Stichting Houtense Hodoniemen

Onderzoekt straatnamen, boerderijen, onroerend goed en adellijke families in Houten en omgeving

Familie Munnicks van Cleeff 

van de Grote en de Kleine Koppel van Maarschalkerweerd

Op vrijdag 10 november van het jaar 1330 verkocht de Utrechtse bisschop Jan van Diest het goed Maarschalkerweerd aan het Domkapittel.

De heerlijkheden de Grote en de Kleine Koppel waren tot 1675 van het Domkapittel, daarna gingen ze over naar particuliere eigenaars. In 1675 verkocht het kapittel de beide Koppels aan  Samuel de Mares (-1691), heer van Maarsbergen. Hij zal opgevolgd zijn door zijn zoon Johan de Mares (1666-1718), want diens weduwe Elisabeth van Loon (1674-1752) verkocht de heerlijkheden in 1727 aan Jan Volkerts (-1761).





In deze verkoop was ook Maarschalkerweerd begrepen. Hoe die heerlijkheid, die had behoord aan het kapittel van Oud-Munster, in de familie De Mares is gekomen, is niet bekend. Volkerts erfgenaam was zijn zuster Clara Margaretha, die de heerlijkheden in 1762 overdroeg op haar zoon Coenraad Christoffels (-1791). De eigendomsrechten van Maarschalkerweerd werden betwist door het kapittel van Oudmunster, maar die strijd werd door Christoffers gewonnen. Hij verkocht de heerlijkheden in 1789 aan Gerard Munnicks (-1804), die in 1804 werd opgevolgd door zijn schoonzoon Nicolaas Cornelis van Cleeff.

Wist je dat: de naam Maarschalkerweerd komt van de Utrechtse Maarschalk (dienaar van de bisschop) Giselberto Marscalco die in het jaar 1155 zich noemde naar zijn functie en het gebied wat hij in bezit had 'Maarschalkerweerd'. 

De echte betekenis van de naam is 'Uiterwaarden aan de rivier de Kromme Rijn van de maarschalk'. De rivier die met een grote noord en daarna zuidwestelijke bocht om de uiterwaarden heen loopt.

De namen van de Grote en de Kleine Koppel komen er van dat er vanaf de negende eeuw in dit gebied gezamenlijk ((ge)koppeld) geweid werd door horigen en onvrije boeren die hun vee hier lieten grazen. De ene Koppel is groot de ander is klein.

Nicolaas Cornelis van Cleeff, mr. (1751-1818) 

Geboren en overleden te Utrecht. Eigenaar van de ambachtsheerlijkheid van 1805 tot 1818.

Nicolaas erfde de heerlijkheden van zijn schoonvader Gerard Munnicks. Hetzelfde geldt voor de heerlijkheid Gerverscop en Breudijk.

Na het overlijden van Nicolaas Cornelis kwamen de heerlijkheden in het bezit van zijn echtgenote Anthonia Elizabeth Munnicks (1765-1829) Geboren en overleden te Utrecht. Zij was eigenaresse van 1818 tot 1829 en erfde ook de heerlijkheden Gerverscop en Breudijk van haar man. 

Gerard Munnicks van Cleeff, dr. (1796-1860). Geboren en overleden te Utrecht. Eigenaar van de heerlijkheden van 1829 tot 1860.

Zoon Nicolaas Cornelis en Anthonia van de vorige, Erfde de Grote en de Kleine Koppel en Maarschalkerweerd, Gerverscop en Breudijk van zijn moeder.

Bron: Peter de Jong, Schipluiden (ambachtsheerlijkheidsonderzoeker van de provincies Utrecht en Zuid-Holland).

Dr. Gerard Munnicks van Cleeff (1796-1860) huwde op 3 mei 1827 te Amsterdam met Sara Jacoba Cornelia van der Meulen (1803-1856).

Gerard noemde zich in zijn achternamen naar zijn moeder (Munnicks) en vader (Cleeff).

Uit dit huwelijk van Gerard en Sara kwam twee dochters voort:

Anthonia Elisabeth Munnicks van Cleeff, geboren op 29 januari 1829 te Utrecht (overleden 1857), huwde in 1855 met Carel Casimir Alexander, ridder van Rappard.

Alida Johanna Sara Munnicks van Cleeff, geboren op 9 maart 1832 te Utrecht (overleden 1866), huwde in 1859 Carel Casimir Alexander van Rappard.

Gerard Munniks van Cleeff was heer van de ambachtsheerlijkheden: Gerverscop en Breudijk (beide buurtschappen gelegen in de gemeente Woerden en Harmelen) en de Grote en de Kleine Koppel en Maarschalkerweerd (beide gelegen vanaf 1 januari 1818 tot 31 december 1857 in de gemeente Oud-Wulven. Maarschalkerweerd lag van 1 januari 1858 tot 31 december 1953 in de gemeente Houten. Waarna deze per 1 januari 1954 bij de gemeente Utrecht werd gevoegd.

Na het overlijden van Gerard kwam een deel van het onroerend goed in Maarschalkerweerd toe aan zijn kleindochter Jkvr. Ewoudina Louisa Elisabeth van Rappard (1857-1915). Zij was de dochter Anthonia Elisabeth Munnicks van Cleeff en Carel Casimir Alexander ridder van Rappard (1824-1871) uit zijn eerste huwelijk.

