lennep te Heemstede (Noord-Holland) op 24 oktober 1790.

Het echtpaar had 3 kinderen: Jan Pieter Adolf van Wickevoort Crommelin, Henri Samuel van Wickevoort Crommelin en Maria Catharina van Wickevoort Crommelin.







Bosch van Drakesteinlaan


In 1953 en 1954 werd ten westen van het fort Lunet I aan de Koningsweg het uitbreidingsplan Krommerijn gerealiseerd.

Bij deze naoorlogse stadsuitbreiding werden diverse appartementen en huizenblokken gebouwd. Al in de jaren dertig van de twintigste eeuw was Utrecht al
in gesprek met het ministerie van Oorlog om in de omgeving van 'De Vier Lunetten op de Houtense Vlakte' te kunnen bouwen. Maar door de wet op de Verboden Kringen uit midden negentiende eeuw, was het bijna onbegonnen werk en ook verboden om binnen bepaalde afstanden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie forten te bouwen.

Pas na het opheffen van de Kringenwet in 1952 kon Utrecht beginnen met zijn zo gewenste stadsuitbreiding aan de oostkant van de stad. Dit betrof dus het uitbreidingsplan Krommerijn.

Op 18 november 1953 werd bij besluit van de gemeentesecretaris J. de Lange en burgemeester Jhr. C.J.A. de Ranitz van de gemeente Utrecht de diverse straatnamen van het uitbreidingsplan Krommerijn vastegsteld. Het betrof de volgende straatnamen: Adriaen van Ostadelaan, Tamboersdijk, Kranenburgerweg, Kozakkenweg, Fransestraat, Bosch van Drakesteinlaan en het Lodewijk Napoleonplantsoen.

Het Utrechtsch Nieuwsblad van 26 november 1953 schreef over de nieuwe straatnamen van de stad het volgende:

STADSNIEUWS

Straatnamen in Krommerijnplan.

Burgemeester van wethouders van Utrecht hebben namen gegeven aan een aantal straten in het uitbreidingsplan Krommerijn.
De straat gelegen in het verlengde van de Adriaen van Ostadelaan, tot het punt waar deze afbuigt en zich voortzet evenwijdig aan de Rijksweg nr. 22,
(Waterlinieweg) wordt eveneens Adriaen van Ostadelaan. De straat gaande van het einde van de Adriaen van Ostadelaan zoals hierboven omschreven, in ongeveer
zuidwestelijke richting evenwijdig aan de Rijksweg nr. 22 tot aan de Koningsweg, wordt Tamboersdijk. De straat, die van de Koningsweg, getekend van de spoorwegovergang af de eerste zijnstraat zal zijn in ongeveer noordoostelijke richting, wordt Kranenburgerweg.
De straat, die ten zuidoosten van de Kranenburgerweg evenwijdig daaraan zal lopen, zal Kozakkenweg heten.

De straat, die gerekend van de Koningsweg af de eerste verbinding zal vormen tussen de Kranenburgerweg en de Kozakkenweg, evenals op deze
straat uitkomende toegangspaden tot woningblokken, wordt Fransestraat.
De straat, die ten noorden van de Fransestraat evenwijdig daaraan zal lopen, wordt Bosch van Drakesteinlaan.

De straten en de toegangspaden tot woningblokken aan te leggen op het terrein, begrensd door de Kozakkenweg, de Krommerijn, de Tamboersdijk en de Koningsweg,
krijgen de naam Lodewijk Napoleonplantsoen. De namen Tamboersdijk en Kranenburgerweg zijn historische benamingen. De eerste is gelijkduidend aan de in de volksmondbekende benamingen van een ongeveer daar gelegen landweg, terwijl de Kranenburgerweg is genoemd naar de buurtschap en  molen, vanouds bekend onder de naam ,,Kranenburg". Met de overige benamingen wordt de herinnering levendig gehouden aan de Franse tijd. Op 28 november 1813 kwamen de Kozakken te Utrecht en verlieten de Franse troepen de stad.
Jhr. mr. P.W. Bosch van Drakestein was burgemeester van Utrecht in de jaren 1812-1813. Lodewijk Napoleon was Koning van Holland van 1806-1810.



Bron: Krantenbank Het Utrechts Archief, archief straatnaamcommissie, gemeente Utrecht, Alice Oosterhoff.

In de gemeente Amsterdam (Prov. Noord-Holland), om precies te zijn in het westen van de stad op de vroegere gemeentegrond van Sloten (1816-1921) bevindt zich het Bosch van Drakesteinpad.

Deze straatnaam is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op dinsdag 11 juli 2006.

In de gemeente 's-Hertogenbosch (Prov. Noord-Brabant) in de wijk De Kruiskamp is er een Commissaris Bosch van Drakesteinlaan. Genoemd naar Jhr. Paulus Jan Bosch van Drakestein die in de tweede helft van de negentiende eeuw Commissaris van de koning en later de koningin was van provincie Noord-Brabant.

Deze straatnaam is vastgesteld bij raadsbesluit van de gemeente 's-Hertogenbosch op vrijdag 26 maart 1965.

Geschiedenis Landgoed Nieuw-Amelisweerd


Koningslaan 1, 3 en 5

Het witgepleisterde in classicistische stijl opgetrokken buitenhuis, gelegen in het parkbos Amelisweerd is gebouwd tussen 1684 en 1707. Omstreeks 1860 heeft het huis het huidige aanzien gekregen. Bij het huis staan het koetshuis dat omstreeks 1750 is gebouwd en een schuurtje uit ca 1900.



Geschiedenis

Nieuw-Amelisweerd is in oorsprong een middeleeuws huis gebouwd op de waarden van de Kromme Rijn. Kort voor 1227 krijgt ridder Amelis van Werden (of de Insula), een stuk grond in leen ter ontginning van het kapittel van Oud-Munster te Utrecht. Naar deze ridder wordt het landgoed genoemd dat al in de 14de eeuw wordt gesplitst in Oud- en Nieuw-Amelisweerd. Nieuw-Amelisweerd wordt ook Groenewoude genoemd naar Ernst van Groenewoude die in 1380 met het goed wordt beleend. In 1538 wordt Nieuw-Amelisweerd tot ridderhofstad verklaard. Deze ridderhofstad was een vrij bescheiden omgracht middeleeuws huis van een bouwlaag op een hoge kelderverdieping. Het had een L-vormige plattegrond met 3 door schoorstenen bekroonde zijtopgevels en enige aanbouwen in de binnenhoek. De toegang werd gevormd door een houten brug over de gracht.



In het rampjaar 1672 werd Nieuw-Amelisweerd door de Franse troepen verwoest. Tussen 1682 en 1716 is Hendrik baron van Utenhove, kolonel der infanterie de nieuwe eigenaar. Hij liet tussen 1684 en 1707 een nieuw huis bouwen, van een verdieping op een onderbouw met een zadeldak tussen tuitgevels. De brede frontgevel werd gedomineerd door een verhoogde middenpartij met pilasters. In plaats van een opvallende midden ingang had het huis twee eenvoudige deuren aan weerszijden van de middenpartij. Het omgrachte terrein met de fundamenten van de middeleeuwse ridderhofstad bleef voor het nieuwe huis liggen. Vermoedelijk liet Van Utenhove voor en achter het huis de eerste bossen aanleggen. In de loop van de 18de eeuw werd het huis met een lage etage verhoogd.

 


In 1768 erfde Maria Jacoba gravin van Efferen Nieuw-Amelisweerd van haar man Hendrik van Utenhove. Zij hertrouwde in 1771 met Henri Maximilien de St. Simon, markies de Sandricourt. Na dit huwelijk ging Nieuw-Amelisweerd bij testamentaire beschikking van Hendrik van Utenhove, over op zijn neef Maurits Carel van Utenhove. Maria Jacoba van Efferen en haar tweede echtgenoot mochten op Nieuw-Amelisweerd blijven wonen. De markies de Sandricourt was een groot plantenliefhebber. Hij liet in het park o.a. de Sneeuwklokjeslaan aanleggen en zorgde voor de vroeg-landschappelijke parkaanleg, die nog ten grondslag ligt aan de huidige.

In 1808 werd door Maximiliaan Louis baron van Utenhove, zoon van Maurits Carel, Nieuw-Amelisweerd verkocht aan koning Lodewijk Napoleon. Van 1808 tot 1810 was Lodewijk Napoleon eigenaar van zowel Oud- als Nieuw-Amelisweerd. Nieuw-Amelisweerd was bestemd voor zijn manschappen, zelf verbleef hij op Oud-Amelisweerd. Bij beide buitenhuizen werden wijzigingen in Empire-stijl aangebracht, o.a. in de roedeverdeling van de vensters. Voor de tuinen werden door Alexandre Dufour allerlei grootse plannen ontworpen, die echter nooit zijn uitgevoerd. De koning kwam er nauwelijks, hij verbleef meestal op ‘t Loo. 



In 1810 werden Oud- en Nieuw-Amelisweerd openbaar verkocht. Koper was J. P. Wickevoort Crommelin, mogelijk om de afgezette koning van dienst te zijn. Een jaar later verkocht hij beide Amelisweerden voor ƒ145.000,- aan Paulus Willem Bosch van Drakestein, burgemeester van         Utrecht. Na diens dood in 1834 werden beide verdeeld onder zijn zoons. Zijn kleinzoon Henricus Cornelis Bosch van Drakestein liet omstreeks 1860 het huis wit pleisteren volgens de laatste mode en met twee vleugels aan de achterzijde uitbreiden. In het park werden belangrijke wijzigingen aangebracht. In 1964 is Nieuw-Amelisweerd eigendom van de gemeente Utrecht geworden.



De markies de Sandricourt was een groot plantenliefhebber. Hij liet in het park o.a. de Sneeuwklokjeslaan aanleggen en zorgde voor de vroeg-landschappelijke parkaanleg, die nog ten grondslag ligt aan de huidige, en werd het park voor publiek opengesteld. Het hoofdgebouw is in 1984 geschikt gemaakt voor zgn. Van Dam wooneenheden.

Het Parkbos

Nieuw-Amelisweerd lag in de 17de en begin 18de eeuw temidden van wei- en bouwland. Van de oorspronkelijke oerbossen en hei was door ontginning en houtkap niet veel overgebleven. Er lag aan de zuidzijde naast het hoofdgebouw een moestuin. Vermoedelijk omstreeks het midden van de 18de eeuw is hier het koetshuis annex tuinmanswoning en oranjerie neergezet. Hendrik van Utenhove is waarschijnlijk begonnen met de aanleg van de eerste bossen. Een beschrijving uit 1772 vermeldt de aanwezigheid van boomaanplant, waartoe het sterrebos behoorde, gelegen voor het huis aan de overzijde van de Kromme Rijn, tegenwoordig het Markiezenbos genoemd naar Markies de Sandricourt.



Deze aanleg met zijn 3 lanen die in een punt samenkomen (zgn. patte d'oie-ganzevoet), behoort tot de geometrische periode in de tuinkunst. Een van deze lanen was gericht op de Domtoren. De middelste laan, de oorspronkelijke oprijlaan, die langs de zijkant van de oude ridderhofstad en langs het latere nieuwe huis voerde, werd gehandhaafd als toegangsweg. Parallel aan deze laan werd een zichtlaan toegevoegd in de as van het nieuwe huis. Dit is de nog bestaande Sneeuwklokjeslaan.



Kort na 1771 werd door Markies de Sandricourt het park uitgebreid met boomgroepen en bloemdragende heesters in de landschapsstijl die in opkomst was. De voor het huis gelegen vierkante gracht met fundering van de oude ridderhofstad werd gewijzigd in een ronde viskom, die in de 19de eeuw zou worden gedempt. Uit deze periode dateren waarschijnlijk ook de ronde vijver in het bos achter het huis met restanten van naar verschillende kanten uit waaierende paden en de slingervijver, evenals het eilandje (oorspronkelijk 3 naast elkaar) in de Kromme Rijn ten zuidwesten van het huis. De Saint Simon is waarschijnlijk ook degene geweest die de wilde hyacinten, sneeuwklokjes e.d. heeft geïntroduceerd, die we aantreffen in het parkbos. Omstreeks 1860 werd in opdracht van H .P.C. Bosch van Drakestein de tuin verder in landschapsstijl aangepast.



De oprijlaan werd iets naar het noorden verlegd, zodat men met een bocht bij het huis uitkwam. De oude brug werd vervangen door de huidige en voorzien van decoratieve gietijzeren balustrades. D oor het graven van een sloot tussen de Kromme Rijn en het Keukenwater ontstond een belangrijke zichtas op de Kromme Rijn en een eilandje waarop een tuin in landschappelijke stijl werd aangelegd. Een brug gaf toegang tot dit eilandje. Vanuit het huis waren naar alle zijden uitzichten mogelijk. Omstreeks 1889 ontwierp de tuinarchitect L. Springer nog een uitbreiding voor het park ten zuiden van het huis, aan weerszijden van de Kromme Rijn. Het ontwerp werd niet letterlijk uitgevoerd.



Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bos ernstig beschadigd. Het huis werd door de Duitsers ontruimd en de gietijzerenbrug opgeblazen. Later zou deze weer worden hersteld. In 1945 werd het gebied onder water gezet, waardoor een groot aantal beuken dood zijn gegaan. Bij de aanleg van de RW 27 door het westelijk deel van het parkbos is een deel gekapt en is de hoofdingang met de portierswoning (in 1978 gesloopt) komen te vervallen. De Sneeuwklokjeslaan is recentelijk hersteld en vormt de belangrijkste zichtas op het hoofdgebouw. Ten noorden van het parkbos ligt een weide-gebied met aan de Kromme Rijn de monumentale 17de eeuwse krukhuisboerderij ’De Boeije‘, oorspronkelijk een pachtboerderij bij Nieuw-Amelisweerd. Vanaf de boerderij loopt een pad naar het hoofdgebouw.





Beschrijving

Het U-vormige, witgepleisterde herenhuis ligt met de voorzijde naar de Kromme Rijn. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is acht traveeën breed en voorzien van een licht risalerende middenpartij met twee brede schuifvensters, waarvoor een houten veranda is geplaatst. De veranda heeft een zwart/rode tegelvloer en dubbele houten ionische zuiltjes, die roeden bovenlichten  dragen. Tevens is de kroonlijst versierd met een tandlijst. Aan weerszijden van de veranda zijn twee schuifvensters, waartussen openslaande deuren met bovenlichten. Op de verdieping zien we acht 4-ruitsschuifvensters. Alle vensters zijn voorzien van Louvre-luiken.

De voorgevel krijgt extra nadruk door het sierpleisterwerk in de vorm van strekken, paneellisenen als hoekmarkering en een paneelfries onder de overdragende houten dakgoot, die gedragen wordt door voluut-klossen. De achtergevel is a-symmetrisch en heeft twee uitgebouwde hoekvleugels, waarvan de linker smaller en minder diep is dan de rechter. In het midden van de achtergevel is een ingang gemaakt. Op de verdieping is ter hoogte van het trappenhuis een drielichtsvenster aangebracht.



Ten zuid-oosten van het hoofdgebouw staat het koetshuis, annex koetsiers- en tuinmanswoning. Aan de ene korte zijde van het rechthoekige gebouw bevindt zich de symmetrische witgepleisterde voorgevel van het koetshuis met twee dubbele koetshuis deuren in een toogveld. Hierboven is een dakhuis aangebracht met een zolderluik naar de hooizolder. Het dakhuis dat door de daklijst heen breekt is voorzien van een topgevel en een overdragend zadeldak, gedragen door houten schoren. Aan de andere zijde bevindt zich de symmetrische voorgevel van de tuinmanswoning, met een centraal geplaatste ingang, geflankeerd door een 18 de eeuws roeden schuifvenster. De linker lange zijgevel wordt onderbroken door de witgepleisterde voorgevel van de koetsierswoning, voorzien van imitatie vakwerk en een door de daklijst heen brekende topgevel met een zadeldak haaks op het hoofddak. 



Nieuw-Amelisweerd in Tweede Wereldoorlog (WOII)

In de oorlog hebben de bossen van Oud- en
Nieuw-Amelisweerd ernstig geleden. Er zijn veel
bomen gekapt om als brandstof te dienen. Het
bos bood bescherming aan troepen en voorraden en werd daardoor het doelwit voor V 1's. Bovendien sloten de Duitsers in 1945 de Kromme Rijn af. als gevolg waarvan het bos  blank kwam te staan en veel bomen verdronken, waaronder hele kersenboomgaarden, 
Veel oude iepen werden getroffen door de iep-
ziekte.

Bron: Maandblad van Oud-Utrecht 1971, Jhr. Maurie Bosch van Drakestein.


De ingang tot de woning, die onderkelderd is, ligt hoger in een inpandig portiek en is via een trapje te bereiken. Tegen de rechter zijgevel was oorspronkelijk de oranjerie, die in 1929 is gesloopt, aangebouwd. In het metselwerk van beide lange zijgevels zijn nog oude raamtracéringen zichtbaar. Vlakbij het koetshuis staat grenzend aan de voormalige moestuin een bergschuurtje, dat opgetrokken is in gele baksteen met horizontale banden in rode baksteen. Langs de rand van het zadeldak zijn gestoken windveren aangebracht. Het is deels in gebruik als schaft lokaal voor de tuinlieden en deels als schapenstal.

Bron: Bunnik Geschiedenis en Architect, Saskia van Ginkel-Meester, 1989, Kerckebosch Uitgeverij.


Bewoners Landgoed Nieuw-Amelisweerd in de zomer van 1849

Gemeente Rhijnauwen:

Huisnummer: 10 ...Landgoed Nieuw-Amelisweerd

1.   Jhr. Willem Bosch van Drakestein ... 51 jaar (M) ... Lid van de gemeenteraad van Utrecht.

2.   Joanna Sara ten Hagen ... 47 jaar (V) ... (Geen).

3.   Jhr. Henricus Paulus Cornelis Bosch van Drakestein ... 10 jaar (M) ... Schoolleerling.

4.   Gerrit Verhoef ... 30 jaar (M) ... Koetsier.

5.   Alijda Schouten ... 25 jaar (V) ... Keukenmeid.

6.   Johanna Woudenberg ... 25 jaar (V) ... Werkmeid.

7.   Johanna Antonia van Rossum ... 23 jaar (V) ... Gouvernante of Bonne.

8.   Johanna Hermina ten Hagen ... 26 jaar (V) ... (Geen).

Huisnummer: 11 ... Landgoed Nieuw-Amelisweerd

1.   Antonnis van Kesteren ... 30 jaar (M) ... Tuinbaas.

2.   Johanna van Zijl ... 27 jaar (V) ... (Geen).

3.   Jacobus van Kesteren ... 3 jaar (M) ... (Geen).

4.   Geertruida van Kesteren ... 1 jaar (V) ... (Geen).

Bron: Regionaal Archief Zuid-Utrecht (RAZU), Wijk bij Duurstede. Toegang 218 Gemeentebestuur Rhijnauwen 1816-1857 (1919) (51).


Jhr. Henricus Paulus Cornelis Bosch van Drakestein

Jhr. Henricus Paulus Cornelis Bosch van Drakestein. Geboren 31 december 1839 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht) en overleden 17 augustus 1914 te Huize Nieuw-Amelisweerd te Bunnik (Utrecht).

Henricus was de zoon van Jhr. Willem Bosch van Drakestein, geboren op 15 augustus 1798 te Utrecht en overleden op 1 september 1853 op Huize Nieuw-Amelisweerd, Rhijnauwen Bunnik (Utrecht). Willem was de oudste zoon was Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein.

Henricus moeder was Joanna Sara ten Hagen, geboren op 11 juli 1802 te Utrecht en overleden 8 maart 1863 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht).

Henricus woonde met zijn ouders Willem en Johanna Sara Ten Hagen op de Minrebroederstraat 11.

Henricus was de kleinzoon van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein .

Henricus was lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal en kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina.

Hij werd opgeleid in Katwijk aan de Rijn. Hij was hoogheemraad van 1870 tot 1901 en dijkgraaf van 1901 tot aan zijn overlijden van het Hoogheemraadschap de Lekdijk Bovendams.

In 1880 werd hij gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Utrecht en op 11 november 1901 vaardigde dat college hem af naar de Eerste kamer der Staten Generaal. Hij werd benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en hij bezat het onderscheidingsteken van de Orde van Sint-Gregorius de Grote.

Henricus trad de eerste keer in het huwelijk op 30 april 1861 te Utrecht met zijn nicht Henriëtta Carolina Cecilia Bosch van Drakestein, geboren op 8 juli 1838 te Utrecht.Zij is overleden  op 28 juli 1870 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht) in de leeftijd van 32 jaar.

Henricus en Henriëtte kregen 5 kinderen:

A.   Jhr. Willem Frederik Carel Bosch van Drakestein. Geboren 24 juni 1864 te Utrecht. Overleden 16 juni 1865 te Utrecht.