Jkvr. Ewoudina Louisa Elisabeth van Rappard huwde op 22 maart 1877 met Jhr. Cornelis Fredrik Alexander Röell.

Uit dit huwelijk kwam een zoon en een dochter:
Jhr. Charles Louis Röell (1878-1938) en Jkvr. Caroline Elisabeth Röell (1880-1895).

In 1899 verliet Röell zijn echtgenote onverwacht om zich in Los Angels Californië (Verenigde Staten) te vestigen.




Ewoudina liet haar huwelijk ontbinden voor de rechter te Arnhem op 12 december 1899. Ze werd bijgestaan door advocaat L.J. van Gelein Vitringa.


Wist je dat de achternaam Rappard afkomstig is uit het Oudhoogduits en een afleiding is van d e naam Ratbold die weer een variant is op Ratbald of Rappold.

De betekenis van Rappard is rat = counselor (hulp) en und bald (spoedig) = vet

Wat een verkorte Nederlandse betekenis maakt van Goed Advies.


Na het overlijden kwamen de ambachtsheerlijkheden de Grote en de Kleine Koppel en Maarschalkerweerd toe aan zijn enige erfgename en schoonzoon Karel Casimir Alexander, ridder van Rappard (1824-1871).

In de memories van successie is niet meer op te maken in 1860 waar de ambachtsheerlijkheden Gerverscop en Breudijk zijn gebleven en aan wie ze toebehoorde.

Karel Casimir Alexander, ridder van Rappard overlijd op 28 mei 1871 te Hannover in Duitsland op 46 jarige leeftijd.

Het is niet duidelijk of bij het opmaken van de memories van successie de ambachtsheerlijkheden zijn meegenomen naar zijn enigst zoon Alexander Carel Paul George ridder van Rappard (1862-1922) die Karel Casimir uit zijn tweede huwelijk had gekregen met Alida Johanna Sara Munnicks van Cleeff (1832-1859).



Uit dit huwelijk waren ook nog drie dochters voort gekomen.

Karel Casimir huwde voor de derde keer in 1868 nadat zijn tweede echtgenote overleden was in 1859 met Henriqueta Manuela Sophia Josepha Engelke (1846-1923).

Alexander Carel Paul George ridder van Rappard erfde in 1871 na het overlijden van zijn vader Karel Casimir onder andere Steenfabriek Ruimzicht Jutphaas. 

In de memories van successie die destijds opgemaakt werd zal ook zijn opgenomen dat Alexander de ambachtsheerlijkheden de Grote en de Kleine Koppel en Maarschalkerweerd zou hebben vererft. Dit moet door de stichting nog nader worden uitgezocht.

Een mooi detail hierin is dat Alexander ruim 20 jaar voorzitter was tot aan zijn overlijden van diverse waterschappen in de omgeving van kasteel Heemstede. 

Zoals het waterschap Overeind, Hoograven, Laagraven met de Kleine Koppel en Westraven van 1893 tot 1922.

Alexander werd geboren op 25 september 1862 te Utrecht en overleed op 14 januari 1922 te Utrecht. Hij werd 59 jaar oud.

Alexander huwde op donderdag 21 juni 1888 in Houten met Anna Henriette Petronella Testas (1862-1954). Zij was de dochter van Louis Jan Anne Testas (1869-1922), Heer van Oud-Wulven en Waijen en Charlotte Jenny Jacqueline Constance Heldewier (1828-1905).

Frans Alexander, ridder van Rappard is de vader van Karel Casimir Alexander, ridder van Rappard (1824-1871) en de opa van Alexander Karel Paul George, ridder van Rappard (1862-1922).

Op 7 april 1922 ging Anna Henriette Petronella Testas-Van Rappard ten overstaan van de Houten notaris Immink over op het laten registreren van de inventaris van haar man Alexander.

Een dag later op 8 april 1922 liet zij bij Immink een Procesverbaal om niet vast stellen van Alexander zijn onroerend goed ter waarde van f. 46.000,-.

Vanaf 1910 tot aan het overlijden van Alexander tot 1922 verkocht hij divers vastgoed en onroerend goed in de omgeving van Jutphaas, Vreeswijk (Nieuwegein), Oud-Wulven en kasteel Heemstede.

Hij stond bekend als een schuldenaar en moest elke keer een stukje van zijn vermogen verkopen om het ene gat met het andere te dichten.

Wat ooit het trotse familie bezit was in meer dan 50 jaar. Wat van zijn vader Casimir en opa Munnicks van Cleeff was geweest. Werd in rap tempo verkocht.

Diverse landerijen in Maarschalkerweerd (boerderij De Grote Kuil) en Bunnik (boerderij Mereveld) werden door Alexanders nichtje, Ewoudina van Rappard-Roëll aan de gemeente Utrecht verkocht op 11 oktober 1911. Enkele jaren tot aan haar overlijden had zij nog het huurrecht van de landerijen en boerderijen. Het fysieke eigendom was al van de gemeente Utrecht.

Een van haar bezitting was boerderij De Groote Kuil in Maarschalkerweerd, gelegen aan het Jaagpad langs de Kromme-Rijn en boerderij Mereveld aan de Mereveldseweg 2 te Bunnik en Vechten.

Een ander bezit van Jkvr. Ewoudina van Rappard was boerderij Maarschalkerweerd die ze in 1904 liet bouwen ten westen van het landgoed Nieuw-Amelisweerd. Meer over deze boerderij is te lezen op de familiepagina Bosch van Drakestein - Boerderijen





Alexander.C.P.G. ridder van Rappard (1862-1922) in ca.1890-1900 (link) en zijn echtgenote met oudste dochter (rechts) Anna Henriette Petronella Testas (1862-1954) en Charlotte Louise van Rappard (1890-1983).