B.   Jhr. Johannes Ludovicus Paulus Bosch van Drakestein Zie voor verdere uitleg op deze pagina.

C.   Jkvr. Cecilia Henriette Leonie Marie Bosch van Drakestein. Geboren 24 februari 1867 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht). Overleden op 1 november 1930 te Arnhem  (Gelderland). Zij werd 63 jaar. Cecila trouwde in 1889 met Jhr. Paulus Jozefus Aloysius Anacletus Maria van Nispen Tot Sevenaer. Geboren 13 juli 1856 te Arnhem (Gelderland). Overleden op 30 november 1944. Paulus was vrijheer van Kessenich en heer van Hunsel. Hij was lid van de Gedeputeerde Staten van Gelderland. Zij kregen 5 kinderen.

Een van hun zonen en diens zoon (achterkleinzoon van Henricus, Jhr. Paulus Carolus Ignatius Gerardus Maria van Nispen tot Sevenaer) vererven na het overlijden van Henricus in augustus 1914 alle losse landerijen en onroerende goederen van het landgoed Nieuw-Amelisweerd.

D.   Jhr. Hendrik Frederik Bosch van Drakestein. Geboren op 4 augustus 1868 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht). Overleden op 3 april 1869 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht).

E.   Jkvr. Caroline Augusta Bosch van Drakestein. Geboren op 9 juli 1870 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht). Overleden op 10 oktober 1870 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht).

Jhr. Hendricus Bosch van Drakestein en zijn moeder Johanna Sara ten Hagen bleven na het overlijden van vader Jhr. Willem Bosch van Drakestein in 1853 op de Minrebroederstraat 11 wonen. Ruim 8 jaar later zou Johanna tezamen met haar dienstbode Wilhelmina Wisman op 16 mei 1861 definitief verhuizen naar Landgoed  Nieuw-Amelisweerd. 

Henricus zou na het vertrek van zijn moeder nog iets meer dan twee jaar in het huis blijven wonen. Hij verhuist van de Minrebroederstraat 11 op 2 juni 1863, om bij zijn moeder op het landgoed Nieuw-Amelisweerd te gaan wonen. Ruim 25 dagen later zou Henricus vrouw (nicht) Henriëtte Bosch van Drakestein, waar hij op 30 april 1861 mee in het huwelijk trad, verhuizen van de Minrebroederstraat 11 naar het landgoed Nieuw-Amelisweerd. Op 27 juni 1863 vond de verhuizing plaats. Het nieuwe echtpaar heeft zich hier definitief gevestigd.

Na deze tijd bleef het huis nog ruim 11 jaar dienst doen als dienstwoning voor het landgoed personeel.

Een beschrijving van twee dienstbodes, die er gewoond hebben aan de Minrebroederstraat 11:

1.   Willemijntje Wisman (geboren op 13 oktober 1838 te Zeist), gekomen op 21 mei 1863 en vertrokken op 12 december 1865 naar huis G444 heden Keizerstraat 4 te Utrecht. Zij is daar in dienst getreden als dienstbode.

2.   Elizabeth Engelina Simons (geboren op 19 november 1827 te Utrecht), gekomen op 22 april 1864 en vertrokken op 9 juni 1864 naar huis C863 in wijk C, een vroegere volksbuurt van Utrecht.

Het laatste dienstpersoneel, dat uit de Minrebroederstraat 11 weg ging, vertrok  op 16 april 1874.

Hierna verkocht Hendricus Bosch van Drakestein het pand in 1874 aan Jacob Gerard Rutgers, die er zich vestigde op 15 mei 1874 samen met zijn gezin.



Henricus trad voor de tweede keer in het huwelijk op 28 mei 1872 te Brussel (België) met    Marguérite Marie Elisabeth Jeanne Ghislaine van de Vin. Zij werd geboren op 3 december 1846 te Brussel en overleed op 20 augustus 1929 te Arnhem (Gelderland). Zij was toen 82 jaar oud.



Tot op de dag van vandaag hebben de nazaten van Henricus en Henriëtte Bosch van Drakestein  (kleinkinderen, achterkleinkinderen en de kinderen daar weer van) in de meeste gevallen in hun roep- of doopnaam de naam Ghislain of Ghislaine bijschreven gekregen in het bevolkingsregister. Dit verwijst naar de doopnaam van de tweede vrouw van Henricus Marguérite Marie Elisabeth Jeanne Ghislaine van de Vin.



De naam Chislaine heeft een Franse betekenis en betekent 'belofte'.






Diverse portretten van Jhr. Hendrik Bosch van Drakestein die op internet en diverse beeldbanken zijn te vinden.


Jhr. Johannes Ludovicus Paulus Bosch van Drakestein

Hij (zoon van Henricus) is geboren op 22 november 1865 te Bunnik op huize Nieuw-Amelisweerd. Van beroep was hij kunstschilder.

Johannes overleed op 9 november 1929 te Bunnik, op huize Nieuw-Amelisweerd. Hij werd 63 jaar oud.

Johannes trouwde op 14  februari 1900 te 's-Hertogenbosch met Jkvr. Lucie Adèle Cornélie Marie Serraris. Lucie werd geboren op 30 mei 1873 te 's-Hertogenbosch (Noord-Brabant). Zij overleed op 9 augustus 1952 te Wassenaar (Zuid-Holland). Lucie werd 79 jaar oud.

Johannes en Lucie woonden vanaf 1900 tot 1924 in Huize Groenwoude, Mereveldseweg 1A (Houten). Huize Groenewoude was onderdeel van het landgoed Nieuw-Amelisweerd (zie verderop deze pagina). Groenewoude kwam na een grenswijziging per 1 janauri 1954 in de gemeente Utrecht te liggen en kreeg het adres Mereveldseweg 1A. Voor die tijd was het huis geadresseerd aan de Mereveldseweg O102 te Houten.

Johannes en Lucie kregen in totaal acht kinderen. Zij zouden na het overlijden van Johannes vanaf 1929 tot 1965 het landgoed in eigendom vererven.

Johannes en Lucie zijn beide begraven op de R.K. Begraafplaats aan de Christiaan Huijgenslaan te Soesterberg (Utrecht). Bron: Online-begraafplaatsen.nl

Lucie haar grootvader Jean Theodore Serraris (1787-1855) trad als militair in Franse dienst, vanaf 1815 in Nederlandse dienst en werd generaal-majoor. Hij werd in 1813 verheven tot Chevalier de l'Empire en bij Koninklijk Besluit van 8 oktober 1842 verheven in de Nederlandse adel.

1.   Jhr. Henri Alexandre Ghislain Theodore Bosch van Drakestein. Geboren op 27 mei 1901 in Houten, Huize Groenewoude. Overleden op 25 januari 1967 te Breda (Noord-Brabant). Hij werd 65 jaar. Hij trouwde de eerste keer in 1951 met Gerardina Aletta Vreeswijk (1913-1981). Zijn tweede huwelijk was in 1961 met Antonia Sophia Henriette de Beer. Zij is geboren op 3 april 1902 en overleden op 21 september 1987. Zij werd 85 jaar. Henri en Antonia zijn beiden begraven op de R.K. Begraafplaats aan de Christiaan Huijgenslaan te Soesterberg (Utrecht). Bron: Online-begraafplaatsen.nl, Genealogieonline.nl

2.   Jkvr. Yvonne Caroline Marguerite Marie Ghislaine Bosch van Drakestein. Geboren op 13 april 1903 in Houten, Huize Groenewoude. Zij is overleden op 1 augustus 1994 te Combermere in Canada en is daar begraven. Zij werd 91 jaar. Functies van Yvonne: Oud-presidente van de Graal in Engeland, Vrouwe van Nazareth. Bron: Delpher.nl 03-08-1994.

3.   Jhr. René Paul Ignace Ghislain Bosch van Drakestein. Geboren 20 december 1904 in Houten, Huize Groenewoude (zie voor verdere uitleg deze pagina).

4.   Jhr. Louis Ignace Corneille Ghislain Marie Bosch van Drakestein. Geboren op 8 mei 1906 in Houten, Huize Groenewoude. Overleden op 26 janauri 1982 te Huis ter Heide (Utrecht).  Hij werd 75 jaar. Bron: Uwstamboomnonline.nl.

Louis trouwde op 14 januari 1947 te Bloemendaal met Johanna Francisca Maria Everard. Zij is geboren op 11 maart 1913 te Bloemendaal (Noord-Holland)  en overleden op 31 december 2003 te Zeist (Utrecht). Zij werd 90 jaar. Bron: Geneaweb.nl. 

Functies Louis: directeur VVV Zeist, reserve majoor cavalerie. Bron: Genealogieonline.nl. 

Louis en Johanna zijn beide begraven op de R.K. Begraafplaats aan de Christiaan Huijgenslaan te Soesterberg (Utrecht). Bron: Online-begraafplaatsen.nl. 

Kinderen:

A.   Jhr. Paul Gislain Lucien Bosch van Drakestein. Geboren op 9 augustus 1952 te Huis ter Heide (Utrecht).

B.   Jhr. Lodewijk R. Bosch van Drakestein. Hij is geboren in 1956.

Bronnen: A en B Delpher.nl NRC Handelsblad 28-01-1982 A Delpher.nl Algemeen Handelsblad 11-08-1952 B Volkskrant.nl

 


5.   Jkvr. Jeanne Monica Ghislaine Bosch van Drakestein. Geboren 1 september 1907 in Houten, Huize Groenewoude (zie voor verdere uitleg deze pagina).

6.   Jkvr. Caroline Beatrice Ghislaine Marie Bosch van Drakestein. Zij is geboren op 15 juni 1910 in Houten, Huize Groenewoude en overleden op 9 juli 1989 te Vugt (Noord-Brabant) in de leeftijd van 79 jaar. Caroline ging in ondertrouw in maart 1940 met Jhr. Everard Willem Jacob van Weede van Dijkveld te Dordrecht. 

Bron: Het Utrechts Archief.nl Utrechtsch Nieuwsblad 30-03-1940. Hij is geboren op 14 juli 1912 te Zeist, Utrecht en overleden op 30 maart 2000 te Baarn, Utrecht. Hij werd 87 jaar. Het paar trouwde op 19 april 1940 te Huize Nieuw-Amelisweerd, Bunnik (Utrecht). 

Bron: Burgerlijke Stand, gemeente Bunnik, Het Utrechts Archief.nl. Functies Everard: directeur N.V. 's-Hertogenbossche Brandwaarborg Mij. van 1841. 

Bron: Genealogieonline.nl. Caroline en Everard liggen begraven op het R.K. kerkhof van de Heilige Hartparochie. Mr. Loeffplein te Vugt (Noord-Brabant).

Kinderen:

A.   Jkvr. Lucia Adele Ilona Elisabeth Maria van Weede van Dijkveld. Geboren 1941 - Overleden 1941.

B.   Jkvr. Lucie I.B.H.M van Weede van Dijkveld. Geboren 15 oktober 1943 te 's-Hertogenbosch - Overleden 18 februari 2014 te Beesterzwaag.

C.   Jhr. Maurits van Weede van Dijkveld

D.   Jkvr. Ilona R.A.M.G. van Weede van Dijkveld

E.   Jhr. Winfried S.P.M. van Weede van Dijkveld. Geboren in 1944. Bron: TW

F.   Jhr. Steven R.K.M van Weede van Dijkveld

Bronnen: A - Genealogieonline.nl B, C, D,  E, F Delpher.nl NRC Handelsblad 10-07-1989 B, D, E, F Mensenlinq.nl Leeuwarder Courant.

7.   Jhr. Maurice Auguste Marie Ghislain Bosch van Drakestein. Geboren op 22 september 1912 in de gemeente Houten, Huize Groenewoude en  overleden op 15 mei 1984 in Utrecht. Hij werd 71 jaar. Maurice verloofde zich in juni 1942 met Hilde M.J. Möller. 

Bron Delpher.nl De Limburger Koerier 26-06-1942. Hilde is geboren op 13 janauri 1920 in Nijmegen  (Gelderland)  en is overleden op 11 oktober 2004. Zij werd 84 jaar. 

Bron: brigittegastelancestry.com. Hij ging met haar in ondertrouw in juli 1944 en trouwde uiteindelijk in augustus 1944. Bron Delpher.nl Nieuwe Tilburgsche Courant 01-08-1944 en bron: Delpher.nl De Nieuwe Tilburgsche Courant 22-08-1944. 

Functies: econoom in 1954, secretaris Vereniging Het Grondbezit, Gratie- en Devotieridder Malthezer Orde. Bron: Genealogieonline.nl. Maurice en Hilde zijn beiden begraven op de R.K. Begraafplaats aan de Christiaan Huijgenslaan te Soesterberg (Utrecht). Bron: Online-begraafplaatsen.nl

Kinderen:

A.   Jhr. Lodewijk Bosch van Drakestein. Geboren in 1946. Bron: Google, FB, familie informatie.

B.   Jhr. Maurits C.H. Bosch van Drakestein.

C.   Jkvr. Ghislaine Jeanne Adrienne Bosch van Drakestein - Stratenus. Geboren op 1 juli 1949 te Utrecht. Bron: Kloek-genealogie.nl

D.   Jkvr. Reneé M.L.Th. Bosch van Drakestein - Lith de Jeude. Bron: Regionaal Archief Rivierenland te Tiel, archief 0415, 686 en FB

E.   Jkvr. Cecile Bosch van Drakstein. Geboren op 4 januari 1951 en  overleden op 25 december 2011. Bron: Online-familieberichten.nl.





8.   Jkvr. Marguérite Maria Mathilde Octavia Ghislaine Bosch van Drakestein. Geboren op 6 mei 1915 in de  gemeente Houten, Huize Groenewoude en overleden op 2 oktober 2003 te Zwolle (Overijssel). Ze werd 88 jaar. Marguérite trouwde op 21 januari 1947 in Peking (China) met Baron Mr. Constant Wilhelm van Boetzelaer, Heer van Asperen. Geboren op 22 juni 1915, Batavia en overleden op 28 juli 1996. Hij werd 81 jaar. Functies: ambassaderaad, consul-generaal der Nederlanden te Frankfurt am Main, gevolmachtigd minister te Londen, chef directie Vo.

Kinderen:

A.   Coenraad Carel Vincent Baron van Boetzelaer. Geboren op 11 maart 1948 in Naking (China) en overleden op 11 maart 1950 in Den Haag (Zuid-Holland).

B.   Floris Baron van Boetzelaer van Asperen. Geboren op 4 januari 1951 in Washington (US).

C.   Pieter Alexander Baron van Boetzelaer. Geboren op 8 juli 1952 in Washington.

D.   Drs. Odilia Dorothée Barones van Boetzelaer. Geboren op 15 oktober 1953 in Washington.

Bronnen: onlinegenealogie.nl, brigittegastelancestry.com.

Marguérite en haar echtgenoot Constant met hun jongste zoon Coenraad liggen begraven op begraafplaats Den en Rust, Frans Halslaan in Bilthoven (Utrecht). Bron: Online-begraafplaatsen.nl.


Jhr. René Paul Ignace Ghislain Bosch van Drakestein




Jhr. René Paul Ignace Ghislain Bosch van Drakestein (zoon van Johannes). Hij werd geboren op 20 december 1904 in Houten.

René trouwde in april 1955 in Beesel met Mevr. Marie-Anna Jacqueline Brouwers. Zij kwam tussen 17 en 19 maart 1955 op het landgoed wonen. 

Mevr. Marie-Anna Jacqueline Brouwers - Bosch van Drakestein werd geboren op donderdag 16 oktober 1924 te Beesel, Limburg. Zij overleed op dinsdag 18 februari 2020, op 95 jarige leeftijd. Ze is begraven op de familiebegraafplaats Onze Lieve Vrouwekerkhof bij de Rooms Katholieke Carolus Borremeuskerk te Soesterberg op maandag 24 februari 2020.

Marie was ruim 45 jaar de douairière (weduwe van Jhr. René). Zij was de laatst nog levende nazaat, die met een van de acht Ghislaine kinderen van Johan Bosch van Drakestein getrouwd was geweest. De eerste Ghislaine overleed in 1967. Met alle aangetrouwde personen van de Ghislaines kwam er in het jaar 2020 een einde aan drie en vijftig jaar meerdere generaties, die betrokken zijn geweest bij de verkoop van het Landgoed Nieuw-Amelisweerd in 1964 aan de gemeente Utrecht.

Het echtpaar kreeg een zoon. Jhr. Jean-Marie Maurice François Ghislain Bosch van Drakestein is geboren op 17 maart 1956 in huize Nieuw-Amelisweerd te Bunnik.

Hun tweede zoon Jhr. René Ghislain Marie Paul Nicolas Bosch van Drakestein werd geboren eind maart 1957.

René was rentmeester van landgoed Nieuw-Amelisweerd en Oud-Amelisweerd, fruitteler en jager.
Hij is overleden op 3 april 1974 in Venlo. Hij werd 69 jaar oud. René is begraven op de R.K. Begraafplaats aan de Christiaan Huijgenslaan in Soesterberg (Utrecht). Bron: Online-begraafplaatsen.nl

René was na het overlijden van zijn vader Johannes tezamen met zijn broers en zussen de beheerder van het landgoed Nieuw-Amelisweerd. Als rentmeester over het landgoed beheerde hij het bos en runde het fruitbedrijf. Ook ging hij regelmatig op jacht.

Sinds de jaren veertig van de twintigste eeuw had René ook het beheer over landgoed Oud-Amelisweerd. Het beheer voerde hij uit voor de familie Bosch van Oud-Amelisweerd.  René deed dit, omdat hij al permanent op Nieuw-Amelisweerd woonde en de situatie en de omgeving goed kende.  De laatste in familielijn die landgoed Oud-Amelisweerd in eigendom had, was Jkvr. Maria Thérèse Bosch van Oud-Amelisweerd. Zij trouwde op 20 april 1922 met Felix Hubert Maria Michiels van Kessenich.

De familie woonde na de Tweede Wereldoorlog niet meer op Landgoed Oud-Amelisweerd.

Vanaf 1946 huurde de familie De Wijs woonruimte in huize Oud-Amelisweerd. Die situatie bleef ook zo na de verkoop in 1951 aan de gemeente Utrecht, zelfs tot 1989. In dat jaar overleed de weduwe mevr. Theodora de Wijs.
Het huis komt dan vier jaar in beheer van de Stichting Oud-Amelisweerd. Deze Stichting wist te voorkomen, dat bij de boedelverkoop van de meubels van de laatste bewoonster, niet het zeldzame Chinese behang per opbod verkocht werd.

Voor die tijd had de gemeente Utrecht al het landgoed Rhijnauwen weten te verwerven in 1919-1920.

Van 1772 tot 1933 woonde de familie Strick van Linschoten van Rhijnauwen op landgoed Rhijnauwen.




René woonde vanaf midden twintigste eeuw met zijn gezin en zijn zus Jkvr. Jeanne Monica Ghislaine Bosch van Drakestein en haar man Jhr. Reyndert Wittert van Hoogland op Nieuw-Amelisweerd.


 

 

 

 

Jkvr. Jeanne Monica Ghislaine Bosch van Drakestein


Jkvr. Jeanne Monica Ghislaine Bosch van Drakestein werd geboren op 1 september 1907 te Huize Groenewoude in de gemeente Houten. Zij overleed op 17 mei 1989 in Valkenswaard (Noord-Brabant) en werd 81 jaar.

Op 18 mei 1932 trouwde Jkvr. Jeanne Monica Ghislaine Bosch van Drakestein op 24 jarige leeftijd met Jhr. Reyndert Willem Carel Godard Adriaan Wittert van Hoogland. Hij is geboren op 1 januari 1906 in 's-Gravenhage (Zuid-Holland) en overleden op 19 november 2004 in Valkenswaard  (Noord Brabant). Hij werd 98 jaar.

Functies van Reyndert: Oud-chef Vliegdienst K.N.I.L.M. in Batavia, Oud-hoofdinspecteur K.L.M. en oud-commandant op de vliegbasis Twente (Luitenant Kolonel Vlieger). Bron: Genealogieonline.nl

Het echtpaar kreeg 5 kinderen:

A.   Jhr. Godard Frederik Reyndert Oscar Wittert van Hoogland, geboren op 24-03-1933 te Utrecht. Overleden op 9 juli 2009 te 's-Gravenhage, Zuid-Holland. Hij werd 76 jaar.
B.   Jhr. Lodewijk Everard Reyndert Godart Wittert van Hoogland, geboren op 26-11-1934 te Utrecht.
C.   Jkvr. Reyndert Monica Lucia Christina Wittert van Hoogland, geboren op 01-07-1936 te Utrecht. Overleden op 13 juni 1999. Zij werd 62 jaar.
D.   Jkvr. Reyndert Wilhelmina Renee Yvonne Maria Wittert van Hoogland,  geboren op 20-01-1938 te Utrecht.
E.   Jkvr. Ghislaine Genevieve Marie Wittert van Hoogland, geboren op 18-09-1941 in Batavia.

Bron: Historischcentrumleeuwarden.nl Parenteel van Cammingha, Pieter van (Heer van AMELAND/grietman Leeuwarderadeel en Tietjerksteradeel/olderman van Leeuwarden/als Pieter Kaminga op de lijst van edelen van Leeuwarderadeel op 05-01-1505) en Genealogieonline.nl

Jeanne Monica en haar echtgenoot Reyndert en hun oudste dochter Monica Lucia liggen begraven op de R.K. Begraafplaats aan de Christiaan Huijgenslaan te Soesterberg, Utrecht. Bron: Online-begraafplaatsen.nl.



Vanaf midden jaren zestig besloten de Ghislaines hun landgoed ook te verkopen aan de gemeente Utrecht. Waarschijnlijk zal één van de redenen zijn geweest dat de meeste van de kinderen van Ludovicus al ruim in de zestig waren in die tijd. René was tezamen met zijn broers en zussen tussen 1900 en 1910 geboren. De laatste reden was ook dat de gemeente Utrecht zat te azen op het laatste stuk grondgebied aan de oostkant van de stad.

Voor het jaar 1954 behoorde de Lanen van Nieuw-Amelisweerd toe tot het grondgebied van de gemeente Houten, Oud-Wulven/Maarschalkerweerd.

Vanaf 1 janauri 1954 werd om de stad een grote grond annexatie uitgevoerd. Zo werd het noordelijk deel van de gemeenten Jutphaas en Houten bij Utrecht gevoegd. En werd de gemeente Zuilen opgeheven en ook bij de stad gevoegd. Utrecht wilde voor die tijd al heel graag uitbreiden naar de oostkant. Maar werd hierdoor ook belemmerd door het ministerie van Oorlog.

De vier Lunetten op de Houtense Vlakte die liggen aan de Koningsweg en het Houtensepad hadden vanaf de negentiende eeuw tot midden twintigste eeuw te maken met de Verboden Kringen Wet. In deze wet stond dat erin van dat soort kringen rondom forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie niet, nauwelijks tot beperkt gebouwd mocht worden. Voor het geval de vijand uit het oosten kwam moest het landschap leeg gemaakt worden qua huizen en bosschage, zodat er een ruime vlakte was om de vijand te beschieten of te zien aankomen.

Gemeente Utrecht was al in de jaren dertig voor de Tweede Wereld Oorlog in gesprek met het ministerie van Oorlog om verdere uitbreiding aan de zuidoost kant van de stad te verwezenlijk. In de omgeving van de Gansstraat en Koningsweg in Utrecht Tolsteeg.



In de diverse dossiers die zijn opgebouwd over de aankoop van het landgoed staat te lezen dat Nieuw-Amelisweerd werd aangekocht door de gemeente Utrecht in het kader van de volkshuisvesting. Iets was in die jaren daarna niet echt is gebleken. Omdat er bijna geen huizen op het grondgebied van het landgoed werden gebouwd. Wel werd de rijksweg A27 erop aangelegd vanaf 1982. Iets wat zeer veel protest opleverde.

Tot op heden wordt door groenwerkers van de gemeente Utrecht die werken op de landgoederen. Maria Bosch van Oud-Amelisweerd. genoemd als de 'Freule'.


Verkoop Landgoed Nieuw-Amelisweerd in 1964

Landgoed Nieuw-Amelisweerd in 1964 vlak voor de gemeente Utrecht het landgoed voor 2,5 miljoen gulden van familie Bosch van Drakestein (Ghislaine) kocht met alle percelen en vastgoed. Rode vlakke waren de landerijen in het bezit van de gemeente Utrecht. Groen werd aangekocht van de familie.


 

 

 

Exploitatie- en jaarrekening van Landgoed Nieuw-Amelisweerd

In het voorjaar van 2019 heeft Stichting Houtense Hodoniemen via een veilingwebsite stukken uit het familiearchief van Bosch van Drakestein Ghislaine weten aan-te-kopen. Het betreft twee kaartjes van het landgoed tussen Utrecht aan de westkant (links) met in het midden het Houtense Maarschalkerweerd/Oud-Wulven en (rechts) in het oosten de gemeente Bunnik en Vechten/Rhijnauwen. Een kaartje is origineel zoals je hieronder ziet. Het tweede kaartje is van overtrekpapier en laat het eerste kaartje zien maar dan met potlood ingetekende lijnen.

Bij de aankoop zat een geschreven exploitatierekening met toelichting en een jaarrekening alle over het jaar 1953 met daarin de pachten van opbrengst en andere vaste lasten. Met aan het eind erin opgemaakt de Winst en Verliesrekening. De kaartjes en documenten werden geschreven en opgemaakt  door de rentmeester van Nieuw-Amelisweerd, Jhr. René Bosch van Drakestein.





De oranje U letters verwijzen naar het Sectie gedeelte van Kadastraal Utrecht. Het grondgebied wat in 1954 bij Utrecht ging horen voordat deze bij het grondgebied van Houten toe behoord had.

Stempel van familie Bosch op de acterkant van het kaartje. Diverse archiefstukken in de 20ste eeuw werden door de familie Bosch gestempeld met hun naam. Zowel van de Drakestein Nieuw-Amelisweerdse tak als de Bosch van Oud-Amelisweerd tak. In Het Utrechts Archief zijn nog stukken te vinden bestempeld door leden van de Oud-Amelisweerdse tak.




In de 'Medelingen van het Dagelijks Bestuur' van Nieuw-Amelisweerd wordt over het jaar 1953 het volgende geschreven:

Dat er sinds de zomer van 1952 vijf familie bijeenkomsten zijn geweest met notaris Graafland. Dat buitenstaanders onder U des te meer rede afvragen waarom zij van enige bericht gespeend zijn gebleven. Over de kwestie die momenteel in het brandpunt van de belangstelling staat het lot van Nieuw-Amelisweerd. Echter waren erop dat moment geen nieuwe ontwikkelingen te vertellen.







Konden ze op de vorige familievergadering nog mededelingen doen over de verhuur of eventuele verkoop met Veilig Verkeer (Heren Roëll en Wijngaarden van Rees (W. v. R.). Sinds die tijd waren we in gesprek met de notaris en W. v. R.. Van Rees gaf aan dat hij eerst een begroting moest maken voor de eventuele verbouwing en inrichten (met centrale verwarming) van het landhuis. 

De begroting moest opgemaakt worden voordat Van Rees budget kon aanvragen bij de Koninklijke in Engeland om daar een poging te wagen om het benodigde geld los te krijgen. Begin december zouden we hierover bericht krijg. Alleen hebben we dat tot op heden niet ontvangen.

Via de notaris en later via een advertentie in Elsevier werden andere bronnen aangeboord. Ook met deze reflectanten voerde we gesprekken. Tot een bod en dus tot een rede om u in te lichten is het nog steeds niet gekomen.

Van een serieuze reflectant een zekere Muntz uit Rotterdam verwachten we per 31 mei een bod. Zo staan nog steeds de zaken op Nieuw-Amelisweerd.




Nieuw-Amelisweerd 1. Pachten

In december jl. ontvingen de Grondkamers  richtlijnen waarin  de normen voor de hoogste toelaatbare pachtprijzen aanzienlijk werden verhoogd. Door Woutje werd per 1 Mei herziening van de pachtcontracten van Zomer en Van Wiggen aangevraagd en hoewel de officiele uitslag herziening  nog niet is ontvangen, kan er wel op worden gerekend, dat beiden samen ruim F. 2500,-  meer pacht zullen moeten gaan betalen.

2. Opbrengsten fruit

Deze was in totaal rond F. 2000,- lager dan in 1952. Volgens mededelingen van Wout, heeft de koelcelvoorraad in 1954 een zeer behoorlijke prijs opgebracht en belooft ook overigens 1954, vooral daar enige nieuwe stukken (land v. Zomer) nu gaan opbrengen, een goed jaar te worden.

3. Hout

Deze post is ruim F. 7000,- hoger dan in 1952 dat jaar was uitzonderlijk laag. Omdat er geen grienden gehakt waren. Ook 1954 zal weer een behoorlijke opbrengst geven, daar een aanzielijk aantal kaprijpe reuzen het veld moesten ruimen voor reeds ingepote jeugd (uit eigen kweek).

Zeeland 4. Pacht

Ook hier konden we de pachtcontracten aanzienlijk worden verhoogd. Stallaert kwam van F. 4500,- op F. 6000,- en de rest van F. 4550,- op F. 6250,-. In het voorjaar werd door Louk en Wout een inspectie langs het Zeeuws bezit gemaakt en in overleg met rentmeester Staal konden enige nodige voorzieningen (voortvloeiend uit de watersnood 1953) worden geregeld.

Algemeen 5. Opbrengst effecten

Dit betreft de opbrengst van vóór de verdeling; Inmiddels heeft Louk de familieportefeuille, die hij destijds met lede ogen zag plunderen, weer tijdelijk kunnen vullen met van de belasting terugontvangen gelden.



6. Taxatiekosten Nieuw-Amelisweerd en Zeeland

Dit betreft de taxatie door Staal en de commissie Grijns ten behoeve van de successie (conform het advies van de notaris op de laatste familie vergadering).

Belastingen

In de belastingzaken begint een klein beetje schot te komen. Per 1 april 1954 had Louk definitieve aanslagen (waarop overigens weer bezwaarschriften zijn ingediend) tot een bedrag van F. 14.000,-.

Toelichting op de Mededelingen volgens SHH:

Na het overlijden van Jhr. Johannes Bosch in 1929 woonde zijn weduwe Jkvr. Lucie Adèle Cornélie Marie Serraris tot 1951 met haar kinderen in het landhuis Nieuw-Amelisweerd. Uit de vetrek en inkomens staten van de gemeente Bunnik is op te maken dat diverse leden van de familie regelmatig vertrokken of weer inkwamen wonen in het landhuis. Lucie vetrok op 12 april 1951 uit het landhuis waarna ze naar Zeist verhuisden om aan de Ruysdaellaan 7 te Huis ter Heide te gaan wonen. In 1952 te Wassenaar kwam ze te overlijden.

In punt 5 van de Opbrengsten Effecten maakt de familie Bosch duidelijk dat na het overlijden van Lucie de verdeling van de diverse roerende goederen van het huis in 1952 in gang is gezet. De Belastingdienst was zoals het staat beschreven in punt 6 niet mals in de te innen successie na het overlijden van Lucie met daarbij de taxatiewaarde van Nieuw-Amelisweerd en de onroerende goederen in Zeeland.

Ook is duidelijk op te maken dat de broers en zussen na het overlijden van hun moeder waren begonnen het Landgoed Nieuw-Amelisweerd te verkopen. Na ruim 22 jaar van familiebeheer (1929-1951). Toch zou het nog tot 1964 duren voordat het landgoed aan de gemeente Utrecht zou worden verkocht. Wat erop neer kwam dat na ruim 35 jaar er een einde kwam van het familie bezit Bosch van Drakestein Ghislaine van Nieuw-Amelisweerd. In totaal had de familie Bosch het landgoed Nieuw-Amelisweerd ruim 153 jaar in bezit gehad (1811-1964).

Landgoed Oud-Amelisweerd werd in 1951 verkocht aan de gemeente Utrecht. Vermoedelijk dat Jkvr. Maria Thérèse Bosch van Oud-Amelisweerd al zag dat haar vroegere buurvrouw naar Zeist vertrok en haar kinderen het landgoed Nieuw-Amelisweerd te koop zetten in hetzelfde jaar. Maar waarom het nog ruim 13 jaar heeft geduurd voordat de gemeente Utrecht de portemonnee trok en ook Nieuw-Amelisweerd kocht voor 2,5 miljoen gulden. Dat moeten we nog uitzoeken?



Vastgoed op Landgoed Nieuw-Amelisweerd


Huisnummering van het landgoed in  Maarschalkerweerd/Houten/Oud-Wulven voor 1 januari 1954


Koetshuis aan de Koningslaan 1a, 3 en 5 te Bunnik 






 

Boswachterswoning aan het Jaagpad O96

Aan de Kromme Rijn in Maarschalkerweerd Utrecht aan het Jaagpad 96 staat de uit 1920 daterende boswachterswoning. Het type soort woning spreekt dus voor zich dat hier van die tijd de boswachter woonde op toezicht te houden op het bos van Nieuw-Amelisweerd. 

In 1921 woonde boswachter Jan van Steenbergen er. Op een later tijdstip boswachter Cornelis Kraag.

Op 1 januari 1954 kwam Maarschalkerweerd na de grondannexatie in de gemeente Utrecht te liggen. Maarschalkerweerd behoorde van 1 januari 1818 tot 1 januari 1858 bij de vroegere gemeente Oud-Wulven. Waarna Maarschalkerweerd van 1858 tot 1954 precies 96 jaar bij de gemeente Houten behoorden. Het Jaagpad wat bij langs de Kromme Rijn wel geteld 5 huizen die ook mee gingen naar de gemeente Utrecht. Een daarvan was dit huis. Geadresseerd aan het Jaagpad O96. Waar de O staat voor de vroegere wijkindeling van de vroegere gemeente Oud-Wulven. Zoals H dat voor de gemeente Houten stond. In de loop van de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Zijn de overige boerderijen aan het Jaagpad aan een andere weg komen te liggen of geadresseerd.

Dit huis in Maarschalkerweerd staat sinds 1954 anno 2020 al ruim 65 jaar geadresseerd aan het Jaagpad 96. De wijkletter O is er dan wel vanaf. De gemeente Utrecht heeft er nog nooit een ander huisnummer aan gegeven. Misschien wel een kleine monumentale huisnummer herinnering. Voor die gene die dan dan nog niet wisten. 

 Bij het overgaan van de boswachterswoning naar de gemeente Utrecht per 1 januari 1954, woonde Hendrik van Pouderoijen er met zijn echtgenote Martina van Brakel met hun drie zonen en dochter in het huis.

Bewoners tussen 1930 en 1954 in de boswachterswoning aan het Jaagpad O96:

1.   1930 - ... (Wed.) A. Miltenburg

2.   ... - ... T. Miltenburg

3.   ... - 1954 H.W. van Pouderoijen.


Een pad naast een rivier of wetering werd vooral in de zeventiende eeuw gebruikt om schuit te jagen. Door middel van een paard die was gespannen was aan een touw, verbonden aan de schuit. Zo kon men goederen of personen naar Utrecht of Wijk bij Duurstede vervoeren. Het personenvervoer was in die tijd alleen weggelegd voor de rijkere. Wegen waren in die tijd en vele eeuwen daarna in de winter zeer slecht begaanbaar. Bij regen of strenge winters kon men beter per schuit naar de stad gaan dan over de weg. Deze waren vrijwel altijd onbegaan vanwege de vele blubber en modder. Grootschalig wegonderhoud kende men nog niet zo. Alleen de zandpaden die destijds door de Staten van Utrecht werden beheerd. De zandpaden kennen we in onze tijd nog terug in de hedendaagse provinciale wegen in Utrecht.




 

Boerderij Maarschalkerweerd

(toenmalig) aan de Koningsweg 364 en 366 / O97


In 1904 liet Jkvr. Ewoudina Louisa Elisabeth van Rappard ten westen van het landhuis Nieuw-Amelisweerd in het Houtense Maarschalkerweerd/Oud-Wulven een nieuwe pachtboerderij bouwen. Boerderij Maarschalkerweerd heeft nooit als onroerend goed bij het landgoed behoord. Maar maakt op deze website wel onderdeel uit van het complete geschiedenisverhaal van wat wij willen vertellen over deze omgeving.

Toenmalige geadresseerd aan de wijk O (van Oud-Wulven O56, O60, O71 en O97). 

Na de bouw kwam Jacobus van Hal er met zijn echtgenote Antonia de Kruijf wonen. Hiervoor woonde Jacobus met zijn gezin twee zonen en dochters in het huis Oud-Wulven O52. Zijn oudste zoon Hendrik van Hal was koetsier. Zijn andere zoon Hendrik van Hal was dienstbode. Aannemend dat beide op het landgoed actief waren in deze functie. Jacob van Hal overleed op 3 september 1906.

Op 11 september 1899 kwam Anthonius Miltenburg met zijn echtgenote Petronella Diks vier zonen en acht dochters er wonen.

Op 1 januari 1914 is het huisnummer veranderd in Oud-Wulven O60 en woont Anthonius Miltenburg er nog steeds.

Op 1 januari 1921 is het huisnummer veranderd in Oud-Wulven O71 en woont Anthonius Miltenburg er nog steeds. Na het overlijden van Antonius op 3 november 1938 ging Petronella Diks in de boswachterswoning aan het Jaagpad O96 wonen.

Op 1 januari 1930 is het huisnummer veranderd in Oud-Wulven O97 en woont Willem de Haan met zijn echtgenote Johanna Geertruida de Korver, inwonende moeder en Willems drie zonen en twee dochter in de boerderij. Als op 1 januari 1954 het Maarschalkerweerd en de boerderij over gaan op het gemeentelijk grondgebied van Utrecht woont Willem met zijn echtgenote en twee andere familieleden op de boerderij.

Op 11 oktober 1911 verkocht Jkvr. Ewoudina van Rappard boerderijen De Grote Kuil en Maarschalkerweerd met landerijen in Maarschalkerweerd aan de gemeente Utrecht. Tot aan haar overlijden in 1915 zou zij het huurrecht op de boerderijen blijven behouden. Na haar overlijden verliepen de verpachtingen via de gemeente Utrecht.

Door de latere dreiging van de aanleg van rijksweg A27 die met zijn tracé op de plek zou komen te liggen van waar ooit de boerderij stond. Was de slopershamer eind jaren zeventig van de twintigste eeuw steeds dichterbij voor de boerderij.



De in de buurt gelegen boerderij Mereveld aan de Mereveldseweg 2 was al in 1982 gesloopt. Eerder was hooiberg van de boerderij verloren gegaan door brand. Huize Groenewoude was in 1976 door Rijkswaterstaat gekocht van de gemeente Utrecht en in 1978 gesloopt. Net als de vroegere portierswoningen van het landgoed aan de Koningsweg 372 en 374 die in dezelfde periode gesloopt werd.



Boerderij Maarschalkerweerd aan de Koningsweg 364 - 366 wist het nog tot de voorjaarsdagen van maart 1982 uit te houden voordat deze door slopershamer van Rijkswaterstaat ten prooi zou vallen.

Op woensdag 10 maart 1982 kreeg de toenmalige bewoner heer H.J.J. Uphof op huisnummer 366 de aanzegging van de gemeente Utrecht om de boerderij op termijn te verlaten omdat Rijkswaterstaat aanvang wilde maken voor de sloop van de boerderij. En het werkterrein voor de aanleg van de snelweg wilde uitbreiden en inrichten. Op donderdag 18 maart 1982 kreeg bewoner Uphof nog een brief waarin de directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening een onderschrijving gaf dat het perceel van de Staat der Nederlanden was geworden en vertrek uit boerderij Maarschalkerweerd voor de heer Uphof echt noodzakelijk was.

Iets meer dan vijf jaar later op woensdag 29 oktober 1986 werd het nieuwe tracé van de rijksweg A27 tussen knooppunt Lunetten en Rijnsweerd geopend. Waar ooit de prachtige gebouwen van het landgoed stonden. Is nu voor altijd het geraas van motorisch verkeer te horen.




 

Portierswoning, (toenmalige) Koningsweg 372 en 374






De portierswoning aan de Koningsweg 372 en 374 is in oktober 1978 gesloopt ten behoeve voor aanleg voor de toekomstige aanleg van rijksweg snelweg A27. Deze werd pas in 1986 in gebruik  genomen. Vermoedelijk is de woning in de zeventiende eeuw gebouwd. Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 staat de woning op de kaart van de gemeente Oud-Wulven al ingetekend. 



In 1921 woonde in de portierswoning aan de Koningsweg O74 (Kadastraal bekend als perceel 360, sectie D, gem. Houten) dhr. W.J. van Ettekoven. Op een later moment dhr. S Verweij. Bij het opmaken van de nieuwe adresregisters gemeente Houten in 1930 werd het adres van de portierswoning gewijzigd binnen de wijk Oud-Wulven aanduiding O van Koningsweg O74 naar Koningsweg O100.


Bij het overgaan van de woning naar de gemeente Utrecht op 1 januari 1954 wordt de woning bewoond door Marinus Kalk (25-09-1897) en zijn echtgenote Alida Schmidt (14-12-1895). Het adres in 1954 was toen Koningsweg O100. Na 1 januari 1954 is de portierswoning geadresseerd geraakt in de gemeente Utrecht aan de Koningsweg 372 en 374.

Bewoners van de portierswoning van

landgoed Nieuw-Amelisweerd:

1.   1930 - ... S. Verweij

2.   ... - ... H. Maatman

3.   ... - ... J.v.d Hoek

4.   ... - ... Wed. G.J v. d. Hoek

5.   1939 - ... Marinus Balk

6.   ... - 1954 Marinus Kalk












Boerderij De Grote Kuil, Blauwe-Vogelweg 23



Boerderij De Grote Kuil, stond geadresseerd tot 31 december 1953 aan het Jaagpad O94 (O is de wijkgemeente Oud-Wulven (Maarschalkerweerd) gemeente Houten).

Eind negentiende eeuw was het wijkadres van de boerderij respectievelijk nog O58 en later O69.

De Grote Kuil behoorde in vroegere tijden bij het Utrechts kapittel van Oudmunster. In het jaar 1755 werd de boerderij met 48 morgen land gelegen in het westen van Maarschalkerweerd verkocht door het kapittel aan Cornelis van Cleef.