Van Casimir van Rappard is tot op heden geen portret bekend.



Karel Casimir, ridder van Rappard had de ambachtsheerlijkheid de Grote en de Kleine Koppel en Maarschalkerweerd tot aan zijn overlijden in 1871 in eigendom.

Op vrijdag 1 mei 1874 verkochten de erfgename van familie Munnicks van Cleeff de ambachtsheerlijkheid aan Jhr. Paul Titus Marie Joseph Bosch van Drakestein (Heeckeren tak).

De erfgenamen uit de akte en voogden van de kinderen van Rappard waren een ondergetekende waarvan de naam moeilijk te lezen was, L. Seveliergen en A.W. van der Poel.

Zie voor het vervolg de pagina Bosch van Drakestein - Boerderijen.

Alexander Carel Paul George Ridder van Rappard (Utrecht 1862-1922) was eigenaar van steenfabriek Ruimzicht te Jutphaas en lid van de gemeenteraad van Jutphaas. 







Steenbakkerij Ruimzicht te Jutphaas

De steenbakkerij Ruimzicht werd voor het eerst vermeld in 1743 maar was dan al vermoedelijk al zo'n vijftien jaar in gebruik. Het was op dat moment in eigendom van Coenraad van Beuningen. Na zijn dood in 1745 kwam de steenbakkerij in bezit van zijn zwager Willem van Cleeff, raad bij het Hof van Utrecht. In 1802 was het in eigendom van Nicolaas Cornelis van Cleef, het dreigde toen met een aantal landerijen te worden geveild. Daarbij werd het goed omschreven als 'eene buitenplaats en welbeklante steenbakkerij, genaamd 'Ruijmzicht'. De veiling ging uiteindelijk niet door. Na verkoop van 'een grote partij broeibakken met glaasen en papieren raamen, druiventrekkasten, loden beelden en verdere tuincieraden, mitsgaders allerhande meubelen en huiscieraad' op Ruimzicht,kwamen voldoende middelen vrij om nieuwe investeringen in het bedrijf te doen.

In 1806 - 1807 werd patent verkregen voor steenbakkerij met twee steenovens.

Het bedrijf opereerde sinds 1823 onder de naam Munnicks Van Cleeff. Na het overlijden van Gerard Munnicks Van Cleeff kwamen het buitenhuis en de steenbakkerij aan zijn kleinzoon Carel Casimir Alexander van Rappard.

Op woensdag 9 september 1846 legde zijn echtgenote Alida Johanna Sara van Munnick van Cleeff de eerste steen voor een rijtje arbeiderswoningen; deze steen met inscriptie A.J.S.M.C. 1846 bevindt zich nog in het arbeidershuis Salamanderpad 100 (voor 1989 Oude Kerkweg 15).

Later werden er veertien woningen bijgebouwd op hetzelfde terrein. Deze werden bij de aanleg van de brede 't Goylaan in 1964 gesloopt. Na het overlijden van C.C.A. van Rappard kwam Ruimzicht in het bezit van zijn zoon en erfgenaam Alexander van Rappard.

Alexander verkocht in 1910 de steenbakkerij in een openbare veiling aan Van Arkel & Co. die later ook de naastgelegen steenbakkerij Rijnoven aankocht.



Als sinds 1866 was Van Arkel eigenaar van steenbakkerij Rijn- en Veldzicht.

De drie steenbakkerijen zouden in 1923 tot één groot bedrijf worden samengevoegd, dat tot 1970 werd voortgezet en daarna verplaatst naar Vianen.



De buitenplaats werd in 1925 gesloopt.
 De uit 1800 daterende houten theekoepel behoorde bij de buitenplaats van de familie Van Rappard en werd in 1925 na het opheffen van de buitenplaats en de bouw van de Julianabrug iets verplaatst naar het zuiden. Het deed dienst als opslagschuur van de familie J. Stekelenburg, Salamanderpad 100 (voor 1989 Oude Kerkweg 15).



In 1971 werd de verwaarloosde koepel ontdekt door de heer Frans H. Landzaat. In 1981 werd de werkgroep theekoepel Oud-Vaartserijngebied opgericht onder leiding van A.M. de Reuver, die ging streven naar restauratie en herplaatsing van de koepel langs de Vaartsche Rijn. 

Op 12 oktober 1985 werd de koepel gesloopt en in onderdelen naar de sociale werkplaats gebracht voor restauratie. De koepel kwam nu iets ten zuiden van haar vroegere plaats te staan, namelijk bij de woning Oude Kerkweg 12 (nu Salamanderpad).
Op de plaats waar de theekoepel nu staat, stond eerst een molen; daarnaast lag een steenfabriek, die naar de molen 't Oog in 't Zeil heette en deze naam staat nu op koepel.

 

Eigenaren van Buitenplaats en Steenfabriek Ruimzicht

1745 - Coenraad van Beuningen
1745 - Willem van Cleeff
1802 - Nicolaas Cornelis van Cleeff
1823 - Gerard Munnicks van Cleeff
1860 - Carel Casimir Alexander Ridder van Rappard 
1871 - Alexander C.P.G. Ridder van Rappard
1922 - Van Arkel & Co.