In 1832 wordt Jan Willem van Cleeff vermeld als eigenaar van het goed. Op 11 oktober 1911 verkoopt Jkvr. Van Rappard-Roëll, zij is een nazaat van Van Cleeff en de toenmalige eigenaresse van de boerderij het goed met 48 morgen land aan de gemeente Utrecht.

Meer informatie over het gebied van Maarschalkerweerd waar de boerderij in gelegen is. Kijk op de familiepagina (link) Munnicks van Cleeff van de Grote en de Kleine Koppel van Maarschalkerweerd pagina.

Na 1 januari 1954 kwam de boerderij in de gemeente Utrecht te liggen aan de Kromme-Rijn. Na een jaren lange gemeentelijk annexatie procedure tussen 1948 en 1954. 

De naam De Grote en De Kleine Kuil gaat terug op de vroegere kleiwinning die aan de oevers en in de Kromme- Rijn werden gewonnen.

Van het delven van klei krijg je kuilen.

Gerardus Hendrikus Holl (1869-1937) woonde op de boerderij vanaf 1918 tot aan zijn overlijden in 1937. Gerard was de tuinman op het landgoed Nieuw-Amelisweerd. Zoon Bram Holl nam de boerderij over en bleef er wonen tot aan zijn overlijden in 2001. De boerderij was al die tijd nog in Utrechts gemeente eigendom gebleven.

Boerderij De Grote Kuil kwam aan de Blauwe-Vogelweg 23 te liggen na een besluit van de gemeente Utrecht op donderdag 5 juli 1962. Het oude adres Jaagpad O94 kwam hiermee te vervallen.

Anno 2020 is de boerderij particulier bezit, omzoomd met groen en niet vrij toegankelijk of te bezichtigen.



Bewoners van de boerderij in de zomer van 1953

Hoofdbewoner volgens het gemeente register 1930 - 1954

1.   Abraham H. Holl (geboren 10 januari 1910)

2.   Dirkje B. Snoek (geboren 31 maart 1909)

3.   Agatha M.S. Holl (geboren 7 mei 1950)

5.   Sophia A. M. Holl (geboren 24 september 1948)

6.   Hendrikus G. M. Holl (geboren 1 mei 1947)

7.   Godefrida A. M. Holl (geboren 7 april 1953)

8.   Wilhelmina Hendrika van Sterkenburg (geboren 13 maart 1933)

1.   1930 - 1937 G.H Holl

2.   1937 - ... H. Holl

3.   ... - 1954 N. van Oostrom

 


Boerderij De Grote Kuil (Blauwe-Vogelweg 23) volgens het Nationaal Monumenten Register

Een 18e eeuwse boerderij met bakhuis en hooiberg, gelegen aan de Kromme Rijn, van veel oudere oorsprong. 

De plattegrond van deze boerderij van het T-huis type is enigszins afwijkend, doordat het woonhuis aan een zijde smaller is dan het bedrijfsgedeelte.



Het "voorname" front van vier traveeën breed, waarin duidelijk de opkamer is te herkennen, is naar de Kromme Rijn gekeerd. Het woonhuis is vrijwel gaaf, de dakbedekking is echter vervangen door een muldenpan. Het casco bestaat uit een enkelvoudige grenen balklaag en een grenen gebintenkap. Onder de opkamer bevindt zich een door een tongewelf gedekte kelder met twee kelderlichten.

De kelder vertoont steenformaten die kunnen wijzen op een mogelijk middeleeuwse voorganger van de huidige boerderij. In de achtergevel bevinden zich restanten van ouder muurwerk. Het bedrijfsgedeelte is driebeukig met ankerbalkgebinten.





De koppeling van de stijlen op de poeren en met de ankerbalk wordt gevormd door een pen met toognagels. Over de toppen van de stijlen lopen de gebintplaten. Op de ankerbalk staat een normaal spant. Dedakbedekking is nog van riet. De achtergevel is vrijwel gaaf, met name de deuren met gehengen en kozijnen.

Op enige afstand van de boerderij staat het bakhuis, mogelijk ook 18e eeuws, met oorspronkelijke kap en kozijnen.

Deze boerderij met bakhuis en hooiberg is van belang als vrijwel gaaf 18e eeuws voorbeeld van agrarische bebouwing en bovendien van groot belang als onderdeel van het Kromme Rijn landschap.

Bron: Rijksmonumenten Register, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort.

Verhuur van De Grote Kuil

1.   Op zaterdag 21 november 1767 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Jan Klemme een huur en pacht akte afgesloten door Jan van Cleeff, van beroep van het commis militair der provincie Utrecht. Het goed betrof een zekere hofstede, huizinge c.a. en 48 morgen boomgaard, bouw- en weyland, gelegen in het gerecht van Maarschalkerweerd, hofstede genaamd de Grote Kuyl. Huurder van de hofstede en pachter is Weyntje van Zeyl, zij was weduwe van Frans Gerritse Vulto.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U236a004, 21-11-1767, aktn.: 63.

2.   Op zaterdag 8 april 1797 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris een huur en pacht akte afgesloten door Adriana Charlotte van Bronckhorst, weduwe van van Jan van Cleeff. In leven was het van beroep commis militair van de provincie Utrecht. De volgende twee objecten werden aan huurder en pachter Evert van den Brandhoff gegeven. Een zekere hofsteede, huizinge en 48 morgen boomgaard bouw- en weiland, gelegen in het gerecht van Maarschalkerweerd, genaamd hofstede de Groote Kuyl, Een zekere hofsteede of goed met 39 morgen boomgaard, bouw- en weiland en overblyfsel van huis. Gelegen in het gerecht van Bunnik en Vechten, over de Covelaarsbrug, genaamd hofstede Meerveld (boerderij Mereveld, Mereveldseweg 2).

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U236a019, 08-04-1797, aktn.: 16.

 3.   Op vrijdag 3 november 1809 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Jaco Christiaan de Graaf een huur verpachting afgesloten door Jan Willem van Cleeff uit Utrecht tezamen met zijn broers en zussen. Het ging hierbij om een zekere hofstede bestaande in een huizinge c.a. 48 morgen zo boomgaard, bouw- als weiland, gelegen naast de Kromme Rijn en hofstede genaamd De Grote Kuil. Huurder van de hofstede en en pachter van de landerijen is Evert van den Brandhof, die getrouwd is met aaltje Cornelisse Floor.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U286a016, 03-11-1809, aktn.: 22.


Boerderij De Kleine Kuil aan de Mytylweg 100


Boerderij De Kleine Kuil, gelegen aan de Mytylweg 100 werd in vroegere tijden aangeduid als hofstede de Kuijl of Den Cuyl. In vergelijking met zijn naast gelegen grotere broer boerderij De Grote Kuil kent de naam van de boerderij pas het voorvoegsel 'Kleine' Kuil in de loop van de negentiende eeuw. De Boerderij was vele eeuwen het eigendom van het Utrechtse kapittel van Oudmunster en het kapittel Ten DOM. De eigenaar van de boerderij betaalde erfpacht aan het kapittel. Pas in 1764 kwam de hofstede in het totale bezit van Nieuw-Amelisweerd bij heer Hendrik van Utenhove.



Landerijen van De Kleine Kuil aan de oostelijke kant van Maarschalkerweerd kwamen in het volledige bezit van de Heer van Amelisweerd, Reinier van Utenhove op woensdag 30 december 1722 nadat deze werd 'getransporteerd' na toestemming van het Leeuwenberg gasthuis van zondag 27 december 1722. Zij die reeds de landerijen van Nieuw-Amelisweerd aan de oostkant van de Kromme Rijn in bezit hadden in het gerecht van Rhijnauwen sinds het midden van de zestiende eeuw.

Anno 2020 is de boerderij particulier bezit, omzoomd met groen en niet vrij toegankelijk of te bezichtigen.


 



 







Landerijen in het oosten van Maarschalkerweerd van de Kuil waren tezamen 50 morgen groot en in pacht bij het kapittel van Oudmunster. Kapittel Ten DOM die mede eigenaar was van de landerijen had geen verdere belangen met pacht of andere belastingen of eigendomsvermogen in het land van Maarschalkerweerd.

Boerderij De Kleine Kuil, stond geadresseerd tot 31 december 1953 aan het Jaagpad O95 (O is de wijkgemeente Oud-Wulven (Maarschalkerweerd) gemeente Houten).

Eind negentiende eeuw was het wijkadres van de boerderij respectievelijk nog O59 en later O70.

Vanaf woensdag 27 februari 1974 kwam de boerderij aan de Mytylweg 100 te liggen het oude adres aan het Jaagpad O95 kwam hiermee te vervallen.

De boerderij was vanaf augustus 1811 in pacht bij familie Bosch van Drakestein tot aan de verkoop van het landgoed Nieuw-Amelisweerd op maandag 27 april 1964 aan de gemeente Utrecht. Na deze tijd werd de boerderij in pacht uitgegeven door de gemeente Utrecht.


Hoofdbewoner volgens het gemeente register 1930 - 1954

1.   1930 - ... T. Peek

2.   ... - ... W.H. Peek

3.   ... - 1954 C.J. van Wiggen



Boerderij De Kleine Kuil (Mytylweg 100) volgens het Nationaal Monumenten Register 

Een 16e eeuwse boerderij met schuur, gelegen aan de Kromme Rijn.

Deze boerderij van het 'T-huis' type is voor wat betreft het woonhuisgedeelte 16e eeuws, de kap is echter rond 1940 vernieuwd. De opkamer heeft een dekking van moer- en kinderbalken met sleutelstukken. De andere ruimten hebben een enkelvoudige balklaag met bijzonder slanke balken. Onder de opkamer is een kelder met tongewelf aanwezig.

Het bedrijsgedeelte is een driebeukige ruimte met eiken ankergebinten. De gebinten bestaan uit stijlen op stenen poeren, ankerbalken met pen en wig en schoren. Op de ankerbalken staan 'normale' spanten. 

Op het erf staan verder nog een 19e eeuwse, mogelijk oudere, wagenschuur en een hooiberg.
Deze boerderij is bouwhistorisch van belang en tevens van groot belang als, dicht bij de stad gelegen, onderdeel van het Kromme Rijn gebied.

 Bron: Rijksmonumenten Register, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort.



Verhuur van De Kleine Kuil

1.   Op zaterdag 27 februari 1796 wordt ten overstaan van de Utrechtse noatris Cornelis de Wijs een huur en pachtovereenkomst afgsloten. Tussen Maria Jacoba gravinnen van Efferen, zij is de weduwe van Marqius de St. Simon, Heer van Amelisweerd. Een zekere hofstede, bestaande in een huizinge c.a. met annex boomgaard en landen, groot 26 morgen en 231 roeden, hofstede genaamd de Kuyl (De Kleine Kuil), hierbij wordt als verpachting 3 morgen bouwland in het gerecht van Maarschrchalkerweerd. Een morgen land aan de noordwestzijde van het Pauwenhuisjes (Pannehuys aan de Koningsweg). Acht morgen bouwland, gelegen tusschen het Bosch van Amelisweerd en de Knapschinkel in het gerecht van Bunnick en Vechten. Vier morgen weiland, 2 morgen weiland in het gerecht van De Bilt, genaamd Bergweidjen. In het bijzonder worden de vier morgen onder De Bilt zyn gelegen by de hofstede Vreeswyk de 3 morgen onder Maarschalkerweerd is erfpachtgoed van het kapittel van Oudmunster (renversaal akte (een voorlopig ontvangst bewijs). Huurder van De Kleine Kuil en de landerijen was Anthony de Wit die gehuwd was met Cornelia van Royen.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U256c033, 27-02-1796, aktn.: 25.

2.   Op zaterdag 23 mei 1801 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Cornelis de Wijs een huur en pachtovereenkomst afgelsoten door Johanna Hermina Ivoy, zij is de weduwe van Maurits Carel van Utenhove Bottestein, Heer van Amelisweerd. Een zekere hofsteede, bestaande in een huizinge c.a. met boomgaard en landen, groot 26 morgen en 231 roeden en 3 morgen, vanouds genaamd de Kuyl (De Kleine Kuil). Nog hierbij worden de volgende landerijen in verpachting genomen. Een morgen aan de noordwestzijde het Pannenhuisjen (Pannenhuys aan de Koningsweg), in het gerecht van Maarschalkerweerd. Hierbij nog 8 morgen naast het Bosch van Amelisweerd en ten zuidwestzijde van hofstede De Knapschinkel in het gerecht van Bunnik en Vechten. Vier morgen weiland en 2 morgen, genaamd de Steenkampjen. Twee morgen in De Bilt bij hofstede Vreeswijk, genaamd Bergweidjen. In het bijzonder een renversaal akte nog 3 morgen bouwland in 34,1 is erfpachtgoed van kapittel van Oudmunster. Huur van de De Kleine Kuil en het land is Cornelia van Royen, de weduwe van Anthony de Wit.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U256c039, 23-05-1801, aktn.: 25.


 Boerderij De Boeije aan de Vossegatsedijk 2 te Bunnik 


Deze aan de Kromme Rijn gelegen krukhuisboerderij met witgepleisterd achterhuis en rieten kap dateert in oorsprong uit de 16de eeuw. Gelet op de vlechtingen in het metselwerk van de voorgevel was het oorspronkelijk een langhuisboerderij, die tot een krukhuis is uitgebreid. Deze uitbreiding zal in ieder geval voor 1674 hebben plaatsgevonden. Op een kaart van de landmeter Gabriel Reets uit dat jaar, staat de boerderij als krukhuis afgebeeld. In de kruk bevindt zich de opkamer waaronder een grote kelder met stenen tongewelf. 



Een type keldergewelf dat met name in de 15de eeuw en 16de eeuw toegepast werd. In 1672 is de boerderij evenals vele andere gebouwen ín de omgeving ten prooi gevallen aan de plunderende Franse troepen. Kort daarna is de boerderij weer opgebouwd. Het achterhuis van de boerderij is in 1866 vernieuwd. Een sluitsteen boven de achterbaander (inrijdeur) herinnert aan deze verbouwing. In de boerderij hebben verschillende kleine veranderingen plaatsgevonden. De kaaskamer rechts in het woonhuis is tot slaapkamer gemaakt. Hiertoe is een nieuwe raampartij in de rechterzijgevel geplaatst.



In de voorgevel is het raam van de kaaskamer en het zolderraam vernieuwd. Het oorspronkelijke pomphuis is tot keuken gemaakt. De grote raampartij in de keuken dateert van 1974. In het achterhuis is een doucheruimte gebouwd. De stalvensters zijn ook vernieuwd. Bij de boerderij staan een bakhuis en koetshuisje beide van voor 1832. Het witgepleisterde bakhuis met rood pannen zadeldak is tussen 1830 en 1860 vergroot met een kaaskamer en wagenberging.




Hierdoor kwam het tegen de achtergelegen varkensschuur te staan. De varkensschuur is later verbreed. Het koetshuisje met rieten schilddak en aan de voorzijde een dubbele houten deur doet thans dienst als jongveestal en opslagruimte. In de middeleeuwen was het gebied bekend onder de naam ‘Het Staartje van de Boeije’ een minigerecht van zeven morgen land, dat in 1526 reeds een samenwerkingsverband had met andere minigerechten . Wanneer de eerste boerderij hier stond is niet bekend. In 1536 is er in ieder geval sprake van een boerderij bewoond door Cornelis Goes. Hij heeft de boerderij met in totaal vier hoeven (ruim 50 ha) land gehuurd. In 1562 wordt het goed door Agnes van Leeuwenberg geschonken aan de naar haar genoemde instelling. het Leeuwenberg Gasthuis te Utrecht, dat het tot 1722 in bezit zou houden. 



In 1808 wordt de boerderij eigendom van koning Lodewijk Napoleon.Wanneer hij voor een bedrag van f 190.000,- zowel Oud- als Nieuw-Amelisweerd met bijbehorende landerijen en boerderijen koopt. In 1811 wordt Paulus Willem Bosch van Drakenstein de nieuwe eigenaar van de beide landgoederen. De familie zou tot 1964 “De Boeije’ in bezit houden. Toen werd ook het landgoed Nieuw-Amelisweerd en bijbehorende boerderijen verkocht aan de gemeente Utrecht, die sinds 1951 ook Oud-Amelisweerd in eigendom had.





De familie Van Hoven is van 1865 tot 1917 pachter geweest van de boerderij. Na ontslag van al het oude personeel werd Wilhelmus Andreas Zomer in 1918 de nieuwe pachter. Zijn kleinzoon is thans eigenaar van de boerderij. Boerderij ‘t Burgje’ in Odijk en ‘De Boeije’ zijn de enige en ook gave voorbeelden van het type krukhuisboerderij binnen de gemeente Bunnik.

Bron: Bunnik Geschiedenis en Architect, Saskia van Ginkel-Meester, 1989, Kerckebosch Uitgeverij.

De naam van de boerderij 'De Boeije' verwijst mogelijk naar de scheepvaart die uit het oosten de Kromme-Rijn richting Utrecht bewaarde. De schipper die vroegere tijden de boerderij als een boei of bolder in het landschap zag als teken van de aankomende bocht in de rivier. Of als de tijd dat Utrecht binnen een aanzienlijke tijd te bereiken was. Een andere mogelijk verwijzing zou kunnen zijn naar een boye het Middelnederlands voor knaap of jonge.

In diverse achttiende eeuwse notariële akten wordt het gebied van boerderij De Boeije beschreven als het Staartje van de Boeyen, met als verbastering het Heertje van de Boeye.

Verhuur van De Boeije

1.    Op zaterdag 20 november 1784 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Cornelis de Wijk een huur en pacht akte opgesteld voor Maximiliaan Hendrik de Saint Simon, Heer van Amelisweerd, gehuwd met Maria Jacoba Cornelia gravinnen van Efferen, eerder weduwe van Hendrik van Utenhove. Als goed werd een zekere hofstede, bestaande in een huisinge c.a. met boomgaard, 3 morgen bouland en nog 15 morgen bouland van een perceel van 25 morgen groot verhuurd en verpacht, hofstede genaamd de Boeye. Alle gelegen  in het gerecht van Amelisweerd. Verder werd er nog 2 morgen weyland, gelegen in De Bilt, achter Drakenburg of Vreeswijk, genaamd het Steenkampje verpacht. Twee morgen weyland, gelegen in De Bilt, by de laan van Oostbroek en 11 morgen weyland in de De Bilt. Huurder en pachter was veehouder Jan Peek. Hij woonde in die tijd al op De Boeye. In bijzonderheid waren de 11 morgen weiland in De Bilt gelegen op de Oud Kolenberg (renversaal akte).

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U256c021, 20-11-1784, aktn.: 99.

2.   Op zaterdag 2 januari 1796 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Cornelius de Wijs een huur en pacht akte opgemaakt voor Maria Jacoba Cornelia gravinne van Efferen, weduwe van Marquis de St. Simon. Een zekere hofstede, bestaande in een huisinge c.a. met boomgaard, groot ruim 2 morgen, hofstede genaamd de Boeye. Hierbij werden ook nog de volgende gronden in pacht gegeven. Vier en een halve morgen weiland, genaamd de Boeyewey, ruim 3 morgen weiland, gelegen tussen de ridderhofstad Amelisweerd en de Boeye, genaamd, de Rhynwey (deel van), 3 morgen bouwland, gelegen voor de boomgaard tegenover de Boeyewey. Hierbij 25 morgen bouwland, gelegen tussen de ridderhofstad Amelisweerd en de Boeye en als laatste 4 morgen bouwland in het gerecht van Amelisweerd, genaamd de Beurs. Huurders zijn toekomstige echtelieden (renversaal akte). Pachter en huurder waren Jan van Royen en zijn toekomstig echtgenote Catharina van Schalkwijk.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U256c033, 02-01-1796, aktn.: 3.


Straatnamen De Boeijelaan, Vossegatsedijk en Weg naar Rhijnauwen

De Boeijelaan

In 1982 - 1985 werd tussen de Toulouselaan - Sorbonnelaan en de Weg naar Rhijnauwen een nieuwe verkeersroute gemaakt. Toegestaan voor fietser maar verboden voor gemotoriseerd verkeer. In 1987 zou het perceel van de weg worden opgenomen in de kadaster hulpkaarten en veldwerkkaarten.

De straatnaam De Boeijelaan werd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht vastgesteld op vrijdag 30 augustus 1985.



Vossegatsedijk

 

De naam is afgeleid van het fort Vossegat, aangelegd in 1818. Het Vossegat was het 
oostelijke stukje van de Minstroom, waar die uitmondde in de Kromme Rijn. Daar was ook
de boerderij Vossegat gelegen, tegenover Maarschalkerweerd en dus buiten de gemeente
Bunnik. De Vossegatsedijk, die daar begint, zet zich voort op Bunniks grondgebied
noordelijk van Amelisweerd en Rhijnauwen. Het was de zuidelijke begrenzing van de
Oostbroekse ontginningseenheid De Klei, in cultuur gebracht in de twaalfde eeuw. Een
oude naam van de weg is niet bekend.

 

Vastgesteld op 17 maart 2009 door het college van de gemeente Bunnik.

Overgenomen uit het: Straatnamenboek Gemeente Bunnik.

Op dinsdag 23 april 1912 werd bij besluit van gemeente De Bilt een deel van de Vossegatsedijk in zijn naam veranderd. De nieuwe naam werd Weg naar Rhijnauwen. Bij de invoering van het kadaster op 1 oktober 1832 was de weg nog in eigendom van Jhr. Jan Carel Wendel Strick van Linschoten van Rhijnauwen.


Boerderij De Knapschinkel aan de Koningslaan 7 te Bunnik


De gedeeltelijk witgepleisterde dwarshuisboerderij met een rieten kap, is ca 1678 herbouwd op de plaats van de oude boerderij die in 1672 door de Fransen was verwoest. In de 19de eeuw hebben een aantal verbouwingen plaats gevonden.
Aan de noordzijde werd tegen het woonhuis een bakhuis gebouwd. Het achterhuis werd in 1856 vernieuwd. Boven de achterbaander is een sluitsteen met het jaartal aangebracht. De bakstenen veestal met een pannen zadeldak dateert uit 1885. Het woonhuisgedeelte van de boerderij wordt sinds 1963, na de voltooiing van het naastgelegen nieuwe woonhuis, niet meer gebruikt. Het achterhuis doet dienst als stalling voor rijpaarden. 


 

De boerderij is markant gelegen op een lichte verhoging vlak aan de Kromme Rijn en temidden van weilanden waarin enkele solitair bomen en een hoogstamboomgaard. Via een oprit vanaf de Koningslaan, is de boerderij te bereiken. Bijzonderheid bij deze boerderij zijn de twee opkamers,
links en rechts in het woonhuis. Beide opkamervensters zijn hoger in de gevel geplaatst. Links zien we een laat 17de, vroeg 18de eeuws roedenschuifvenster en rechts een 19de eeuwse 6 ruitsschuifvenster. 

 

Het gebied waar de boerderij gelegen is was oorspronkelijk in bezit van de S. Laurens abdij. Het goed komt van de 14de tot de 16de eeuw voor onder de naam ‘Slagmaat’. Na de secularisatie van de abdij is het ingelijfd bij het gerecht van Vechten.



In 1680 vindt de overdracht plaats van de goederen door de rentmeester van de voormalige abdij aan Hendrik van Utenhove, heer van Amelisweerd. De bijbehorende boerderij komt in het schepenregister van Bunnik en Vechten van 1691 voor onder de naam ‘Cnapschinckel". De
naam die nog altijd aan de boerderij verbonden is. In andere diverse huurakte komt de naam van de boerderij voor als 'den Uithoff of Uythoff' of 'den Knapschinkel'.

In 1884 werd de boerderij door kleinzoon Jhr. Carolus (Karel) Petrus Johannes Bosch van Drakestein van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein verkocht aan Adriana van Wijk. Paul had vanaf augustus 1811 Amelisweerd in eigendom weten te verwerven. Karel Bosch van Drakestein was de zoon van Johannes Gerardus Bosch van Drakestein, Heer van Bruxvoort te Bennekom.

Adriana van Wijk landbouwster van beroep huwde in 1885 met Gerit van de Vecht. Sinds 2010 is het goed aangemerkt als landgoed De Knapschinkel en is tot op heden in het bezit van familie Van de Vecht gebleven. Tegenwoordig wordt het hoofdhuis verhuurd voor groepslogies.

Bronnen: Bunnik Geschiedenis en Architect, Saskia van Ginkel-Meester, 1989, Kerckebosch Uitgeverij, Myranda van den Hoogen, Landloper, oktober 2014.

De naam van De Knapschinkel kan het Oudnederlands zijn voor een 'kwajonge', iemand die kattenkwaad uithaalt. Een andere betekenis kan zijn een stuk vlees van het bovenbeen van een runderdier. Het Oudnederlandse woord hiervoor is schinkel of schenkel. Het voorvoegsel knap gaat mogelijk terug op het Oudnederlands woord voor tand of bijten. Wat de totale betekenis van de boerderijnaam zou maken 'een stuk vlees waar je van kan eten of je tanden in kan zetten'.

Verhuur van De Knapschinkel

1.   Op donderdag 17 april 1788 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Cornelis de Wijs een huur en pacht akte opgesteld door Maximiliaan Hendrik de St. Simon marquis de Sandricourt, Heer van Amelisweerd. Hierin werd een zekere hofstede bestaande in huyzinge c.a. met 60 morgen zo boomgaard, bouw als weilanden, in de gerechten van Bunnik en Vechten en slagmaat verhuurd aan Cornelis de Wit, die gehuwd was met Maria va Es. Het betrof landerijen en hofstede , genaamd Den Uithoff of Den Knapschinkel, hierbij nog 2 keer 8 morgen bouwland in Bunnik en Vechten die in pacht werd gebracht bij De Wit.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U256c025, 19-04-1788, aktn.: 40.

2.   Op zaterdag 13 september 1794 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Cornelis de Wijs een huur en pacht akte opgesteld door Maximiliaan Hendrik de St. Simon marquis de Sandricourt, Heer van Amelisweerd. Gehuwd met Maria Jacoba Cornelia gravinne van Efferen. Hierbij werd een zekere hofstede bestaande in huyzinge c.a. met 60 morgen boomgaard, bouw- en weilanden, in de gerechten van Bunnik en Vechten en Slagmaat verhuurd aan Cornelis de Wit, die gehuwd was met Maria va Es. Het betrof landerijen en hofstede, genaamd Uithoff of Knapschinkel, hierbij nog 2 keer 8 morgen bouwland in Bunnik en Vechten die in pacht werd gebracht bij De Wit.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U256c031, 13-09-1794, aktn.: 154. 

3.   Op zaterdag 9 augustus 1800 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Cornelis de Wijs een huur en pacht akte opgesteld door Gerlach Theodorus Frederik van Utenhove, Heer van Amelisweerd. Hierbij werd een zekere hofstede, huyzinge c.a. met 60 morgen boomgaard, bouw- en weilanden, in de gerechten van Bunnik en Vechten en Slagmaat verhuurd aan Cornelis de Wit, die gehuwd was met Maria va Es. Het betrof landerijen en hofstede , genaamd Den Uithoff of ook wel Den Knapschinkel, hierbij werd nog 10 morgen bouwland en weyland, gelegen westwaarts in pacht gebracht bij De Wit.

 

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U256c038, 09-08-1800, aktn.: 104.


Boerderij De Bonte Kraay aan de Koningsweg (1541 - 1819)







In het jaar 1330 verkocht de Utrechtse bisschop Jan van Diest van het Utrechtse DOM kapittel het goed Maarschalkerweerd van meer dan 100 morgen land aan het kapittel van St. Salvator wat later het Oudmunster kapittel zou gaan heette. Oudmunster voerde op diverse percelen land pacht, erfpacht of erfpachtcanon uit. Tot in de achttiende eeuw zouden de meeste landerijen van Oudmunster op deze manier in hun bezit blijven. Hoofbezitter bleef Oudmunster maar een tweede bezitter bleef ook het kapittel Ten Dom. Zij voerde op vrijwel geen perceel erfpachtrecht uit.

Na de Reformatie, het verbod om het katholieke geloof openbaar te belijden en de Beeldenstorm. Worden alle onroerende goederen en vastgoed van de Utrechtse kapittels ondergebracht bij de Staten van Utrecht. Ruim 230 jaar (tot februari 1811) zouden kanunniken de goederen van de vroegere kapittelordenen in beheer houden. Zo ook die van het kapittel Ten DOM en het Oudmunster kapittel en hun goederen in Maarschalkerweerd.



Een eerste vermelding (voor zover bekend) van hofstede De Bonte Kraay dateert uit een pachtoorkonde uit het jaar 1541 op de datum van 17 januari voor Peter Klaasz. voor een hoeve (perceel grootte) lands, strekkende westwaarts op tot de heerweg (Koningsweg) en een hoeve, dair die huisinghe geheten de Bontecray op staende is, langs de andere kant van de de heerweg strekkende westwaarts op langs de Veensche weteringhe (Oud Wulverbroekwetering) en zuidwaarts tot aan de Grote Koppel.

Al in de veertiende eeuw was Maarsckalkerweerd een ambachtsheerlijkheid van het kapittel, later werd daar de Grote en de Kleine Koppel aan toegevoegd. In de achttiende eeuw kwam de ambachtsheerlijkheid toe aan familie Van Cleeff, Munnicks van Cleeff en Rappard en Bosch van Drakestein (Heeckeren tak).

Meer hierover te lezen op de Munnicks van Cleeff pagina

In een verzoekschrift en minuut-verzoekschrift uit het jaar 1596 wordt door de geburen (inwoners) van de Vrije huizen bij de Kovelaarsbrug onder Bunnik en Vechten (Maarschalkerweerd) aan de Staten van Utrecht gevraagd om in de ongelden (belastingen) als voorheen een vierde van die van Bunnik en Vechten, en niet een derde, te behoeven te betalen. Daarbij wijzende op het slopen van de hofstede de Bonte Kraay, een van de zeven vrije huize. Zie kaart in de fotoviewer van Speelhuys Lagenhof onderaan dit artikel.



In het jaar 1726 is de Evert van den Poll fundatie pachter van de diverse gronden op de grond van de Bonte Kraay. De fundatie geeft kleine perceeltjes in onderpacht uit aan tuinders en landbouwers op de Bonte Kraay. Evert van de Poll, was advocaat voor de der Staten van Utrecht en bestemde in 1602 bij testament zijn vermogen tot instelling van een werkhuis. Het doel van het werkhuis was om 'ledichgangers' en bedelaars van de straat te houden.



Het huis werd in 1604 ingericht in het voormalige Karmelietenklooster aan de noordzijde van het St. Nicolaaskerkhof en in 1615 overgebracht naar een gedeelte van het St. Nicolaasklooster aan de westzijde van hetzelfde kerkhof.

In het jaar 1754 dragen de Utrechtse Momberkamer (weeskamer die in vroegere tijden bescherming bood aan onmondige kinderen, jonger dan 18 jaar) en fundatie Evert van den Poll het land en de hofstede over aan Jacob en zijn zuster Cornelia Vervoorn. Die zij vervolgens  op diverse perceeltjes land op de Bonte Kraay in pacht uitgeven voor landbouwers en gewastelers.

In 1786 verkopen de erfgenamen van Cornelia Vervoorn haar boedel en de Bonte Kraay St. Simon Coert van Efferen (1720-1799), Heer van Nieuw-Amelisweerd. Hij was gehuwd in 1771 met Maria Jacoba Cornelia gravin van Efferen. Zij had een eerdere huwelijk van ruim 20 jaar met Hendrik van Utenhove (1715-1767) tussen april en oktober 1767 stierf hij aan de pleuris. Zo volgde er een periode van 13 jaar waarin De Bonte Kraay onderdeel uitmaakte van het Landgoed Nieuw-Amelisweerd. Na het overlijden van St. Simon Coert van Efferen in 1799 verkopen zijn erfgename en zijn weduwe de hofstede en land.



Op zaterdag 12 januari 1799 verkopen de erfgename het land en hofstede de Bonte Kraay aan Maximiliaan Frederik Armauer. Hij was tuinman op landgoed Oostbroek in De Bilt. Een landgoed gelegen ten noordoosten van de hofstede. Maximiliaan overleed op 15 september 1818 te Zeist op 76 jarige leeftijd. Voor zijn overlijden was hij tuinman op Slot Zeist. 

 

Naar de hand van Armauer is een prachtige kaart van landgoed Oosbroek bewaard gebleven uit 1778.




 



Zoals in de Nederlandse Staatscourant van 28 december 1818 staat te lezen dat een vredesrechter van het tweede kantongerecht in contact wilde komen met erfgename. Had alles te maken met dat vrijwel zeker de Nederlandse Staat en het Ministerie van Oorlog de grond van Armauer wilde hebben om de vier Lunetten op de Houtense Vlakte te bouwen. Met op dit stuk grond van de Bonte Kraay fort Lunet I te realiseren tussen 1819 en 1821.

Voor zover bekend had Armauer geen kinderen of familie in Nederland wonen. Dus zal aan het begin van het jaar 1819 zijn onroerend goed zijn overgedragen of verkocht aan het Ministerie van Oorlog. Na ruim 280 jaar kwam er een einde voor zover bekende de bronnen het vermelden aan hofstede De Bonte Kraay. Kort na de overdracht van de hofstede zal deze aan de slopershamer ten prooi zijn gevallen.

Na de bouw van fort Lunet I kwam de overige grond gelegen ten oosten van de lunet terug bij het Hervormd Burgerweeshuis. Het weeshuis was in eerdere tijden gelieerd aan de Van der Poll fundatie. In 1832 staat het weeshuis ingeschreven in het kadaster op dit perceel.





Van hofstede De Bonte Kraay en de (Oude) Kovelaarsbrug zijn tot op heden geen afbeelding bewaard gebleven of bekend.

Bronnen: C. Dekker, Het Kromme-Rijngebied in de Middeleeuwen, 1983, Matrijs, HUA: 216, 1733-12 - 216, 3938.





 Speelhuys Lagenhof of Zilvervliet (1748-1840)

bij de Kovelaarsbrug langs de Koningsweg


In het jaar 1330 verkocht de Utrechtse bisschop Jan van Diest van het Utrechtse DOM kapittel het goed Maarschalkerweerd van meer dan 100 morgen land aan het kapittel van St. Salvator wat later het Oudmunster kapittel zou gaan heette. Oudmunster voerde op diverse percelen land pacht, erfpacht of erfpachtcanon uit. Tot in de achttiende eeuw zouden de meeste landerijen van Oudmunster op deze manier in hun bezit blijven. Hoofbezitter bleef Oudmunster maar een tweede bezitter bleef ook het kapittel Ten Dom. Zij voerde op vrijwel geen perceel erfpachtrecht uit.

Na de Reformatie, het verbod om het katholieke geloof openbaar te belijden en de Beeldenstorm. Worden alle onroerende goederen en vastgoed van de Utrechtse kapittels ondergebracht bij de Staten van Utrecht. Ruim 230 jaar (tot februari 1811) zouden kanunniken de goederen van de vroegere kapittelordenen in beheer houden. Zo ook die van het kapittel Ten DOM en het Oudmunster kapittel en hun goederen in Maarschalkerweerd.

Een van de vroegst bekende vermelding van de Kovelaarsbrug dateert van 4 juni 1377 uit een document waarin wordt geschreven over Covelwadebrugghe ter Coppel waerts. De Kovelaarsbrug lag in de Koningsweg, een weg die vermoedelijk al uit de achtste eeuw dateert. Voor het jaar 1122 voor de grote ontginningen in het Kromme-Rijngebied werden aan de zuidelijke kant van de Kromme Rijn kaden opgeworpen waarover in de achtste eeuw over werd gereisd werd richting de zuidoostelijke dorpen.

Het ontstaan van de Kovelaarsbrug kwam mede doordat een deel van de oude Rijnbedding naar een gelang van tijd niet wilde verlanden of verzanden. Vanaf de vijftiende eeuw werd dit vroegere stuk van de Rijnbedding de Cattestaert genoemd wat te vinden  is in de oude kapittel archieven. De vroegere knik in de Koningsweg maakte naar de vorm in zijn tracé dat een perceel aan de noordelijke kant van de weg de Cattestaert werd genoemd. Een naam die al vanaf 1405 bekend is in de archieven.

De Koningsweg die we net beschreven vermoedelijk al uit de achtste eeuw dateert wordt in het jaar 1260 genoemd als Thollersteghe genoemd naar zijn toeloop naar de Tolsteegpoort aan de zuidkant van de stadsomwalling van Utrecht. De vroegere stadsbuitenheerlijkheid, gemeente en huidige wijk herinneren nog aan deze tijd van tolheffing aan de stadspoort. In de negentiende eeuw werd Tolsteeg ook omgeschreven als Klein Kovelswade. Een naam die nog terug te vinden is in de 2e Algemene Begraafplaats Kovelwade gelegen aan de Koningsweg. Groot Kovelwade heeft ook bestaan en heeft een korte tijd gediend voor het gebied van Abstede. Maar deze naam raakte meer in gebruik bij de bevolking en is daardoor de naam Abstede bekender geworden.

Klein Kovelswade en de Kovelaarsbrug komen aan hun naam naar de monniken die vanuit hun klooster in Oudwijk naar hun landerijen in Tolsteeg moesten lopen. In hun kovels (monniken kleding) moesten ze zich door drassig gebied waden.

Hoofdbezitter van de gronden en ambachtsheerlijkheid van Maarschalkerweerd van het Utrechtse kapittel van Oudmunster. Tweede bezitter van het geheel het kapittel Ten DOM. In vergelijking met zijn mede bezitter van het goed had het DOM kapittel geen verdere pacht, erfpacht of erfpachtcanons te voeren in het gebied. Diverse kapittels hadden in de loop der eeuwen veel belangen erbij om hun gronden in de omgeving van de Kovelaarsbrug en hofstede De Bonte Kraay te karteren. Wat heeft geresulteerd in een rijke verzamelingen aan kaarten van brug en hofstede met grond. Zoals te zien is in de viewer bovenaan dit artikel.

Na de Reformatie, het verbod om het katholieke geloof openbaar te belijden en de Beeldenstorm. Worden alle onroerende goederen en vastgoed van de Utrechtse kapittels ondergebracht bij de Staten van Utrecht. Ruim 230 jaar (tot februari 1811) zouden kanunniken de goederen van de vroegere kapittelordenen in beheer houden. Zo ook die van het kapittel Ten DOM en het Oudmunster kapittel en hun goederen in Maarschalkerweerd.

In een verzoekschrift en minuut-verzoekschrift uit het jaar 1596 wordt door de geburen (inwoners) van de Vrije huizen bij de Kovelaarsbrug onder Bunnik en Vechten (Maarschalkerweerd) aan de Staten van Utrecht gevraagd om in de ongelden (belastingen) als voorheen een vierde van die van Bunnik en Vechten, en niet een derde, te behoeven te betalen. Daarbij wijzende op het slopen van de hofstede de Bonte Kraay, een van de zeven vrije huize. Zie kaart in de fotoviewer van Speelhuys Lagenhof onderaan dit artikel.

In het jaar 1726 is de Evert van den Poll fundatie pachter van de diverse gronden op de grond van de Bonte Kraay. De fundatie geeft kleine perceeltjes in onderpacht uit aan tuinders en landbouwers op de Bonte Kraay. Evert van de Poll, was advocaat voor de der Staten van Utrecht en bestemde in 1602 bij testament zijn vermogen tot instelling van een werkhuis. Het doel van het werkhuis was om 'ledichgangers' en bedelaars van de straat te houden.

In 1748 koopt fabrikant Jan Hendrik van der Sloth een perceel van Van der Poll fundatie om er zijn speelhuys te bouwen. Rond 1800 duiken de namen ervoor op genaamd 'Lagenhof' of 'Zilvervliet'. Het speelhuys werd gebouwd direct ten noorden van de Kovelaarsbrug naast de Koningsweg. Jan Hendrik maakte er een huizinge van gemak van. Later een genoemd als Speelhuys. Dit was een oude Nederlandse term voor een luxe gebouwtje waar een in de achttiende eeuw een kaartje kon leggen.





In 1749 legt Jan Hendrik van der Sloth (1710 - ... ) bij notariële registratie vast aan een van zijn dochters. Dat het speelhuys bij zijn overlijden haar betoekomt. In latere registratie legt hij vast in een codicil of twee van zijn dochters aan het eind van de achttiende eeuw het speelhuys voor f. 2.000 gulden zouden willen accepteren na zijn overlijden. 

Jan Hendrik was zeer trots op zijn speelhuys aan de doorgaande Koningsweg naar Bunnik en Wijk bij Duurstede. Hij verhuurde zijn goed diverse malen aan weledele heren na ingeschreven huurakte bij diverse Utrechtse notarissen.

Jan Hendrik van der Sloth was twee keer gehuwd geweest. Eerste met Maria Cours (1710 - 1756), na haar overlijden huwde hij met Cornelia van Wickenburg (1710 - ... ). Zij had uit een eerder huwelijk met Cornelis van Riemsdijk 1 dochter gekregen. Uit het eerste huwelijk van Jan Hendrik waren diverse kinderen voortgekomen.

In het jaar 1802 wordt er in een verkoopakte in de belendingen genoemd (naast gelegen) dat het speelhuys nog bij een van Van der Slots kinderen toebehoord.

In 1809 wordt de Koningsweg rechtgetrokken ten zuiden van het speelhuys ten opzichten van het zuidelijke gelegen Kattestaart land, bij de oude Kovelaarsbrug. Deze verzanding of verlegging van de Koningsweg word uitgevoerd door personeel van Lodewijk Napoleon.

Op zaterdag 25 mei 1822 werd door domeinen van de Nederlandse Staat het speelhuys aangekocht van een de nazaten van Van der Slot, vermeld staat W.H. van der Slot.