Overgenomen van: Buiten Plaatsen in Nederland.nl, Albert Speelman.


 

 

  




 Geboorteakte New York lag 

jarenlang op de zolder van Kasteel Heemstede

In het jaar 1925 kwam het boek ‘De stichting van New York’ uit. Dit boek is geschreven door Frederik
Casparus Wieder, die in 1910 documenten ontdekte over het ontstaan van deze stad. Deze documenten gaven nieuwe inzichten over de oprichting van New York en staan bekend onder de Van Rapparddocumenten.

Jarenlang lagen deze papieren op zolder van kasteel Heemstede.

Tot 1910 was er niet zoveel bekend over de stichting van New York. Er waren veronderstellingen en
bewijzen ervoor ontbraken. In dat jaar kwam er verandering toen de als later bekend staande Van
Rappard-documenten werden aangeboden aan het Amsterdamse veilinghuis Frederik Muller & Co.
Medewerker Wieder van het veilinghuis ontdekte dat er waardevolle informatie in stond. Zo was er te lezen over de ontstaansgeschiedenis van Nieuw-Amsterdam in de kolonie Nieuw-Nederland (Vanaf 1664 bekend onder de naam New York). Ook zat er een document bij, dat we de geboorteakte van New York mogen noemen. 

Door deze documenten en door de publicatie van het boek werd duidelijker hoe New York was ontstaan. Kolonisten bouwden een fort en zetten in de 17 eeuw wegen uit die we nu kennen als Broadway en Wallstreet. Diverse veronderstellingen bleken juist of onjuist.

Herkomst Van Rappard-documenten
In het boek ‘De stichting van New York’ gaat de auteur op zoek naar de herkomst van de documenten. Dit was belangrijk om de betrouwbaarheid van de documenten te kunnen onderbouwen. Hij schrijft dat de documenten afkomstig waren van Jhr. A.C.P.G. Ridder van Rappard, die woonachtig was op kasteel Heemstede bij Houten.
Rappard beschikte over een verzameling die zijn grootvader had samengesteld. De grootvader was
verzamelaar in documenten waar handschriften op stonden en had deze in de eerste helft van de 19
eeuw gekocht. In die periode was het verzamelen van dit soort documenten een activiteit bij de elite van Utrecht.

Uit het onderzoek van Frederik Casparus Wieder blijkt dat de documenten oorspronkelijk afkomstig waren van een regeringspersoon die belang had bij de West-Indische en Oost-Indische compagnie. Naast de documenten over New York, waren ook er documenten aanwezig over Guiana (Suriname), Senegal, Japan en Indonesië. Ze hadden geen relatie met het familie-archief van Van Rappard of het huisarchief van Heemstede.

Het Algemeen Handelsblad van 25 augustus 1925 beschrijft uitgebreid over de nieuwe bevindingen. Deze Van Rappard-documenten lagen tientallen jaren op de zolder van Kasteel Heemstede. In 1910 werden ze samen met de rest van de verzameling te koop aangeboden.

Overgenomen van Oud Houten.nl, Frank Magdelyns, 8 februari 2018.

Boerderij De Ketel aan Tussen de Rails 1 en 3

(Station Utrecht Lunetten)

De meeste archeologische onderzoekenrapporten van de afgelopen jaren die zijn verschenen met betrekking tot onderzoek naar de vroegere Romeinse Limes grens en Heerbaan. Uit de tijd van het Noord Romeinse Rijk die ruim 2000 jaar geleden in de omgeving van Utrecht liep. Mede ook langs Vechten en en Tolsteeg. Maakt dat de meeste archeologen vermoeden dat het vroegere Rijndijkje in Utrecht Lunetten vermoedelijk een voortzetting is van de Heerbaan van de Romeinen. Hierin moet gezien worden dat de oostelijk gelegen Oud-Wulverbroekwetering een voortzetting is van de vroegere grotere Rijnstroom af hoofdstroom. Maar al gaande weg in de loop van de honderden jaren de Kromme Rijn de hoofdstroom werd tot het jaar 1122.

In het jaar 1122 kreeg Utrecht Stadsrechten en mogen men met het graven van de Vaartsche Rijn vanaf Vreeswijk tot aan de Tolsteegpoort. De Vaartsche Rijn ging dienen als water afvoering voor de gelijke tijdig te graven wetering in de twaalfde eeuw in de polders van Jutphaas, Vreeswijk, Houten, Schonauwen, Tull en 't Waal en Schalkwijk. Deze gebieden waren voor die tijd drassig en in moeras achtige vorm. Door het graven van die weteringen kon het overtollige water uit deze dras-gronden weggeleid worden. Water vloeide in die tijd ook nog wat de naast gelegen hogere stroomruggen naar deze komgronden. Na het graven van de Vaartsche Rijn werden de Lek en Nederrijn de hoofdtak voor de vaarroute naar het oosten.

Met het afgraven van de Vaartsche Rijn en wetering werd gelijktijdig de Lek en de Nederrijn van een dijk voorzien. Dit zal in die tijdsgeest gezien moeten worden als een primitieve verhoging langs de waterkant. Gaandeweg de eeuwen werd de dijk steeds hoger en verzwaard met als doel het rivierwater in de uiterwaarden te houden. Zodat de vroegere kom- en moerasgronden relatief droog zouden blijven. Maar ook niet meer gevoed zouden worden door het Rijnwater wat vanaf Duitsland werd aangevoerd.