In 1832 staat het speelhuys nog in het kadaster ingetekend achter Fort Lunet I. Enkele jaren later in het najaar van 1840 zou bij aanbesteding het speelhuys tezamen met twee loodsen achter het fort Lunet I worden afgebroken.


Boerderij het Pannehuys aan de Koningsweg


Over hofstede het Pannehuys is niet veel bekend in de archieven. Pas eind achttiende eeuw duiken er een paar bronnen op waarin over de hofstede geschreven wordt. In 1832 staat hij ingetekend in het kadaster op het grondgebied van de gemeente Houten/Oud-Wulven. Wel is uit de kadasters op te maken dat Jhr. Hendrik Bosch van Drakestein de hofstede in 1877 heeft laten slopen. Waarna ervoor in de plaats een weiland kwam.

Uit een onlinetestament van donderdag 31 juli 1794 waarin legataris Jan de Vrij, wonende in het zogenaamde Panhuijs tegenover Amelisweerd.

Aan zijn erfgename, broer Jean Hubert Gossiaux zijn vermogen nalaat of als Jean Hubert eerder overlijd dat Jan de Vrij's vermogen naar Jean's zijn kinderen overgaan te weten: Marie Gossiaux, Charloote Gossiaux en Jean Gossiaux. Jan de Vrij huurde het Panhuijs van Marquis de St. Simon, Heer van Amelisweerd.


Op zaterdag 5 juni 1807 werd ten overstaan van de Utrechtse notaris Jacob Christiaan de Graaf werd 2,5 morgen bouwland met bijbehorend daghuurderhuisje, genaamd het Panhuis met bomen langs het zandpad verkocht door Maximiliaan Louis van Utenhoven aan Frederik Hendrik Justus van Utenhove.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U286a014, 05-06-807, aktn.: 106.

Op zaterdag 10 december 1808 is verder nog te lezen dat er een hofstede in Maarschalkerweerd met 2,5 morgen bouwland, vanouds genaamd het Panhuis wordt gekocht en ingezet door Marcelis Bongers voor f. 2.650,-. Marcel koopt het Panhuis met borg van P. de Goeij. 

Op zaterdag 11 februari 1809 verkoopt Fredricus Catharinus Blekman namens Frederik Hendrik Justus baron van Utenhove met verwijzing ver koopconditie van de hofstede van zaterdag 10 december 1808, transporteert (draagt over) aan Marcelis Bongers de hofstede het Panhuis.



Op woensdag 4 oktober 1809 neemt Abraham Samuel van Hengelaar die procureur voor de stad Utrecht is namens Marcelis Bongers, wonende te Houten een lening aan van Hendrik Lammers wonende te Utrecht voor f. 2.000,-. Hij stelt als onderpand de hofstede het Panhuis aan.

Een panhuis was in de zeventiende en achttiende eeuw een bierbrouwerij waar bier werd gebrouwen.

Zo zullen bewoners en werklieden van het landgoed Nieuw-Amelisweerd hun eigen Amelisweerdbier hebben gehad.

Na de sloop van het Panhuis in 1877 door Hendrik Bosch, bouwde hij een nieuw huis ten oosten van het vroegere Panhuis tegen grens met Rhijnauwen aan.

In 1953 woonde in dit huis Maria van Kleef en M.C.A. van Rijnsoever.

Het huis stond aan de Koningsweg O101 (O = Oud-Wulven). Na de grondannextatie van 1954 werd het huis door familie Bosch gesloopt en werd het perceel weer weiland.

Bronnen: Het Utrechts Archief 34-4, U274a008, 31-07-1794, aktn.: 81 en de getranscribeerde dorpsgerecht T064, Regionaal Archief Zuid-Utrecht (RAZU), razu.nl.



Op woensdag 21 november 1821 werd ten overstaan van de Utrechtse Hendrik van Ommeren de hofstede het Panhuis door Gerrit Oosterhout verkocht voor f. 100 gulden en 17 cent aan Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein. Paul bleef de hofstede verhuren aan Gerrit en zijn gezinsleden. Nog tot het jaar 1854 bleef Gerrit Oosterhout in het Panhuis wonen. 

Gerrit Oosterhout was van beroep bakker en voerde zijn beroep als bakker ook uit op de hofstede het Panhuis. Gerrit kocht het Panhuis aan van Marcelis Bongers op woensdag 12 april 1820 ten overstaan van de Utrechtse notaris Peter Adriaan van Schermbeek. Marcelis Bongers was ook van beroep. Waren Marcelis en Gerrit de huisbakker van het landgoed Nieuw-Amelisweerd voor familie Van Utenhove en koning Lodewijk Napoleon?

Paul voegde het Panhuis direct weer toe aan te landgoed Nieuw-Amelisweerd. Eerder behoorde het Panhuis bij Nieuw-Amelisweerd tot februari 1809, 12 jaar eerder toen familie Van Utenhove (toenmalige eigenaren van het landgoed) de hofstede aan een particulier verkocht.

Na het overlijden van Paul Bosch in april 1834 werd oudste zoon Willem Bosch en later in 1853 na het overlijden van Willem (klein)zoon Hendrik Bosch eigenaar van de hofstede.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4, U320b029, 21-11-1821, aktn.: 3646.

 

Onroerend Goed in de Provincie Zeeland

Jhr. Willem Bosch van Drakestein van Nieuw-Amelisweerd was van 1839 tot 1853 gemeenteraadslid van de gemeente Utrecht.



Hij stond er ook om bekend binnen de gemeenteraad van Utrecht, regelmatig niet te verschijnen bij raadsvergaderingen.

Vermoedelijk rond 1850 kocht Willem Bosch diverse landerijen in de omgeving van de Zeelandse provincie hoofdstad Middelburg op het eiland schiereiland Walcheren.

In de eerste helft van de negentiende eeuw was er een getrouwd echtpaar wonende in de binnenstad van Utrecht Jan Hinlopén (1755-1808) en zijn vrouw Jkvr. Anna Elisabeth Schorer (1761-1817).

Anna Elisabeth kwam uit een rijke adellijke Zeeuwse familie. Haar familie bezaten zeer veel gronden op Walcheren en omgeving. Twee zonen die uit dit huwelijk kwam waren: Johan Gulielmus Hinlopén, geboren te Utrecht, Utrecht op 15 augustus 1793, hij is overleden op 24 april 1856 te Middelburg, Zeeland. Hij was groot grondeigenaar in de omgeving van Middelburg en Zeeland en werkte in zijn leven voor de Eerste en Tweede kamer der Staten generaal in Den Haag. Een invloedrijk man voor zijn tijd. 

Tweede zoon Jan en Anna Elisabeth was Jelmer Hinlopén geboren in 1798 en overleden op 4 augustus 1865. Jelmer Hinlopén was gemeenteraadslid voor de gemeente Utrecht van 1829 tot 1857 en wethouder voor die zelfde gemeente van 1841 tot 1857. Vermoedelijk is heeft Jhr. Willem Bosch van Drakestein via zijn vriend of mede gemeenteraadslid Jelmer Hinlopén diverse gronden in de omgeving van Middelburg stad gekocht rond 1850 van Johan Gulielmus Hinlopén. Hij die de oudere broer is van Jelmer Hinlopén.

Het summiere bewijs wat deze stichting ervan weet was te vinden in de krantenbank van het Zeeuws archief. Een verslag uit 1855 van een raadsvergadering van de gemeente Middelburg waarin de weduwe van Jhr. Willem Bosch van Drakestein wordt genoemd. In het archiefstuk wat deze stichting in het voorjaar van 2019 aankocht wordt geschreven door de achterkleinzoon van Willem, René Bosch van Drakestein. Dat diverse van zijn familieleden in 1953 een inspectie in Zeeland uitvoerde na de Watersnoodramp van dat jaar. Er werd gekeken of de onroerende goederen niet teveel beschadigd waren.

Tot op heden is het door de stichting nog niet gelukt om erachter te komen waar deze gronden precies lagen. Kadasteronderzoek is moeilijk. Omdat het gemeentehuis van Middelburg inclusief het kadasterarchief in 1940 verloren is gegaan. Nadat het gemeentehuis door de Duitse inval in WOII is verwoest.

Pas vanaf uiterlijk 1947 werd dit kadasterarchief van Walcheren weer opgebouwd en gereconstrueerd. Willem zijn Memories van Successie is helaas ook niet te bekijken bij Het Utrechts Archief.

Hij is overleden op 1 september 1853. Maar precies deze Memories van Successie boeken zijn ooit verloren gegaan en niet op film gezet bij het archief in Utrecht. Het is dus zoeken naar een 'Speld in een hooiberg', om te achterhalen welke gronden het precies waren van familie Bosch van Drakestein in Middelburg. De Memories van Successie van Willems zoon Hendrik Bosch van Drakestein geeft misschien meer aanknopingspunten. Deze is te vinden in het notariële archief van notaris Van Heijst bij het Regionaal Archief Zuid-Utrecht te Wijk bij Duurstede. De stichting gaat deze op termijn onderzoeken. 

De motivatie en onderbouwing om aan te nemen dat Jhr. Willem Bosch van Drakestein de gronden via de broers Hinlopén en hun moeder Jkvr. Schorer heeft gekocht. Heeft te maken met dat er in het Zeeuws Archief in Zeeland in archief 157 Familie Schorer 1547-1983 (1991) diverse Utrechtse stukken te vinden zijn. Die ook betrekkingen hebben op de familie Bosch van Drakestein. Jelmer Hinlopén zat al in de eerste helft van de negentiende eeuw in de Utrechtse gemeenteraad. Latere nazaten van familie Schorer en Hinlopen kwamen ook nog in begin twintigste eeuw voor in Utrecht en Zeeland waar ze op beide gebieden actief waren in politiek en grondbezit.


 

Register dorpsgerechten Amelisweerd (1808-1810)

1.  vrijdag 26 augustus 1808 - Registratie van een extract koopconditie van de ambachtsheerlijkheid en ridderhofstad van Amelisweerd ca. mitsgaders van de hofstede De Boeije. G.W. baron van Lamsweerde, intendant-generaal van 't  kiningshuis, commandeur van de koninklijke orde der Unie en Staatsraad van zijne majesteit de koning van Hollland, verklaard van Maximiliaan Louis baron van Utenhove, heer van Bottesteijn, gekocht te hebben de ambachtsheerlijkheid Amelisweerd, de ridderhofstad Amelisweerd, vanouds genaamd Groenewoude, met de hofstede de Boeije, vanouds in leen en tinsplichtig aan de proosdij van Oudmunster. Transport voor het gerecht van Amelisweerd op zaterdag 19 november 1808.

2.   vrijdag 26 augustus 1808 - Registratie van een extract koopconditie van de ridderhofstad Oud-Amelisweerd. G:W: Baron van Lamsweerde verklaard van Ererard Kol, gemachtigde van Gerard Arnout baron Taets van Amerongen, heer van Schalkwijk, verkocht te hebben de ridderhofstad Oud-Amelisweerd met 66 morgen land. En nog 13 morgen land met vier daghuurderswoningen onder Bunnik en Vechten, en 11 morgen bouwland ook daar gelegen en een morgen elsenbos tevoren bouwland in twee akkers gelegen op de March, Met acten van procuratie en transport.

3.   vrijdag 26 augustus 1808 - Koopcondities van hofstede De Knapschinkel ter bevordering van zijn majesteit de Koning van Holland, die op zaterdag 19 november 1808 werd getransporteerd.

4.   vrijdag 26 augustus 1808 - Maximiliaan Louis baron van Utenhove, heer van Bottesteijn, verkoopt aan G.W. baron van Lamsweerde, jntendant generaal van het Koninshuis Commandeur van de Koninglijke orde der Unie en Staats Raad van zijne Majesteit den Koning van Holland, namens hem de  ambachtsheerlijkheid Amelisweerd met de tienden en verdere gerechtigheden, de
ridderhofstad Amelisweerd vanouds genaamd Groenewoude met de heeren huizinge etc, tezamen groot 13 morgen 217 roeden vanouds in twee leenen rededabel van de proostdij van Oudmunster, met nog 7 morgen 2 hond hoogland en 2 morgen 3 hond rijnland. Met de hofstede de Boeije met 48 morgen 1 hond land. En onder Maarschalkerweerd 17 morgen en 3 morgen op de Kuijl.

5.   vrijdag 2 september 1808 - Registratie van een procuratie tot transport van vorenstaande goederen.

6.   vrijdag 2 september 1808 - Maxirniliaan Louis baron van Utenhove constitueert Johannes Wijnandus de Jeeger om te Amelisweerd en Maarschalkerweerd te transporteren aan de koning van Holland bovenstaande percelen.



7.   vrijdag 2 september 1808 - Jacoba Geertruida Wilhelmina Baronesse van Utenhove, gesepareerde huisvrouw van Frederik Lodewijk Christiaan baron van Schrautenbach, en Maximiliaan Louis baron van Utenhove, en Gerlach Theodorus Frederik baron van Utenhove, en Hendrik Jacob Carel baron van Utenhove, en Frederik Hendrik Justus baron van Utenhove, won. allen binnen Utrecht, constitueren Johannes Wijnandus de Jeger om aan de koning van Holland bovenstaande percelen te transporteren.

8.   dinsdag 11 oktober 1808 - Brief van de landdrost van het departerment Utrecht aan schout en gerecht van Amelisweerd over de koop van huizen.

9.   zaterdag 19 november 1808 - Johannes Wijnandus de Jeeger als gemachtigde van Gerlach Theodorus Frederik baron van Utenhove transporteert aan de koning van Holland de hofstede Knapthunkel bestaande in een huis, bergen, schuur en verder getimmer etc met 12 morgen land, En 19 morgen bouw en weiland, en 16 morgen bouwland en 14 morgen en 10 morgen weiland.

10.   zaterdag 19 november 1808 - Johannes Wijnandus de Jeeger als gemachtigde van Hendrik Willem Jacob baron van Tuijll van Serooskerken transporteert aan de Koning van Holland 8 morgen bouw- en weiland strekkende uit de Kromme Rijn zuidwaarts op tot aan de grote weg.

11.   zaterdag 19 november 1808 - Johannes Wijnandus de Jeeger als gemachtigde van Everard Kol als gemachtigde van Gerard Arnoud baron
Taets van Amerongen, heer van Schalkwijk, transporteert aan de koning van Holland 13 morgen bouw- wei- en bosland met 4
daghuurderswoningen, 11 morgen bouwland, 1 morgen elzenbos, tevoren bouwland in 2 akkers gelegen op de Marsch.

12.    woensdag 15 maart 1809 - Jachtpatent verleend aan jonkheer G.F.F. van Utenhove.

13.   vrijdag 29 juni 1810 - Registratie van een decreet van zijn majesteit den koning. (Franstalig) Over hofsteden De Knapschinkel, De Boeije en De Kleine Kuil.


14.   maandag 2 juli 1810 - Registratie van een aanschrijving van den intendant generaal van s'konings huis. De buitenplaatsen Oud- en Nieuw-Amelisweerd zijn verkocht, met de hofsteden De Kleine Kuil, De Boeije en De Knapschinkel en de daarbij behorende gebouwen, hoeven en landerijen ter grootte van 278 morgen 577 roeden voor 200.000 gulden op 6 augustus (hooimaand) 1810 getransporteerd.

15.   vrijdag 6 juli 1810 - Hendrik van Ommeren als gemachtigde van koning Lodewijk Napoleon transporteert aan J.P. van Wickevoort Crommelin 9 morgen allerbest bouwland, 16 morgen bosch, bouw- en weilanden met vier daghuurderswoningen, nr. 71-74 strekkende uit de Kromme Rijn tot aan de Nieuwe Zandweg, en 11 morgen bouwland, en de hofstede genaamd De Uithof of ook wel De Knapschinkel bestaande in een huis oud nr. 70 en nieuw nr. 68 met 3 bergen, schuur, bak- en duivenhuis met 12 morgen bouwland. En 19 morgen bouw- en weiland en 16 morgen bouwland en 14 morgen bouw- en weiland gelegen op Mereveld en 10 morgen weiland en nog 1 morgen elzenbos.

16.   vrijdag 6 juli 1810 - Hendrik van Ommeren namens den intendant-generaal van het konings huis om in naam van Lodewijk Napoleon te doen op en overdract der
natemelden vaste goederen, transporteert aan den commandeur J.P. van Wickevoort Crommelin een hofstede vanouds genaamd de Kuil, bestaande in een
huizinge nr 5, twee bergen, schuur, bakoven etc, met 27,5 morgen land, en nog 3 morgen bouwland, en 17 morgen bosch, waarin een ijskelder.

Bron: Regionaal Archief Zuid-Utrecht (RAZU), Dorpsgerecht T064 Gerecht Amelisweerd, 1. Bewerkt door SHH.


 

Fotoviewer familie 

Bosch van Drakestein (Van Nieuw-Amelisweerd)

 

Huize Welgelegen, Ruysdaellaan 7, Huis ter Heide te Zeist


In 1920 wordt Huize Welgelegen aan de Ruysdaellaan 7 te Huis ter Heide in Zeist gebouwd door de firma Houtbouw N.V. De Nemico. Voor die tijd was de grond het eigendom van Cornelis Andreas Pompe uit Utrecht. Het huis wordt betrokken door.

Jkvr. Anna Wilhelmina Henriëtte Theodora van Vredenburch, geboren te 's-Gravenhage 25 April 1860 en overleden 12 augustus 1942. Zij werd 82 jaar oud. Zij huwde op 10 juli 1884 met Jhr. Titus Anthony Jacob van Asch van Wijck. Titus werd geboren te Utrecht op 29 augustus 1849 en overleed te 's-Gravenhage op 9 september 1902. De heer Van Asch van Wijck was na zijne promotie van 13 februari 1875 op Stellingen aan de Utrechtse Hogeschool, en werd hij achtereenvolgens secretaris van den Lekdijk-Bovendams (1875), adjunct directeur van de Commies aan het Departement van Oorlog (1880), hij was lid van de Tweede Kamer voor Zwolle (1881), burgemeester van Amersfoort (1883), lid van de Staten van Utrecht (1883), lid van de Tweede Kamer voor Kampen (1889), Gouverneur van Suriname (1891), lid van de Eerste Kamer voor Zeeland (1896), lid van den raad van 's-Gravenhage (1896), hij werd voor de tweede maal burgemeester van Amersfoort in 1900 en uiteindelijk Minister van Koloniën in 1901. 

Bron: dbnl.nl Nieuw Nederlands biografisch woordenboek. Deel 1 (1911) – P.J. Blok, P.C. Molhuysen.

In 1932 verkoopt Jkvr. Anna Wilhelmina Henriëtte Theodora van Vredenburch het huis Welgelegen aan Jkvr. Lucie Adèle Cornélie Marie Serraris -Bosch van Drakestein voor f. 13.000 ten overstaan van notaris Adriaan ten Noever de Brauw in Wijk bij Duurstede.

Lucie was in 1929 de douairière (weduwe) geworden van Jhr. Johannes Ludovicus Paulus Bosch van Drakestein. In de jaren die erop volgen wordt het huis door haar en haar 8 kinderen gebruikt als extra onderkomen en buitenverblijf.

Na het opmaken van de Memories van Successie in 1955 na het overlijden van moeder Lucie in 1952 komt het huis Welgelegen toe aan haar 8 kinderen en klein kinderen. Waaronder ook de Wittert van Hooglands en Van Weede van Dijksvelds. In 1970 komt het huis in bezit van Lucie haar derde oudste zoon Jhr. Louis Bosch van Drakestein. Hij was van beroep directeur van de VVV te Zeist. Louis overlijd op 26 januari 1982. Hierna wordt Huize Welgelegen verkocht aan tandarts René Harderwijk.

In huis Welgelegen heeft vele jaren de twee portretten van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein en Henriëtte Hofmann gehangen. Toen Jhr. Louis Bosch van Drakestein overleed zijn de twee portretten naar zijn nazaat gegaan in Bussum (Noord-Holland).

Bron: Kadasterarchiefviewer (1832-1987).


 

Ruysdaellaan (Huis ter Heide)

De Ruysdaellaan loopt vanaf de Amersfoortseweg parallel aan de Hobbemalaan om aan het eind af te buigen en uit te komen bij de kruising Frans van Mierislaan-Rembrandtlaan. De laan is - net als de andere lanen in dit gebied - in 1902 aangelegd toen de overplaats van het buiten Zandbergen (Amerfoortseweg 18) werd verkaveld ten behoeve van de bouw van een villapark. De laan is vernoemd naar de zeventiende-eeuwse schilder Jacob van Ruysdael (ca. 1628-1682). De villa's en landhuizen aan het eind van de laan dateren uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw.

Bron: Zeist, Geschiedenis en Architectuur.


Landgoed Oud-Amelisweerd en Rhijnauwen

Diverse landerijen op landgoed Oud-Amelisweerd en Rhijnauwen en het soort gebruik. Boomgaarden, bos, weiden of akkers.




In 1935 bij de Kromme Rijn in Bunnik op de achtergrond Houthandel Van Dam met twee medewerkers aan het werk. Recht (mogelijk) de Heer Van Dam.

Houthandel Van Dam kocht met regelmaat in en rond 1900 en vele jaren erna grote partijen hout op uit de twee jaarlijkse houtverkopingen van het Landgoed Nieuw-Amelisweerd. 