Het Rijndijkje zal na de Romeinse Tijd als een glooiende verhoging in het landschap zijn gebleven maar ook gezien kunnen worden als een stroomrug van de oude Rijnstroom die werd opgevolgd door de Oud-Wulverbroekwetering.

Bij de eerste terug kerende inheemse bewoners vanaf de zevende- eeuw tot aan de tiende- of elf eeuw zou het Rijndijkje gebruikt worden als eerste primitieve route van Utrecht naar de zuidelijke gelegen Lek. Er zijn al bronnen bekend waarin de eerste bewoners van het oude kasteel Heemstede de route gebruikte om van en naar Utrecht te gaan.

Hierin moet gezien worden dat het in de elfde eeuw een zeer natte en woeste bedoeling was. De Koppeldijk die nog niet als ontginningskade in gebruik was zal zeer modderig en smal geweest zijn. Iets wat wij nu niet meer kennen als een weg van meer dan 3,5 meter breed. Bronnen uit latere eeuwen schrijven het Rijndijkje ook als Coppeldijk of Covelswaderddijck.

In de jaren dertig van de vijftiende eeuw is de tot nu toe oudste vermelding van het Houtens Zandpad te vinden. In die tijd niet meer dan een afsnijroute voor wandelende voorbijgangers en marskramers. Het zandpad liep met zijn tracé dwars door de vroegere percelering van de kavels ten zuiden van de Koningsweg in het gebied van Hoograven en Klein Kovelswade.

Vanaf 1632 zou het Houtens Zandpad worden onderhouden door de Staten van Utrecht wat zou voortduren tot het midden van de twintigste eeuw. In de loop van de achttiende eeuw werd dit zandpad een steeds belangrijkere route voor reizigers. In de eerste plaats voor wandlaars. Voor rijtuigen was het zandpad nog in die tijd altijd verboden. Hiervoor werd nog wel gebruik gemaakt van de Koppeldijk en Rijndijkje.

Aan het begin van de negentiende eeuw zou het Rijndijkje tussen de Koningsweg en hofstede De Koppel meer en meer in verval raken. Uit de jaren dertig van de negentiende eeuw zijn nog wel schouwrapporten te vinden die de staat van het dijkje ter controle brachten. Maar in die tijd diende het dijkje geen doel meer. Het Houtens Zandpad was in de loop van die eeuw al wel opengesteld voor paardenrijtuigen.

Vanaf de veertiende eeuw zou het gebied de (Hoge) Meer (het hoog gelegen land) zoals het in schriftelijk bronnen voorkomt onder het bezit van van de bisschop van het kapittel Ten Dom komen te vallen. Gelegen in de vroegere heerlijkheid van de Grote Koppel. In het jaar 1363 geeft Gijsbrecht van Abcoude het goed in leen aan de bisschop van het kapittel Ten DOM.

In het jaar 1682 wordt het gebied van de Grote Koppel nog de Koppelweer genoemd.

In het jaar 1741 verkoopt Matthijs van Pesch de landerijen in De Koppel aan Christoffel Knoppert. Die het op zijn beurt het goed drie jaar later aan Hendrik van Vollevelden verkoopt. Dit gebeurt op donderdag 27 augustus 1744 ten overstaan van de Utrechtse notaris Hendrik van Dam. Bij het transport zitten 10 morgen en 254 roeden land , gelegen in de Koppel. Waarna de koop Van Vollevelden hofstede De Leege Meeren liet bouwen.





De betekenis van deze naam moet men zien als 'woonplaats waar men in voorzien word in het gebied de meer'. In het woord Leege kan men het woord laag zien. Maar dat is hier het minst om zijn plaats. Mede omdat Van Vollevelde de hofstede op de Hoge Meer liet bouwen van het gerecht De Koppel. Dit stuk van de omgeving was een grote verhoging van stroomruggronden in het hedendaagse gebied van Station Utrecht Lunetten. Leege gaat terug op Ledich wat de betekenis heeft van 'in voorzien worden, gegeven worden'.

De naam van hofstede De Ketel komt van de vroegere eigenaren vader en zoon Aart en Jan Ketel die er aan het begin van de negentiende eeuw op boerde. Aart Ketel was gehuwd met was gehuwd Hendrika Jansze in den Eng, haar broer was Evert Jansze in den Eng. Hendrika en Evert waren volle neef en nicht van koopman Hendrik van Vollevelden. Van Vollevelden overleed in maart 1762. De boedelscheiding van Van Vollevelden vond pas plaats op maandag 27 april 1772 ten overstaan van de Utrechtse notaris Gerard Jan van Spall. 

Bij deze boedelscheiding kregen Aart en zijn echtgenote Hendrika hofstede De Ketel toegewezen van hun overleden neef. Ruim tien jaar na zijn overlijden. Na het overlijden van Aart Ketel neemt zijn zoon Jan Ketel de hofstede met landerijen over om er gewassen te verbouwen en de veehouderij te bedrijven. 

Jan Ketel koopt in het jaar 1820 de volle erfpacht af van het vroegere kapittel Ten Dom aan de Nederlandse Staat der Domeinen. Het kapittel was mede eigenaar van de hofstede vele eeuwen.

Hofstede De Ketel was bij de invoering van het kadaster in Nederland vanaf 1 oktober 1832 in bezit van nazaten van Aart Ketel die meer dan een jaar eerder overleed op 27 augustus 1831. Jan Ketel verkoopt de boerderij in het jaar 1838 aan Gerrit van Ham en zijn vrouw Grietje Deeken die de boerderij met landerijen kortere tijd later doorverkopen aan Jan van Leeuwen.

Jan die op zijn beurt het goed weer na korte tijd het goed terug verkoopt aan Gerrit en Grietje. Zij verkopen de boerderij met land in 1843 door aan Gerrit van Eijk uit Woerden. Van Eijk verkoop De Ketel in 1868 aan van Carel Casimir Alexander, ridder van Rappard en consorten. De boerderij was in die tijd genaamd 'Groeneveld'.

Casimir die enkele jaren voor zijn overlijden in 1871 de boerderij aankoopt in 1868 moet na zijn aankoop een nieuwe boerderij hebben gesticht. Zoals staat te lezen in de kadasteromschrijving. 

Hoe deze hofstede eruit heeft gezien is onbekend.

Dat Casimir van Rappard de boerderij aankocht was niet zo verwonderlijk. Hij bezat namelijk al diverse gronden in de gemeente Oud-Wulven tezamen met zijn zijn schoonfamilie Munnicks van Cleeff. Zelf had Casimir in 1860 na het overlijden van zijn schoonvader de ambachtsheerlijkheden de Grote en de Kleine Koppel en Maarschalkerweerd gekregen. Dus lag het ook voor de hand dat hij nog wat vast- en onroerend goed erbij wilde hebben in zijn bezit. Helaas is na het bouwen van een nieuwe boerderij Casimir te vroeg overleden in Duitsland en werk de boerderij met landerijen verkocht aan een nieuwe eigenaar.



De nieuwe eigenaar wordt in 1871 nog in hetzelfde jaar dat Van Rappard overleed Isaak van Leeuwen die al landbouwer was in Oud-Wulven en vermoedelijke al op de boerderij woonde de nieuwe eigenaar. Hierop verkoop Van Leeuwen de boerderij nog het zelfde jaar door aan landbouwer Jacobus Alexander de Goeij, wonende te Houten. De Goeij verkoopt De Ketel in het jaar 1891 aan Johannes Hendrikus Mol, van beroep priester en pastoor in de Katholieke Kerk in Werkhoven. Johan laat de boerderij in 1901 slopen en een nieuwe boerderij bouwen. In 1903 verkoopt Mol de boerderij aan veehouder Albertus Albertuszoon de Wit en consorten. Met consorten wordt bedoeld zijn kinderen.

In het jaar 1929 wordt de boerderijen met landerijen gescheiden en komen de goederen alleen toe aan Albert Albertszoon. In 1934 brand de volledige boerderij af waarna Albert de boerderij vernieuwd en verkoopt bij een veiling in Utrecht in 1935.




In 1936 staan twee eigenaren van de boerderij beschreven als ieder die de helft van het goed bezit. Namelijk te weten Floris Beijen, veehouder wonende te Woerden en zijn mede eigenaar Jan Pieter Uitenboogaard, koopman van beroep en wonende te Woerden.

In 1940 wordt de kadastrale gemeentebeschrijving van Oud-Wulven als legger opgeheven en wordt de boerderij overschreven naar een gemeente Houten leggernummer. Hierbij wordt Floris Beijen 100% eigenaar van hofstede De Ketel.

Op 1 januari 1954 komt hofstede De Ketel met zijn landerijen in de gemeente Utrecht te liggen. Hierbij is Floris Beijen niet meer de volledige eigenaar van het goed. In de legger staat beschreven dat Adriana Muilwijk mede eigenaresse is. Rond 1955 verkopen verkoopt Floris en Adriana de hofstede en landerijen aan de Nederlandse Spoorwegen.

In de periode rond 1955 woonde op De Ketel dhr. Johan M. Hazendonk en mevr. Joukje Lycklama & Nyeholt.

Ruim 31 jaar later zouden de Nederlandse Spoorwegen op woensdag 9 april 1986 om 09:00 uur in de ochtend ten overstaan van de Utrechtse notaris F.J.J.M. Buysrogge aan de gemeente Utrecht verkopen de hofstede De Ketel met landerijen (Tussen de Rails 1 en 3), groot +/- 46.810 ca.

De hofstede werd verkocht voor een nihil bedrag omdat hij werd verrekend met het gronddepot. Bron: Het Utrechts Archief, 1803, 665.



Spoorwegovergang van het Rijndijkje 

in de Staatslijn H (1867-1992)

De in sinds 1986 in bezit zijnde boerderij De Ketel van de gemeente Utrecht is anno 2020 nog steeds in het bezit van de gemeente Utrecht.

De twee inwonende bewoners/gezinnen huren het huis van de gemeente Utrecht. Waarschijnlijk zal de toekomst van De Ketel niet zeker zijn. Al vele jaren zijn er plannen om van het gebied een overstap intercity station te maken met daarbij ook de behorende winkels.

Station Utrecht Lunetten zal dan worden uitgebreid voor het stoppen van intercity materieel. In de Rhijnspoorweg zouden dan ook perrons moeten komen. Dit ook in verband met het toekomstig ontlasten van de drukke reizigersstromen van Utrecht Centraal die voor de komende jaren op 100 miljoen reizigers per jaar worden berekend. Het overstapstation zal ook dienen voor de grote reizigersstromen van vooral studenten richting Utrecht Science Park Utrecht, de vroegere De Uithof.