 

Fectio Vechten terrein te Bunnik en boerderij De Klomp

Het Fectio Vechten terrein gelegen aan de Marsdijk in Bunnik en Vechten behoorde in diverse periodes door de tijd heen bij het onroerend goed van boerderij De Klomp (Oude Mereveldseweg 2-4, Houten). Boerderij en het Fectio Vechten terrein waren een erfpachtgoed van het Utrechtse kapittel van Sint Jan. Boerderij Slagmaat, gelegen aan de zuidkant van de Marsdijk was als heerlijkheid of gerecht een lange tijd in eigendom van dit kapittel.

Op woensdag 15 december 1819 werd boerderij De Klomp aangekocht door Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein van de Nederlandse Domeinen. Bij de aankoop kocht Paulus de erfpachtcanon af van het kapittel van Sint Jan.

Op zaterdag 11 november 1826 om 17:00 uur in de namiddag kocht Paulus als vastgoed de boerderij fysiek aan met het bijbehorende onroerend goed. Ten overstaan van notaris Pabst Achter de St. Pieter te Utrecht.



Boerderij De Klomp behoorde vanouds bij het grondgebied van Bunnik en Vechten. Van 1925 tot 31 december 1963 was het adres van boerderij De Klomp Mereveldseweg 10 of Waaijenseweg 1. Boerderij Het Blauwe Huis die iets noordelijker ligt stond geadresseerd aan de (oude) Mereveldseweg 8 en 8a.

Bron: Het Utrechts Archief 34-4 Notarissen in de stad Utrecht U319a016 1826 nov.-1827 mei. Blz. 714 Aktenummer: 331.


 

 


Misschien komt boerderij De Klomp aan zijn naam vanwege het feit dat de tracé ligging van de Marsdijk. Die vanaf de boerderij bij de Waijensedijk/Fortweg richting het oosten loopt tot ter hoogte van het Fectio Vechten terrein, vanuit de lucht gezien. De vorm heeft van een klomp. Waar de naam ook vandaan komt? In de achttiende eeuw wordt er al in akte gesproken over 't houte klompje.





Nazaten van Willem van 't Schip de laatste bewoner. Landbouwer die 10 oktober 1757 was geboren te Vleuten en overleed op 18 oktober 1817 op De Klomp. Willem was voor zijn overlijden voor de helft eigenaar van de boerderij. De andere helft behoorde toe aan het kapittel van St. Jan. Zolang Willem en zijn voorgangers de erfpachtcanon maar betaalde aan het kapittel bleef de boerderij als zodanig in hun bezit. Althans voor de helft. Als zij de erfpachtcanon niet meer betaalde of konden opbrengen kwam de het land of boerderij weer voor in zijn geheel in het eigendom van kapittel van St. Jan.



Na deze aankoop door Paulus behoorde de boerderij met het bijbehorende land vanaf 1819/1826 tot 1914 bij het onroerend goed van landgoed Nieuw-Amelisweerd.


 

 

 


Jhr. Paulus Willem Bosch van Drakestein overlijd op 17 april 1834. Zijn oudste zoon Jhr. Willem Bosch van Drakestein erft het landgoed Nieuw-Amelisweerd in het Houtense Maarschalkerweerd/Oud Wulven en Bunnikse Vechten/Rhijnauwen.

Hij noemt zich dan ook wel jonkheer Willem Bosch van Drakestein van Nieuw-Amelisweerd. Willem legt op 15 juli 1835 de eerste steen voor de nieuwe boerderij De Klomp. Dit staat te lezen op de nog altijd aanwezige gevelsteen die linksonder in de voorgevel van de boerderij is ingemetseld.

Na het overlijden van Willem Bosch op 1 september 1853 erft zijn zoon Jhr. Henricus Paulus Cornelis Bosch van Drakestein het landgoed Nieuw-Amelisweerd bij het bezit van het landgoed behoorde ook boerderij De Klomp  tezamen met het Fectio Vechten terrein.

Op 17 augustus 1914 overlijd Henricus en erft zijn dochter Jkvr. Cecilia Henriette Leonie Marie Bosch van Drakestein (1867-1930) de boerderij en alle losse onroerende goederen in de omgeving van Bunnik en Vechten, Houten en Oud-Wulven. Zij is getrouwd met Jhr. Paulus Jozefus Aloysius Anacletus Maria van Nispen tot Sevenaer (1856-1944).


Na het overlijden Paulus van Nispen in 1944 vererft de boerderij en het Fectio Vechten terrein op hun dochter en zoon. Jhr. Carolus Henricus Josephus Ignatius Maria van Nispen tot Sevenaer (1893-1972) en Jkvr. Margaretha Maria Josephina Carolina Eusebia van Nispen tot Sevenaer (1896-1973).







Jhr. Carolus Henricus Josephus trouwt in 1927 met Adelaïde Alfreda Isidora Maria Antonia Vos de Wael. Na van haar te zijn gescheiden. Carolus trouwt in 1933 voor de tweede keer met Anna Leonarda Huberta Maria van Baar. Uit dit huwelijk komen twee zonen voort waaronder in 1935 Jhr. Paulus Carolus Ignatius Gerardus Maria van Nispen tot Sevenaer.



Jkvr. Margaretha Maria Josephina Carolina Eusebia van Nispen tot Sevenaer. Trouwt in 1921 met Jhr. Lodewijk Ernst Egon Antonius Maria von Bönninghausen tot Herickhave (1893-1947).



Nadat  Jhr. Carolus Henricus Josephus Ignatius Maria van Nispen tot Sevenaer in 1972 overlijd vererven de landerijen in Bunnik en Houten voor de helft aan hun zoon Jhr. Paulus Carolus Ignatius Gerardus Maria van Nispen tot Sevenaer. Na het overlijden van Carolus zijn zus Margaretha in 1973 vererven de landerijen van Bunnik en Houten zich naar hun kinderen. Voor 1/6 deel volmacht aan aan hun zoon Jhr. Paul Joseph Lodewijk Maria von Bönninghausen tot Herickhave geboren 23 februari 1923. En dochter Jkvr. Cecilia Gisela Margaretha Louisa Maria geboren 26 mei 1924 zij is gehuwd met A.M. Kostense.

Voor 1/96 volmacht deel krijgen ook de 8 kinderen von Bönninghauzen tot Herinckhave van Jhr. Paul Joseph hun aandeel in de landerijen. Waarvan 4 zonen en 4 dochters.

Voor 1/60 volmacht deel krijgen de 5 kinderen Kostense van Jkvr. Cecilia Gisela hun aandeel in de landerijen. Waarvan 2 zonen en 3 dochters.

In oktober 1979 vind er een scheiding van onroerende goederen plaats bij de notaris. De volgende objecten komen in het eigendom van Jhr. Paulus Carolus Ignatius Gerardus Maria van Nispen tot Sevenaer.

Boerderij De Klomp in Houten en Bunnik met een grote van 38 hectare, 27 are en 70 centiare met een waarde van 825.000 gulden.

Boomgaard "De Nieuwe Burght", gelegen op het Fectio Vechten terrein met een grote van 4 hectare en een waarde van 100.000 gulden.

En een landje aan de Koningslaan in Bunnik 19 are en 25 centiare met een waarde van 25.000 gulden.

Op 24 december 1981 verkoopt Jhr. Paul van Nispen tot Sevenaer wonende te Den Haag boerderij De Klomp aan Johannes Reinier Klever voor 230.000 gulden. Tot op de dag van vandaag woont de familie Klever nog steeds op de boerderij.

Op 16 februari 2009 wordt het Fectio Vechten terrein te Bunnik verkocht door Jhr. Paul van Nispen tot Sevenaer aan het Bureau Beheer Landbouwgronden te Utrecht.

Op 27 januari 2015 werd het Fectio Vechten terrein tezamen met vele andere landerijen in Utrecht overgenomen door de Provincie Utrecht van het Bureau Beheer Landbouwgronden. Dit bureau werd opgeheven en maakte onderdeel uit van Staatsbosbeheer Utrecht en Zuid-Holland.

Tot op heden is de provincie de eigenaar van het terrein.



Van de zestiende- tot de negentiende eeuw werd het Fectio Vechten terrein 'Op den Burcht, De Burg of Wiltenburg' genoemd. Naar de laatste Romeinse restanten van het oude Castellum. Die ruim 2000 duizend jaar geleden op deze plek stond langs de oude oever van de Rijn.


Het Fectio Vechten terrein te Bunnik in november 2018. Foto's: Sander van Scherpenzeel.


In 2016 is het vroegere Romeinse Castellum Fectio wat in de grond al ruim 2000 jaar bewaard is gebleven in het plaveisel van het oppervlak gereconstrueerd met beton en grindpaden door de provincie Utrecht.

Paul van Nispen tot Sevenaer heeft zijn laatste stukje land wat hij in bezit had in Bunnik wat ooit bij het onroerend goed van het landgoed Nieuw-Amelisweerd behoorde op 31 december 2018 verkocht aan een particulier en zijn echtgenote die wonen aan de Koningslaan 34 te Bunnik.



Het betrof een braakliggend terrein tussen het fietspad langs de Koningslaan en de Rhijnspoorweg van Utrecht naar Arnhem naast het betreffende huis aan de Koningslaan. Het stuk land Bunnik kadastraal D36 was in oktober 1979 nog 25.000 gulden waard.


Utrecht Lunetten in 1839 nog Houten/Oud-Wulven/Maarschalkerweerd. Op deze tekening staat de nieuwe Rhijnspoorweg ingetekend die een kleine 5 jaar later actief zou worden. Rechts van boerderij De Ketel het land van Jhr. Willem Bosch van Drakenstein van Nieuw-Amelisweerd.
Bron: Het Utrechts Archief 954 1147.

In 1966 verkoopt de familie Van Nispen tot Sevenaer en Bönninghausen tot Herinckhave het enige stuk land in Utrecht Lunetten aan de gemeente Utrecht. Zij zijn de nazaten van Jhr. Willem Bosch van Drakestein van Nieuw-Amelisweerd. Bron: Het Utrechts Archief 1007-3 13465.

Herkomst naam Vechten en Vleuten

De naam van het castellum werd in de 7/8e eeuw vermeld in de Ravennatis Anonymi Cosmographia
als Fictione tussen Matellionem (de Leidse wijk Roomburg) en Evitano (bij Wijk bij Duurstede).
Op een in 1869 bij het castellum teruggevonden votiefsteen staat het in de inscriptie met de naam
Fectione. In verband met een ander naburig castellum met de naam Fletio (Vleuten) dat op de
Peutinger kaart (Tabula Peutingeriana) staat vermeld, zijn lange tijd de namen (voor) Fectio en Fletio
met elkaar geïdentificeerd. Wat meer duidelijkheid is er gekomen met de vondst in 1869 van de
votiefsteen bij dit castellum, maar nog altijd is er enige discussie over.
Volgens 'Het plaatsnamen boek, De herkomst  en betekenis van Nederlandse plaatsnamen' Geschreven door Gerald van Berkel en Kees Samplonius uit 1989. Zijn de toponymische betekenissen voor de plaatsen Vechten en Vleuten als volgend:
1.   Vechten - hangt samen met het Nederlands 'Stoeien, zich levendig bewegen'. Betekenis: plaats bij het zich levendig bewegende water?
2.   Vleuten - stromen, vloed 'waterstroom'. Betekenis: plaats bij een (rivier)stroom of stijgende (rivier)stroom.

Jhr. Hendrik Willem Bosch van Drakestein van Oud-Amelisweerd en de vondsten van Vechten

 

INVENTARIS

van de collectie oudheden, gevonden te Vechten, aan de stad Utrecht gelegateerd

door Jhr. H. W. Bosch van Drakestein

van OUD-AMELISWEERD,

vervaardigd door

Dr. W. Pleyte en Th. M. Roest

"De bodem van het naburige Vechten heeft sinds de herleving der letteren een onderwerp van nasporing uitgemaakt, omdat men van tijd tot tijd bij toevallige ontdekking of bij opzettelijk onderzoek er de overblijfselen vond van het verblijf der Romeinen. De verzameling van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap is aan een opzettelijk onderzoek te danken ; die van het Rijk te Leiden is voor den dag gekomen bij den bouw van de nieuwe fortificatiewerken. De heer Bosch van Drakestein kwam van tijd tot tijd in het bezit van enkele voorwerpen, die hij aankocht van werklieden , en die hij eerst bestemde voor het Museum te Leiden , later voor dat van de stad Utrecht. De verzameling , ofschoon klein , bevat twee zeer merkwaardige stukken, en geeft een overzicht van hetgeen doorgaans in de Romeinsche nederzettingen in de provinciën buiten Italië wordt gevonden."

Bron: Het Utrechts Archief, 811 Archief van de Gemeentelijke Archief- en Fotodienst te Utrech, 486 Catalogus van de collectie oudheden afkomstig uit Vechten, aan de stad gelegateerd door jhr. H.W. Bosch van Drakestein van Oud-Amelisweerd, samengesteld door W. Pleyte en Th. M. Roest, (1884). Gedrukt. Met twee exemplaren waarin de financiële waarde van de voorwerpen bijgeschreven is, 1889.



Jhr. Hendrik Willem Bosch van Drakestein, Heer van Oud-Amelisweerd was de jongere broer van Jhr. Willem Bosch van Drakestein, Heer van Nieuw-Amelisweerd. Hij bezat voor de aanleg van het Fort bij Vechten het oostelijk deel van het Fectio Vechten terrein waar het vroegere Romeinse Vicus (dorp) lag. Het terrein waarop nu Fort bij Vechten is gebouwd vanaf 1869.


 Plas Vechten (1938 - 1991)

 

Plas Vechten (figuur 1) is gelegen in de gemeente Bunnik onder de rook van Utrecht, ingesloten
tussen de Rijksweg 12 (Utrecht - Arnhern) en de spoorlijn Arnhem-Utrecht. Het water ìs ontstaan als gevolg van zandwinning in de jaren 1939 - 1941 t.b.v. de aanleg van Rijksweg 12.

Het totale wateroppervlak bedraagt ongeveer 4,7 hectare.

De lengte van het water is gemiddeld 420 meter. De breedte is gemiddeld 120 meter. De gemiddelde
diepte van het water is 6 meter. De grootste diepte is ongeveer 12 meter. De bodem bestaat
voornamelijk uit zand met veenrestanten. Vooral in de diepe delen van de plas bevindt zich op de
bodem een dikke zwarte modderlaag, De totale oeverlengte bedraagt ongeveer 1200 meter. De
taludhelling is overal steil aflopend, hetgeen karakteristiek is voor de meeste zandwinningsputten.

Het grootste deel van de plas is omzoomd met bomen. Het omringende land is weide. Behalve enkele drijfbladplanten en bovenwaterplanten in de oeverzone komt nagenoeg geen (water)plantengroei voor.

Typisch voor Plas Vechten is zijn geïsoleerde ligging t.o.v. andere wateren, waardoor externe invloeden buitengesloten worden; toevoer van water vindt alleen plaats door kwel en regen. 

 

Neerslag en grondwaterstroming samen vervangen jaarlijks ca. 50% van het water in Plas Vechten. Het waterpeil in de plas volgt echter “vertraagd” het peil van de Kromme Rijn. De geïsoleerde ligging is één van de belangrijkste redenen geweest voor het Limnologisch Instituut om jaren lang intensief fundamenteel ecosysteemonderzoek op Plas Vechten uit te voeren. 

Eigenaar van het water en het visrecht is de Dienst der Domeinen. Deze heeft aan de Algemene
Utrechtse Hengelaars Vereniging (A.U.H.V.) het volledig visrecht verhuurd. Het water is niet vrij vaor
één hengel. Hierdoor mogen uitsluitend de (circa 8000) leden van deze vereniging en houders van een dagvergunning het water bevissen. Beroepsvisserij vindt niet plaats op Plas Vechten.

Het water is sinds 1961 bij de OVB geregistreerd als niet-openbaar viswater.
 
Citaat uit: RAPPORT VISSERIJKUNDIG ONDERZOEK, PLAS VECHTEN, TE UTRECHT, 7 maart 1991, uitgevoerd in opdracht van de Algemene Utrechtse Hengelaars Vereniging.

Een deel van de grond waarin de plas is uitgegraven was van 1811 tot 1914 in het bezit van Paul (1811-1834), Willem (1834-1853) en Hendrik (1839-1914) Bosch van Drakestein. Van 1915 tot 1938 was de grond het bezit van diverse heren Van Nispen tot Sevenaer tot deze het aan de Staat der Nederlanden verkochten voor de aanleg van de Rijksweg A12 van Den Haag, via Utrecht naar Arnhem tot de Duitse grens.

Een ander deel van de Plas Vechten was tot 1938 in het bezit van familie Van de Vecht. Die in een groot deel van de negentiende en twintigste eeuw vele gronden in Mereveld in eigendom hadden.



In december 1939 verkocht Jhr. P.J.A.A.M. van Nispen tot Sevenaer aan de Staat der Nederlanden (Rijkswaterstaat) een deel van het Fectio Vechten terrein voor de aanleg van de rijksweg A12 van Den Haag, via Utrecht naar Arnhem tot de Duitse grens. Paul van Nispen kreeg voor de grond waarop ook de Plas Vechten uitgegraven zou worden f. 10.684,25,-, met een aftrek voor schadevergoeding voor pachter Van Oostveen van boerderij De Klomp van f. 400,75,-. Waarop Paul een totale inkomsten had verworven op de Vechten Fectio grond van f. 10.283,50,-.

Bron: Het Gelders Archief, 3027, 934.

Villa Groenewoude (toenmalig) 

(1900-1978) aan de Mereveldseweg 1A

Villa Groenewoude ooit gelegen in Utrecht aan de Mereveldseweg 1A. Werd gebouwd in het jaar 1900 in opdracht van Jhr. Johannes Ludovicus Paulus Bosch van Drakestein (1865-1929). De villa was onderdeel van het landgoed Nieuw-Amelisweerd. De villa was een ontwerp van de Schalkwijkse architect Wentink. De jonkheer liet de villa bouwen om er met zijn vrouw Jkvr. Lucie Adèle Cornélie Marie Serraris (1873-1952) er te gaan wonen. Waar in de jaren na de bouw van de villa hun 8 kinderen ter wereld kwamen.

In de jaren die volgde hadden de jonkheren en jonkvrouwen (Ghislaine of Ghislain) ieder hun bestemming in de maatschappij gevonden. Totdat Johannes de villa ging verhuren. In een advertentie in de Wijksche Courant te Wijk bij Duurstede staat in een advertentie te lezen in februari 1924 dat Johannes voor 4 jaren een huurder zoekt voor zijn villa. Gegadigde konden zich bij notaris Van Heyst melden voor 20 februari 1924 des 12 uren in de middag. Om in aanmerking te komen om de villa te bewonen.

In 1929 overlijd Johannes Bosch en komt het landgoed in het beheer van zijn kinderen. Waarvan zijn zoon René Bosch van Drakestein de rentmeester was van al het onroerend goed, boomgaarden en weilanden.

In november 1963 verhuurd René de villa nog aan de heer en mevrouw Heijmans van den Bergh - Wories. Hier wordt hun dochter Laura Marecelle Heijmans van den Bergh geboren. (Bron: Delpher.nl De Telegraaf 13-11-1963)

Leden van de familie Heijmans van den Bergh in Utrecht hadden hoge functies binnen de Universiteit Utrecht en het Academisch ziekenhuis Utrecht. Het zal waarschijnlijk ook het laatste gezin zijn geweest die de villa heeft bewoond onder het eigendom van familie Bosch. Want in 1964 koopt de gemeente Utrecht landgoed Nieuw-Amelisweerd van familie Bosch.

In de jaren die volgen zoekt de gemeente Utrecht nog naar nieuwe huurders voor de villa. Bedrijven en instanties worden aangeschreven. Maar weinig personen hebben nog interesse in de villa. Totdat de villa in 1978 onder de slopershamer komt vanwege de aanleg van de rijksweg A27 langs het landgoed.



Na ruim 78 jaar kwam er een einde aan het tijdperk van villa Groenewoude. De naam Groenewoude is een oudere benaming voor Nieuw-Amelisweerd.



Het perceel waar de villa ooit op stond was in 1832 van een zekere J.W. van Cleef een vermogend man die in Utrecht woonde en zeer veel onroerend goed in Maarschalkerweerd in eigendom had. In de loop van negentiende eeuw via onder andere in het eigendom van familie Rappard te zijn geweest. Kocht Jhr. Henricus Bosch de vader van Johannes het perceel grond ten oosten van de Mereveldseweg aan in 1885. Ruim 15 jaar later zou Johannes de villa erop laten bouwen.