Ideeën of projectnamen voor het station zijn er ook al 'Station Utrecht Lunetten-Koningsweg', de stichting roept de Commissie Stationsnaamgeving van de Nederlandse Spoorwegen op om dit geheel nieuw- en samen te voegen station voortaan 'Station Utrecht Maarschalkerweerd' te laten heten. Dan komt de naam van het station geheel overeen met het gebied waar het van oudsher bij thuishoort.





Opheffen spoorwegovergang in Rijndijkje in de Rhijnspoorweg

 Zoals eerder geschreven was het Rijndijkje vermoedelijk al een Heerweg van het Romeinse legioen die gelegerd waren aan de grens van het Romeinse Rijk. De naast oostelijke gelegen Oud-Wulverbroekwetering was ruim 2000 jaar geleden een hoofdstroom van de Rijn. In de negentiende- en twintigste- eeuw resulteerde dit in een verhoogd dijklichaam naast deze wetering. Bij de aanleg van de Rhijnspoorweg van Amsterdam, Utrecht naar Arnhem tot de Duitse grens werd het Rijndijkje doorsneden. Bij kadastrale ligging behoorde het dijkje altijd bij de kadastrale gemeente Tolsteeg. Na 1954 behorend bij de gemeente Utrecht. Na kadasteronderzoek door de stichting konden we opmaken dat het enige Rijndijkje perceel ten zuiden van de Rijnspoorweg werd opgekocht door de Hollandse IJzerenspoorweg Maatschappij in 1872 die het vroegere weg perceel omvormde tot moesland.



Toch was dat niet het einde was de spoorwegovergang in het Rijndijkje in de Rhijnspoorweg. In een veldwerk tekening uit het jaar 1955 is wel op te maken dat er een hekwerk was geplaatst aan de noordzijde van de spoorweg en aan het zuidelijke uiteinde van het dijkje. Maar in de diverse luchtfoto's zoals die hierboven in de tabel staan moet de de spoorwegovergang nog zeker tot 1955 gedogend in gebruik zijn geweest. In de archieven is over deze spoorwegovergang vrij weinig te vinden omdat het een gedoog spoorwegovergang was van de gemeente Utrecht en de Nederlandse Spoorwegen. Wat wel opvallend is dat erin de kranten uit de vooral de twintigste eeuw vrijwel niets te vinden over spoorwegovergang ongelukken. In tegenstelling met de dubbele spoorwegovergang in het Houtensepad waar vrijwel ieder jaar wel een aanrijding met een trein was. Ondanks dat men illgelaa de Rhijnspoorweg overstak paste men dus wel goed op voor aanstormende treinen.

De naamgevingen van de het Rijndijkje en de Rhijnspoorweg hebben die iets met elkaar te maken? Nee, niet direct?

De naam van het Rijndijkje komt voor het eerst voor in het jaar 1821 bij het opmaken van het kadastrale Processen Verbaal van de gemeente grenzen van Tolsteeg. Vermoedelijk zullen de burgemeesters van Tolsteeg en Oud-Wulven hebben vastgesteld tezamen met de kadastermeter dat het dijkje een oude kleine stroomrug is van de vroegere Rijnarm en hebben ze het hierdoor het Rijndijkje genoemd. Wat ik hier schrijf is in tegenstelling tot ik eerder in een artikel heb geschreven. Dat te vinden is in een archief pdf op deze website. Het was gewoon een nieuw inzicht erin.



De Rhijnspoorweg van Utrecht naar Arnhem komt aan zijn naam toen tijdens de voorbereidende planning begin jaren veertig van de negentiende eeuw men zag dat het tracé van de spoorlijn noordelijk globaal de zuidelijke oever van de rivieren de Lek en Nederrijn volgde. Deze was in principe van oer oorsprong ook een Rijnroute.




Adresseringsgeschiedenis Hofstede De Ketel

 Tot aan het einde van het jaar 1953 toen De Ketel nog de bij gemeente Houten behoorde stond het goed geadresseerd aan de Rijndijk O90. Waarvoor de later O voor de wijk Oud-Wulven. De Ketel was dan ook het 90ste huis in de wijk Oud-Wulven van de wijknummer gemeente Houten.

Na de grond annexatie bij de gemeente Utrecht kreeg De Ketel het adres Rijndijk 4 en 5 toegewezen. Dit duurde tot de zomer van 1977 toen het adres van de hofstede Houtensepad 198 -200 werd. Omdat het goed al vele jaren een oprijlaan had richting het westen aansluitend op het Houtensepad.

Het een-na-laatste adres zou gehandhaafd blijven tot aan donderdag 14 november 2019 toen op vrijdag 15 november 2019 de nieuwe adressering voor de twee wooneenheden in werd gevoerd namelijk te weten Tussen De Rails 1 en 3. De straatnaam Tussen de Rails was al in april 1991 vastgesteld door de gemeente Utrecht.

In de jaren 2012 en 2013 werd tijdens de al jaren lange spoorverdubbelingsprojecten rondom Utrecht Centraal een nieuw fietspad aangelegd richting de Koningsweg. Die voor forensen van Utrecht Lunetten richting Universiteitsterrein Science Park De Uithof een korte weg moest gaan bieden. Het fietspad Tussen de Rails wat in 1985 was aangelegd tezamen met de aanleg van de rijksweg A27 was voor wandelaars en fietsers jarenlang een eindje om fietsen. Eertijds moest men via dit fietspad over de rijksweg A27, aansluitend op de Mereveldseweg. Om vervolgens links af parallel langs de Koningsweg weer dezelfde rijksweg via een viaduct over te steken.. Men kwam pas toen op de Laan van Maarschalkerweerd te komen om richting het Science Park te kunnen gaan.