Bewoners Huize Groenewoude in 1921 Mereveldseweg O76 na 1930 Mereveldseweg O102:

1.   1900 t/m 1924 Jhr.  J.L.P. Bosch van Drakestein

2.   1924 - 1928 J.G.P Pals

3.   1928 - 1930 J.L.M. Wijers

4.   1930 - ... A. Ceuse

5.   ... - ... C. Fossen

6.   ... - ... C.P. Labougere, 

7.   1953 - ... Onbewoond, 

8.   1954 - ... Bewoond, 

9.  1963 - ... Fam. Heijmans van den Bergh - Wories

Bron: Regionaal Archief Zuid-Utrecht (RAZU), Wijk bij Duurstede. Toegang 109 Gemeentebestuur Houten (1803) 1811-1961 (1964) (833-834)


Land van Koning Lodewijk Napoleon aan de Oud Wulfseweg


Vele duizenden florensen, fieters, wandelaars en autmobilisten komen er dagelijk langs op weg naar werk of school over de Oud Wulfseweg richting Utrecht. Op zich een doodgewoon stuk polderland in de polder Vechter- en Oud Wulverbroek. Maar de drie percelen ten oosten van deze weg en naast de Oud Wulfsewetering herbergt een koninklijke historie. Sinds eind zeventiende eeuw (1680) tot 1883 behoorde de drie polder kavels bij het landgoed (Oud-)Amelisweerd.



Al vanaf 1680 waren deze percelen het eigendom van de familie Utenhove van Amelisweerd. Na diverse andere eigenaren te hebben gehad via Van Efferen, Henri Maximilien de St. Simon, markies de Sandricourt komen de drie percelen in 1808 in het eigendom van Koning Lodewijk Napoleon. Nadat hij Nieuw- en Oud-Amelisweerd verkoopt in 1810 aan Jan Pieter Wickevoort Crommlin komt het land vanaf augustus 1811 in eigendom van Jhr. Paulus Wilhelmus Bosch van Drakestein.

Na zijn overlijden op 17 april 1834 vererft zijn zoon Jhr. Hendrik Willem Bosch van Drakestein landgoed Oud-Amelisweerd. Waarna hij vele jaren de eigenaar is van de landerijen aan de Oud Wulfseweg.

Paulus koopt in 1831 nog de erfpachtrechten op de 3 percelen af aan de Utrechtse Buurkerk.

Midden twintigste eeuw is het land nog van familie Van Nispen tot Sevenaer. Dezelfde die ook het Fectio Vechten terrein en boerderij De Klomp in eigendom hadden. Eind jaren tachtig van de twintigste eeuw is het land nog eigendom van de Utrechtse Verzekeringsmaatschappij AMEV die het verpachten aan boeren in de omgeving.

Bronnen: Ad van Ooststroom HISGIS Utrecht en Kadaster (1832-1987).


 

Jhr. Paulus Jan Bosch van Drakestein

Geboren te Utrecht, Utrecht op 15 februari 1825

Overleden 's-Hertogenbosch 25 mei 1894
Titulatuur Jhr. mr.

Politieke Functies

1851-1856 gemeenteraadslid Amsterdam
1856-1893 Commissaris van de Koning van Noord-Brabant

Jonkheer Paulus Jan Bosch van Drakestein, Heer van Vuursche en Drakestein (Utrecht, 15 februari 1825 - 's-Hertogenbosch, 25 mei 1894) was een zoon van jhr. mr. Frederik Lodewijk Herbert Jan Bosch van Drakestein. 

De familie Bosch was katholiek en kende een rijke traditie als bestuurders. Die achtergrond bepaalde dan ook min of meer de loopbaan van Paulus Jan. Hij was getrouwd met Elisabeth Henriëtte Johanna Bosch, dochter van mr. Johannes Wilhelmus Henricus Bosch. Hij kreeg vijf dochters en twee zonen. Zijn dochter Maria Henrietta Elisabeth (geb. 1857) trouwde in 1878 met Petrus van der Does de Willebois (1843-1937).

Scholing en loopbaan

Hij volgde het atheneum in Amsterdam. Hier bereidde hij zich ook voor voor een examen 'Romeins en Hedendaags Recht' aan de Hogeschool van Utrecht. Hij promoveerde daar in 1848 en vestigde zich vervolgens als advocaat in Amsterdam. Hier trad hij in 1851 ook toe tot de gemeenteraad, waar hij zijn eerste bestuurservaring opdeed. Tijdens zijn verblijf in Amsterdam werd hij ook lid van het College van Curatoren van de Stadsarmenschool.

Uiteindelijk werd Paulus Jan benoemd tot rechter in Amsterdam. In 1856 kreeg hij een aanstelling in dezelfde functie bij de Arrondissementsrechtbank te Amersfoort. Dit duurde echter niet lang omdat hij op 1 oktober van datzelfde jaar benoemd werd als Commissaris van de Koning in Noord-Brabant. Dit zou hij ruim 37 jaar lang blijven, de langstzittende commissaris in Noord-Brabant.

Overlijden

Op 25 mei 1894 overleed Bosch van Drakenstein te 's-Hertogenbosch. Hier werd hij echter niet begraven. Bosch van Drakenstein ligt begraven op de RK begraafplaats Carolus Borromeus te Soesterberg. Hier ligt Bosch van Drakenstein op een familieveld. Het familieveld is aangekocht door de familie Bosch van Drakenstein door de opbrengsten van de verkoop van het landgoed Sterrenberg aan de parochie Carolus Borromeus. Vanaf 1851 werden de eerste familieleden van Bosch van Drakenstein hier begraven. Paulus Jan heeft bij zijn begrafenis een prominente plaats gekregen met een neoclassicistisch grafmonument naar ontwerp van de stadsarchitect van 's-Hertogenbosch Jules Dony.

Dezelfde Dony is verantwoordelijk voor een ander monument dat herinnert aan Paulus Jan Bosch van Drakenstein. Op het Stationsplein van 's-Hertogenbosch staat een standbeeld dat door Dony is 

ontworpen. Het monument is oorspronkelijk een drinkfontein, maar deze functie heeft het nooit vervuld. Het monument stelt een draak voor.

De Drakenfontein is geplaatst in 1903 en was onderdeel van een wedstrijd, welke door de gemeente was uitgeschreven. Jonkheer Bosch van Drakestein had een legaat vermaakt aan de gemeente 's-Hertogenbosch om een gedenkteken op te richten voor zijn tweelingdochters, die in 1881 op 16-jarige leeftijd waren overleden. Het standbeeld zou aanvankelijk vlak voor het station komen te staan, maar het is iets verder naar het oosten geplaatst, in de richting van de binnenstad.

Er werd een wedstrijd uitgeschreven. De gebroeders Leeuw uit Nijmegen wonnen deze, maar de Draak is niet naar hun ontwerp gemaakt. Architect van 't Zand Jules Dony kreeg de opdracht een ontwerp te maken voor de drakenfontein. De draak en de kleine draken zijn gefabriceerd bij de firma F.W. Braat in Delft. De sokkel is gemaakt door de firma N. Glaudemans, een steenhouwerij.

Overgenomen van Wikipedia Paulus Jan Bosch van Drakestein.


 

Drakenfontein te 's-Hertogenbsoch

Drakenfontein ('s-Hertogenbosch)

Locatie: Stationsplein
Locatie: 's-Hertogenbosch
Bouw gereed: 1903
Architect: J.J. Dony
Erkenning:
Monumentstatus: Rijksmonument
Monumentnummer: 21852

De Drakenfontein is de bekendste fontein van de gemeente 's-Hertogenbosch. Het beeld op de fontein stelt een draak voor. Oorspronkelijk zou het een drinkfontein moeten worden, maar die functie heeft het nooit vervuld. De fontein staat midden op de zeer drukke kruising van de Stationsweg en de Koninginnenlaan, pal voor station 's-Hertogenbosch.

Het standbeeld is geplaatst in 1903 en was onderdeel van een wedstrijd die door de gemeente was uitgeschreven. Jonkheer Bosch van Drakesteijn, Commissaris van de Koning(in) in Noord-Brabant van 1856 tot zijn overlijden in 1894, had een legaat van 10.000 gulden vermaakt aan de gemeente 's-Hertogenbosch om een gedenkteken op te richten voor zijn tweelingdochters, die in 1881 op 17-jarige leeftijd waren overleden. Het standbeeld zou aanvankelijk vlak voor het station komen te staan, maar het is iets verder naar het oosten geplaatst, in de richting van de binnenstad.

Er werd een wedstrijd uitgeschreven. De gebroeders De Leeuw uit Nijmegen wonnen deze, maar de Draak is niet naar hun ontwerp gemaakt. Architect van 't Zand Jules Dony kreeg de opdracht een ontwerp te maken voor de drakenfontein. De draak en de kleine draken zijn gefabriceerd bij de firma F.W. Braat in Delft. De sokkel is gemaakt door de firma N. Glaudemans, een steenhouwerij.


In 1959 werd de tunnel onder de draak aangelegd. De tunnel verbond de Koningsweg met het Koningin Emmaplein, zodat het autoverkeer dat van noord naar zuid ging, of andersom, geen hinder had van het overige verkeer van en naar het station. De fontein heeft toen tijdelijk voor het station gelegen. De zaagsneden in de zuil zijn nog goed zichtbaar en zijn nog stille getuigen van deze gebeurtenis. Nadat de tunnel klaar was, is de Drakenfontein weer helemaal opgebouwd.

Waarom een Draak?

Er zijn twee verhalen die verklaren waarom het beeld op de fontein een draak is.

Draak van een stad

's-Hertogenbosch lag vroeger — en nu nog ten dele — in een moerasgebied. De omgeving van de stad was makkelijk onder water te zetten. De stad werd daarom ook wel de Moerasdraak genoemd en gold als een onneembare vesting. In 1629 wilde Frederik Hendrik 's-Hertogenbosch veroveren. De inwoners van de 's-Hertogenbosch maakten zich aanvankelijk geen zorgen vanwege de drassige ondergrond, maar door het gebied rond de stad droog te malen lukte het Frederik Hendrik toch om de stad in te nemen.



Commissaris Jhr. P.J. Bosch van Drakestein

Een ander verhaal is, dat het vanwege de achternaam van de legator is. De draak houdt een schild vast met het familiewapen van Bosch van Drakenstein.

2000 en 2001

Op 12 oktober 2000 viel de draak van zijn sokkel en moest de stad het zonder de draak doen. Niemand raakte gewond. Wel raakte een van de vier bronzen draken die op de grond staan beschadigd. Dat de draak viel was het gevolg van roestvorming bij de aanhechting van het stalen skelet, wat vrij normaal is na 97 jaar. De restauratie zou in eerste instantie een half jaar duren.

Uiteindelijk op 14 december 2001 werd de Draak, geheel opnieuw verguld, weer teruggeplaatst. Bij de terugplaatsing, is er in de staart van de draak een potje gestopt. In dat potje zit een tekening, foto en een blaadje bladgoud. Zo zal het in de toekomst mogelijk zijn de draak te restaureren naar oorspronkelijk ontwerp.

Bijnamen

Over Bosschenaren bestaat in de omgeving van 's-Hertogenbosch het vooroordeel dat ze een grote mond zouden hebben. In de regio van 's-Hertogenbosch ging vervolgens de grap dat de gemeente de Draak niet meer terug zou plaatsen maar zou vervangen door een Gouden Nijlpaard: dat had immers een grotere bek. Naarmate de restauratie langer op zich liet wachten, was deze grap luider te horen.
Het beeld wordt in de volksmond ook wel Het standbeeld voor de schoonmoeders genoemd.

Overgenomen van Wikipedia Drakenfontein ('s-Hertogenbosch).


Detailfoto's van de Drakenfontein op het Stationsplein voor station 's-Hertogenbosch. Opgericht in 1903 door Jhr. Paulus Jan Bosch van Drakestein.

Foto's: Sander van Scherpenzeel, zondag 27 oktober 2019.


 

Levende of uitgestorven takken Bosch van Drakestein

1.   De hoofdtak Bosch van Drakestein, wonend in gemeente Baarn bij het dorp Lage Vuursche is nog altijd levend. Twee leden van familie Bosch die hier actief zijn en opgeroeid. Jhr. Paul Bosch van Drakestein en zijn zus Jkvr. Angelique Bosch van Drakestein. Tevens is er nog een derde persoon in deze tak Jkvr. Veronica Bosch van Drakestein.
Zij zijn de nazaten van de een-na jongste zoon van Paulus en Henriette Jhr. Frederik Lodewijk Herbert Jan Bosch van Drakestein (1799-1866).

2.   De tweede nog levende tak en tevens de grootste van Nederland is de Bosch van Drakestein van Nieuw-Amelisweerd tak. Bij de verkoop van het landgoed Nieuw-Amelisweerd in 1964 waren de ruim 8 broers en zussen Bosch van Drakestein (Ghislaine) nog in leven. De Ghislaines en echtgenoot of echtgenote zijn in de periode vanaf 1964 tot het laatste familielid in 2003 overleden.
Van de 8 broers en zussen zijn nog nazaten in leven. Maar wel dat de meeste al ver in de zestig of zeventige jarige leeftijd zijn. Deze grootste tak Bosch is afkomstig van de oudste zoon van Paulus en Henriette, Jhr. Willem Bosch van Drakestein (1798-1853).

Plaatsen in Nederland waar nog nazaten van de Nieuw-Amelisweerd takken wonen:
Den Haag en Alphen aan de Rijn (Prov. Zuid-Holland), Bussum en Amsterdam (Prov. Noord-Holland), Amersfoort en Leersum (Prov. Utrecht), Erichem (Prov. Gelderland) en Dongen (Prov. Noord-Brabant).

3.   De derde beschreven tak Bosch van Drakestein is de tak Bosch van Drakestein van Oud-Amelisweerd of Bosch van Oud-Amelisweerd. In een bepaald opzicht is deze tak maar liefst twee keer uitgestorven in 1883 en 1988.

Toen de zoon van Paulus en Hendriette Jhr. Hendrik Willem Bosch van Drakestein (1805-1883), Heer van Oud-Amelisweerd, kinderloos stierf in 1883. Ging het landgoed over naar zijn zus Jkvr. Elisabeth Bosch van Drakestein die getrouwd was met haar neef Jan Willem Hendrik Bosch.

Hij overleed al in 1851. In dezelfde periode van 1883 stierf ook Jkvr. Elisabeth Bosch van Drakestein. Uit het huwelijk van Elisabeth en Jan Willem Hendrik wordt een zoon en een dochter geboren.

Zoon Wilhelmus Johannes Marie Bosch (van Oud-Amelisweerd) krijgt na het overlijden van zijn moeder het landgoed in eigendom. In de jaren negentig van de negentiende eeuw gaat hij zich Bosch van Oud-Amelisweerd noemen. Hij laat zich in 1893 door Koningin Willem III in de adelstand verheffen tot jonkheer en jonkvrouw. En ook diens nakomende generaties die het predicaat mochten voeren.
Twee achterkleindochters van Jhr. Wilhelmus Johannes Marie Bosch van Oud-Amelisweerd sterven in 1968 en 1988. Waardoor de naam Bosch van Oud-Amelisweerd definitief in levende lijn is uitgestorven.

4.   De vierde beschreven Bosch van Drakestein tak is de Jhr. Carel Theodoor Jan Bosch van Drakestein (1807-1860) tak. Hij was Heer van Sterrenberg en alle andere landerijen in de omgeving van Zeist en Soest (Prov. Utrecht), en Heer van de ambachtsheerlijkheid Reijerscop-Creuningen, gelegen ten zuidwesten van Utrecht stad.
Hij trouwd voor de eerste keer met Barbara Annetta Cornelia Christina Octavia Volkhemer. (1820-1842) Zij overlijd veel te vroeg.
Hierop trouwde Karel met zijn tweede echtgenote Leopoldine Antoinette Steenberghe (1828-1882). Zij krijgen een zoon Jhr. Maximiliaan Elise Charles Bosch van Drakestein (1847-1870) ook hij overlijd op te jonge leeftijd. Waarop de tak Bosch van Drakestein, Sterrenberg en Reijerscop-Creuningen al omstreeks 1870 is uitgestorven.

5.   Een vijfde beschreven Bosch van Drakestein tak is de Jhr. Johannes Gerardus Bosch van Drakestein (1811-1883) tak. Hij was Heer van Bruxvoort. Een landgoed in Bennekom (Prov. Gelderland) die zijn vader Paulus in 1798 aankocht.
Johannes huwde met Caroline Wilhelmine Marianne van Hogendorp (1815-1872).
Het echtpaar krijgt een zoon en dochter.
Zoon Carolus Petrus Johannes Bosch van Drakestein (1847-1908) huwde met Florentine Caroline Johanna de Sonnaville (1856-1930) uit dit huwelijk komen twee dochters en één zoon voort.
Zijn jongste zoon Jhr. Maximilien Petrus Ghislain Bosch van Drakestein (1886-1917) huwde in 1916 met Elisabeth Porter (1886-....). Waarna hij op 30 jarige leeftijd overlijd.
Na ruim 120 jaar op mannelijke lijn de titel Heer van Bruxvoort gevoerd te hebben kwam er een einde aan deze Bosch van Drakestein, Bruxvoort tak in 1917.

6.   Een zesde beschreven Bosch van Drakestein tak is de Jhr. Gerard Willem Bosch van Drakestein (1813-1862) tak. In tegenstelling tot zijn vader Paulus die diverse landgoederen in het begin van de negentiende eeuw aankocht voor zijn zonen. Kocht Gerard Willem zelf een landgoed in 1841.
Het Landgoed Heeckeren bij Vorden (gem. Brockhorst Prov. Gelderland). Zijn kinderen verkopen het Landgoed Heeckeren in 1898.
Gerard Willem huwde in 1839 met Carolina Huberta Maria van Grotenhuis van Onstein (1817-1860).
Uit dit huwelijk komen 6 zonen en 3 dochters voort.
Gerard Willem huwde voor een tweede keer in 1861 met Gertruda Theresia von Bönninghausen tot Herinkhave (1829-1908) uit dit huwelijk komt in 1862 nog een zoon.

Van de Landgoed Heeckeren tak zijn nog diverse nazaten Bosch van Drakestein in leven in het buitenland. Zover de stichting bekend is niet meer in Nederland. Maar nog wel wonen leden van de familie Bosch in de Verenigde Staten van Amerika en bij onze zuiderburen in België.

7.   De oudste dochter van Paulus en Henriette, Jkvr. Henriette Bosch van Drakestein (1801-1878) huwde in 1820 met Charles Antoine baron de Bieberstein Rogalla Zawadsky (1796-1880). Uit dit huwelijk komen 3 zonen en één dochter voort. De familielijn Bieberstein Rogalla Zawadsky afkomstig van Jkvr. Henriette Bosch van Drakestein, sterft in mannelijk lijn in de eerste helft van de twintigste eeuw uit.

8.   De een-na-jongste dochter van Paulus en Henriëtte, Jkvr. Pauline Bosch van Drakestein (1803-1838) huwde in 1821 met Herman van Sonsbeeck (1796-1865). Uit dit huwelijk komen 2 zonen en 5 dochters voort. Pauline overlijd op veel te jonge leeftijd, zij wordt maar 34 jaar oud. 

9.   De jongste dochter van Paulus en Henriette, Jkvr. Elisabeth Bosch van Drakestein (1809-1883) huwde in 1826 met haar neef Jan Willem Hendrik Bosch (1799-1851).
Uit dit huwelijk komt een zoon en een dochter voort.
Dit huwelijk zal in eerste instantie een verstandshuwelijk zijn geweest.
Namelijk Jan Willem Hendriks vader, Hendrik Willem Bosch (1868-1800) de broer van Paulus Willem Bosch van Drakestein overleed op veel te jonge leeftijd toen Jan Willem Hendrik Bosch nog maar een baby was. Paulus heeft in de jaren erna zijn neef Jan Willem Hendrik het vak geleerd van onroerend goed aankoop en verpachtingen.
Vermoedelijk beschouwde Paulus Bosch zijn neef als zevende zoon.
Paulus en Jan Willem Hendrik Bosch kopen bijvoorbeeld op zaterdag 22 november 1823 de hofstede en landerijen van Chartreuse, gelegen ten noorden van Utrecht. In het gebied waar nu de Utrechtse wijken Zuilen, Ondiep en de Betonbuurt (Geuzewijk) zijn gebouwd.
Ook krijg Jan Willem Hendrik Bosch boerderij Schoneveld in Houten in eigendom in 1823 na het overlijden van zijn oma Cornelia van Bijleveld. Zij had op haar beurt de boerderij in 1812 verkregen van haar zoon Paulus die deze aangekocht bij een destijdse veiling, afkomstig van familie Van Hangest d'Yvoy.
De zoon van Elisabeth en Jan Willem Hendrik Bosch zet zoals omschreven in punt 3 de Bosch van Drakestein lijn voort onder de naam Bosch van Oud-Amelisweerd.
De menselijk levende lijn bestaat heden nog via de vrouwelijk lijn via Jkvr. Maria Therese Bosch van Oud-Amelisweerd. Maria is de achterkleindochter van de zoon van Elisabeth en Jan Willem Hendrik Bosch.
Maria overlijd in 1968. Zij was gehuwd met Jhr. Felix Michiels van Kessenich, het echtpaar scheid in 1946. Via de vrouwelijk en dan weer mannelijk lijn Michiels van Kessenich zijn er nog nazaten van deze Bosch van Oud-Amelisweerd tak.