Bij de aanleg van het nieuwe fietspad werd ook rekening gehouden met de nieuw aan te leggen sneltram 22 richting het Science Park De Uithof. Die vanaf de Rhijnspoorweg richting het noorden een stuk parallel loopt naast het fietspad tot aan de Koningsweg en de Laan van Maarschalkerweerd.

Het nieuw aangelegde fietspad gaf dus een veel korte verbinding van Utrecht Lunetten naar het Science Park De Uithof. De naam van het fietspad werd hoe kan het ook anders genaamd het Maarschalkerweerdpad.

Straatnaam Maarschalkerweerdpad vastgesteld door het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Utrecht op donderdag 27 juni 2013.

Getranscribeerde rapport uit archief 4001 van Het Utrechts Archief, 'Verzameling rechtskundige rapporten'

1.   T4001, inventarisnummer: 907 ... Rapport over den overweg over den spoorweg Utrecht - ‘s-Hertogenbosch in het Rijndijkje, 26 januari 1914. download

2.   T4001, inventarisnummer: 908 ... Rapport van den rechtstoestand van het Rijndijkje, 12 februari 1914. download

Landerijen familie Munnicks van Cleeff, Van Cleeff en Rappard in Jutphaas (Gem. Nieuwegein) en Oud-Wulven (Gem. Houten)






<<< Weggetje of kade ten zuiden van de Waijensedijk werd in de zeventiende eeuw de Heyzeedyk genoemd. Mogelijk een voorgaande verbastering van de naam van 't Hemeltje.

In achttiende eeuw komt de naam voor als Wereldschraag wat onder de gebruikers van de kade met een knipoog werd bedoeld als 'Wereldondersteuning onder (beneden) de landerijen van 't hemel'.

Een schraag is het oud Nederlandse woord voor hulp of ondersteuning. Fysiek veelal gebruikt in de vorm van een houtenconstructie om liggende voorwerpen te ondersteunen. 

In uitdrukkelijke zin gebruik om de landerijen van 't Hemeltje te ondersteunen vanaf de wereld.







  

 

































Op zaterdag 22 december 1736 werd aan het Hof van Utrecht door advocaat Willem Reinier van Baerle als gemachtigde van Johan van Baern, bedaerd jonkman (gepensioneerd), wonende te Maastricht, en zijn mede erfgename en familieleden het goed te Meerveld groot 39 morgen gelegen over de Covelaersbrugh met overblijfsel van 't huijs ten tijden van de Franse invasie geruïneerd verkocht aan Willem van Cleeff die van beroep procureur-generaal was.

Bron: Regionaal Archief Zuid-Utrecht (RAZU), T064 (getranscribeerde dorpsgerechten).




 


Foto 1.   Afbeelding van de gereconstrueerde burcht Renesse van Rijnauwen, op het feestterrein tussen de Koningsweg en de Kromme Rijn te Houten waar het Openluchtspel Willem van Holland zal worden gehouden ter gelegenheid van het 55e lustrum (275-jarig bestaan) van de universiteit te Utrecht op maandag 26 juni 1911.

N.B. Het feesterrein, ongeveer op de plaats van de latere sportvelden aan de Laan van Maarschalkerweerd, is later bij de gemeente Utrecht gevoegd.

Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 221967.

Foto 2.   Tweeluik met afbeeldingen van de gereconstrueerde burcht Renesse van Rijnauwen en het tentenkamp van Willem van Holland, 
op het feestterrein tussen de Koningsweg en de Kromme Rijn te Houten waar het Openluchtspel Willem van Holland zal worden 
gehouden ter gelegenheid van het 55e lustrum (275-jarig bestaan) van de universiteit te Utrecht tussen maandag 26 juni 1911 en vrijdag 7 juli 1911.
Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 221968.

Foto 3.   Holland zal arriveren bij de burcht, op het feestterrein tussen de koningsweg en de Kromme Rijn te Houten, 
tijdens het Openluchtspel Willem van Holland ter gelegenheid van het 55e lustrum (275-jarig bestaan) van de universiteit te Utrecht
tussen maandag 26 juni 1911 en vrijdag 7 juli 1911.

Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 221969.

Foto 4.   Afbeelding van de gereconstrueerde burcht Renesse van Rijnauwen, op het feestterrein tussen de Koningsweg en de Kromme Rijn te Houten 
waar het Openluchtspel Willem van Holland zal worden gehouden ter gelegenheid van het 55e lustrum (275-jarig bestaan) van de universiteit te Utrecht tussen
maandag 26 juni 1911 en vrijdag 7 juli 1911.

Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 221970.

Foto 5.   Afbeelding van de gereconstrueerde burcht Renesse van Rijnauwen, op het feestterrein tussen de Koningsweg en de Kromme Rijn te Houten, 
tijdens het Openluchtspel Willem van Holland ter gelegenheid van het 55e lustrum (275-jarig bestaan) van de universiteit te Utrecht tussen
maandag 26 juni 1911 en vrijdag 7 juli 1911. 

Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer: 221971.

Fotogalerij kaarten, plattegronden en luchtfoto's Maarschalkerweerd, De Grote en de Kleine Koppel